|
Hoofdstuk 1
Wat een lul. Wat een verschrikkelijke, ordinaire lul. Snotterend stap ik uit de bus en loop naar mijn ouderlijk huis. Naar de villa waar ik mijn hele leven heb gewoond. Naar het huis waarin ik besloot dat ik met een heel rijke man zou trouwen. Ooit. Nou, dat is gelukt, maar maakt het gelukkig? De omgeving ziet er nu zo anders uit. Een ander huis, een ander plein, andere mensen. Alles lijkt veranderd. Het hout is donkerrood geverfd. Aan de voorkant van het huis staat nog wel de stenen put, waar vroeger een grote plaat op lag zodat ik er niet in kon vallen. Het water ziet er vies uit. Ik weet nog dat mijn ouders bang waren dat ik in de put van de buren was gevallen. Ik wist niets van de paniek af. Ik speelde verstoppertje in iemands tuin en reageerde daarom niet op het geroep van mijn ouders en alle buren. ‘Nicci! Nicci! Kom maar tevoorschijn. Waar zit je, Nicci?’ Ik was goed in verstoppertje spelen. Er waren genoeg donkere plekjes in het park en ik kon muisstil zijn. Niemand die mij zou ontdekken. In de gang zullen nu een paar gekleurde kinderjassen hangen. De gang waar ooit mijn roze jasje hing. Oranje luxaflexen, houten poppen voor het raam. In de tuin staat een grote loungebank, op de plek waar ooit onze schommel stond. Het lijkt niet meer op ons huis. De straat, het pleintje… Het is allemaal zo veranderd. Alsof het een set is van een film. Een replica van mijn verleden. Wat was ik hier gelukkig. Gelukkiger dan in de riante villa waar ik nu woon. Wat is er nu leuk aan zoveel ruimte als je er altijd alleen zit? Als je niemand hebt om mee te praten? Ik loop het park in, vlak achter de tuin, en draai mijn natte, verregende haren tijdens het lopen in een knot. Het park waarin we vroeger met alle kinderen verstoppertje speelden, waar we boomhutten bouwden, waar ik uit de kabelbaan viel. Het park dat er door de bewolking nu erg donker en somber uitziet. Alsof het er spookt. Stil en verlaten, alsof er nooit meer kinderen hebben gespeeld. Het was hier altijd zo levendig met al die rennende en gillende kinderen. Iets dat ik bij ons in het park nooit zie of hoor. Wij hebben een oprijlaan van vijf meter en een groot hek om onze tuin. Ik tuur naar de tuinen van onze oude buren, loop richting het bruggetje, dat ooit zo wankel was. Het is nu een compleet nieuwe brug, stevig en licht van kleur. De nostalgie begint naar boven te komen. Ik zie mezelf weer spelen in dit park. De hutjes die we hebben gemaakt. Toen was het nog leuk om in de modder te spelen, en toen maakte ik me nog niet druk om vies worden en om beestjes die in mijn haar terecht zouden komen. Dit doet me goed. Even in de buitenlucht. Zuurstof. Maar als ik met mijn hand het papier in mijn jaszak omklem, weet ik het weer. Wat een lul. Het is dat ik het met mijn eigen ogen heb gezien, anders had ik het niet geloofd. Na al die jaren… Ik dacht dat hij het gewoon te druk had, dat hij geen kind met mij wilde omdat ik het dan zo goed als alleen zou moeten opvoeden. Wellicht met behulp van een nanny, maar in ieder geval zonder hem. We hebben het er vaak over gehad, maar het was echt niet de juiste tijd, zei hij. Ik dacht dat hij zoveel van mij hield, dat hij nooit tot zoiets walgelijks en vulgairs in staat zou zijn. En dan dat lippenstiftkusje op de bord van zijn overhemd. Knalrood. Hoerenrood. Een ongelukje. Een vrouwelijke collega die struikelde, hij probeerde haar op te vangen, en oeps, hoerenrode lippenstift op zijn overhemd. Ongelukje. Ha! Maar dit is de druppel. God, wat ben ik kwaad. Ik staar naar de echo en schud mijn hoofd. Al dertien weken is ze zwanger. Zij. Zijn minnares. Ik wist niet wat ik zag toen ik zijn colbert van de bankleuning raapte. Even netjes voor mijn liefje ophangen, dacht ik. Dat doe ik wel voor de liefde van mijn leven. De echo zat los in de zak van zijn colbert opgeborgen. Hij koestert de echo, de baby. Ja, in deze wijk, in mijn ouderlijk huis, fantaseerde ik als klein meisje over het gezin dat ik ooit zou krijgen. Hij zou een baan hebben waarbij hij vooral moest delegeren, vanuit huis. We zouden veel samen zijn. Onze kinderen samen opvoeden. Leuke dingen doen met elkaar. Maar sinds de dag dat we in onze villa wonen, is hij vijf dagen per week op pad. Ik wist niet eens wat een oliemagnaat precies deed, maar ik hoopte een stuk minder dan dat hij nu doet. Alhoewel ik niet eens meer zeker weet of hij altijd wel aan het werk is. Hij heeft tenslotte al een tijdje een minnares. Hij geeft vast om haar. En hij geeft vast om het ongeboren kind. Ik mag voor zijn eten zorgen, shoppen met zijn creditcard en feestjes organiseren voor in de weekenden dat hij er wel is. Zij mag zijn kind baren. Zij wel. Hoe zou ze heten? Die hoer. Hoe oud zou ze zijn? Wat doet het er eigenlijk toe? Ik verfrommel de echo en gooi het papiertje tussen de gebroken takjes op de grond. Nee shit, niet weggooien. Ik raap het papiertje weer op, veeg het kleine beetje aarde ervan af en stop het weer in mijn jaszak. Ik loop terug naar het plein, kijk nog één keer naar mijn oude huis en loop door naar de bushalte. Over een paar uur zal René thuis zijn. Dan zijn we het hele weekend weer samen. Met zijn minnares en haar echo tussen ons in.
|