Dodencirkel
Elly Griffths
Door: Uitgeverij De Kern op 19 mei 2009

Proloog

Ze wachten tot het laagwater wordt en gaan op weg zodra het licht wordt. Het heeft de hele tijd geregend. Nu wasemt de grond en stijgt de nevel op naar de laaghangende wolken. Nelson heeft Ruth afgehaald in een politieauto zonder uiterlijke kenmerken. Hij zit naast de bestuurder en Ruth achterin, als passagiers in een taxi.

Ze rijden zwijgend langs de Saltmarsch naar het parkeerterrein dicht bij de plaats waar de beenderen zijn gevonden.
De stilte wordt alleen doorbroken door het abrupte gekraak van de mobilofoon en de moeizame ademhaling van de man achter het stuur die een verstopte neus heeft. Nelson zegt niets. Er valt niets te zeggen.
Ze stappen uit en lopen over het drassige gras naar het water. De wind fluistert in het riet en hier en daar zien ze een stukje spiegelglad, roerloos water waarin de wolken worden weerspiegeld. Bij de rand van het moerasland blijft Ruth staan. Ze zoekt naar de eerste verzonken paal die het begin aanduidt van het bochtige pad dat dwars door het verradelijke water naar het wad voert. Als ze hem heeft gevonden, half bedekt door het brakke water, gaat ze zonder om te kijken op weg.
Zwijgenddoorkruizen ze het moeras. Als ze de zee naderen, begint de mist op te trekken en piept de zon af en toe door de wolken. Het is eb en rond de palencirkelglinstert het zand in het vroege daglicht. Ruth gaat op haar knieën zitten, zoals ze Erik jaren geleden heeft zien doen. Behoedzaam steekt ze haar troffel in de lillende modder.
Opeens is het volkomen stil; zelfs de zeemeeuwen die hoog in de lucht cirkelen, staken hun krankzinnige gekrijs. Of misschien zijn ze er nog, maar hoort ze ze niet meer. Ze hoort Nelson op de achtergrond zwaar ademen maar is zelf eigenaardig kalm. Ook als ze het ziet, het kleine armpje met het dooparmbandje, voelt ze niets.
Ze had al geweten wat ze zou vinden.

1
Ontwaken is als een herrijzenis uit de dood. De trage klim uit het dal van de slaap, vormen die zich losmaken van de duisternis, het bazuingeschal van de wekker. Ruth steekt blindelings haar hand uit en maait de wekker op de grond, waar het ding verwijtend blijft rinkelen. Ze komt kreunend overeind en trekt het rolgordijn omhoog. Het is nog donker. Dit is niet zoals het hoort, denkt ze, en haar gezicht vertrekt als ze haar voeten op de koude houten vloer zet. In de steentijd stonden de mensen op wanneer het licht werd en gingen ze naar bed zodra de zon onder was. Waarom denken wij dat we het beter weten?
Op de bank in slaap vallen bij Newslight, jezelf de trap op slepen, met een Rebus in bed kruipen, naar de World Service op de radio luisteren, begraafplaatsen uit het ijzertijdperk tellen om in slaap te komen, en met een loodzwaar gevoel in je lijf wakker worden terwijl het buiten nog hartstikke donker is. Nee, dat kon niet goed zijn.
Onder de douche worden haar oogleden van elkaar geweekt en glijdt haar haar over haar rug. Een soort doop. Haar ouders zijn wedergeboren christenen en aanhangers van Volledige Onderdompeling voor Volwassenen (met hoofdletters). Ruth zou daar ook wel iets voor voelen, als ze in God zou geloven. Haar ouders Bidden voor Haar (alweer met hoofdletters), wat een troost zou moeten zijn, maar het niet is.
Ze droogt zich stevig af en kijkt daarbij naar de beslagen spiegel. Ze weet wat ze daarin zou zien en die wetenschap brengt net zo weinig troost als de gebeden van haar ouders. Halflang bruin haar, blauwe ogen, een bleke huid, en hoe omzichtig ze ook op de momenteel naar de bezemkast verbannen weegschaal stapt, nog steeds tachtig kilo. Ze slaakt een diepe zucht (ik word niet gekenschetst door wat ik weeg; gewicht is relatief) en knijpt wat tandpasta op haar tandenborstel. Ze heeft een prachtige lach, maar nu lacht ze niet, dus valt daar ook geen troost uit te putten.
Schoon en wel loopt ze op blote, nog vochtige voeten terug naar de slaapkamer. Aangezien ze vandaag college geeft, moet ze zich een beetje netjes aankleden. Zwarte lange broek, zwarte vormeloze bloes. Ze kijkt amper als ze de kleren pakt. Ze houdt van kleur en zachte stoffen, heeft een zwak voor lovertjes, pijpkraaltjes en glitterstofjes, al zou je dat niet zeggen als je haar garderobe ziet: een rij saaie, donkere broeken en ruimvallende, donkere jasjes. De laden van haar dennenhouten commode bevatten niets anders dan zwarte truien, lange vesten en leggings. Ze heeft spijkerbroeken gedragen tot ze was uitgedijd tot maar 44 en geeft nu de voorkeur aan ribfluweel, zwart uiteraard. Spijkerbroeken zijn sowieso te jeugdig voor haar. Volgend jaar wordt ze veertig.
Ze kleedt zich aan en daalt de trap af, die meer op een ladder lijkt. 'Daar kom je nooit op of af' had haar moeder gezegd bij haar eerste en enige bezoek.
Wie zegt dat je dat moet? had Ruth in stilte geantwoord. Haar ouders hadden in de plaatselijke B&B gelogeerd, omdat Ruth maar één slaapkamer heeft. Ze hadden boven trouwens niets te zoeken, want er was beneden een toilet (maar omdat die vlak bij de keuken was, vond haar moeder dat onhygiënisch). De trap komt rechtstreeks uit in de woonkamer met de prachtige glanzende houten vloer, de oude bank die zo zalig zit, de grote flatscreen-tv, en de stapels boeken op iedere beschikbare plek.
Hoofdzakelijk boeken over archeologie, maar ook detectives, kookboeken, reisgidsen en doktersromannetjes. Ruth leest alles wat los en vast zit en heeft een zwak voor meisjesboeken die over ballet en paardrijden gaan, al heeft ze geen van beide ooit gedaan.
In de keuken is amper voldoende ruimte voor een koelkast en een fornuis, maar Ruth kookt zelden, de mooie kookboeken ten spijt. Ze doet de waterkoker aan, stopt brood in het broodrooster en klikt met een ervaren gebaar Radio 4 aan. Dan pakt ze de aantekeningen voor haar les en gaat er mee aan de tafel bij het raam zitten. Haar lievelingsplekje. Achter de voortuin met het verwaaide gras en het scheve blauwe hek ligt niets dan ruimte. Kilometers moerasland, bespikkeld met beknotte gaspeldoorn, kriskras doorkruist met kleine, verradelijke beekjes.
In deze tijd van het jaar die je soms grote zwermen wilde ganzen door de lucht klapwieken, hun veren roze gekleurd in de zonsopgang, maar op deze grijze winterochtend is er voor zover het oog rijkt geen enkel levend wezen te zien. Alles is bleek en vaal, grijsgroen dat overgaat in grijswit waar het land en de lucht samenkomen. In de verte is nog net de zee te zien, een streep donkerder grijs met zeemeeuwen die boven de golven hangen. Het is een troosteloos landschap en Ruth weet zelf niet waarom ze er zo van houdt.
Ze eet haar toast en drinkt haar thee. Ze heeft eigenlijk liever koffie, maar dan wel goede koffie, dus wacht ze liever tot ze op de universiteit een espresso kan nemen. Ze bladert in haar aantekeningen, die ooit keurig zijn uitgetypt, maar inmiddels als een palimpsest zijn volgekrabbeld met op- en aanmerkingen in verschillende kleuren: 'Sekse en prehistorische technologie', 'Het opgraven van kunstvoorwerpen', 'leven en dood in het mesolithicum', 'De rol van dierlijke beenderen bij opgravingen'.
Het is weliswaar pas begin november, maar het eerste trimester loopt al bijna ten einde en dit is de laatste week dat ze lesgeeft. Eventjes ziet ze de gezichten van haar studenten voor zich: ernstig, ijverig en een beetje saai.
Ze geeft nu alleen nog les aan postdoctorale studenten en mist de nonchelante gemoedelijkheid van de jongere studenten die vaak nog zaten bij te komen van een avondje stappen. Haar huidige studenten zijn zo gedreven dat ze haar na de les vaak ophouden om te praten over Lindow Man en Boxgrove Man en of vrouwen nu wel of niet een belangrijke rol vertolken in de prehistorische maatschappij.
Soms heeft ze de neiging om te zeggen: Kijk om je heen, ook in de moderne maatschappij spelen we lang niet altijd een belangrijke rol.
Waarom denk je dat een bende ongearticuleerde jagers en verzamelaars vooruitstrevender is geweest dan wij?
Thought for the Day dringt tot haar bewustzijn door en herinnert haar eraan dat het tijd is om te gaan. 'In bepaalde opzichten is God net een iPod...'.
Ze zet haar bord en mok in de gootsteen en schudt brokjes in de etensbakjes van haar katten, Sparky en Flint. Onderhand geeft ze antwoord aan de altijd aanwezige sardonische interviewer in haar hoofd. 'Ja, ik ben een mollige alleenstaande vrouw en ik heb katten' Nou en? Ja, ik praat tegen mijn katten, maar niet omdat ik denk dat ze me antwoord zullen geven. Ja, ik weet dat ik voor hen niets anders ben dan een handige etensbakjesvuller.'
Alsof hij het hoort wurmt Flint, een grote lapjeskat, zich precies op dat moment door het kattenluikje en kijkt haar met zijn goudgele ogen aan.
'Staat God bij onlangs afgespeeld op onze iPod, of moeten we soms op shuffle drukken?'
Ruth aait Flint, loopt terug naar de woonkamer en stopt de paperassen in haar rugzak. Ze wikkelt een rode sjaal (de enige kleur in haar kleding die ze zich toestaat: ook dikke mensen kopen sjaals) om haar hals en trekt haar parka aan. Dan doet ze het licht uit en gaat naar buiten.
Haar huisje staat aan de rand van de Saltmarsh, in een rijtje van drie. Een van haar buren is de opzichter van het vogelreservaat en het andere huis is van mensen die alleen in het weekeinde komen, voornamelijk in de zomer, en dan hun rokerige barbeque opstoken en hun jeep midden in Ruths uitzicht neerzetten. De weg staat in de lente en de herfst regelmatig onder water en midden in de winter is hij soms onbegaanbaar. 'Waarom blijf je zo afgelegen wonen?' vragen haar collega's. 'Er staan vaak snoezige huisjes te koop in King's Lynn. Je kunt ook Blakeney overwegen, als je dicht bij de natuur wilt blijven wonen'.
Ruth kan hun niet uitleggen waarom een meisje dat geboren en getogen is in het zuiden van Londen zich zo aangetrokken voelt tot het verradelijke moeras, het barre wad, het lege, ombarmhartige uitzicht. Ze weet het zelf namelijk ook niet. Ze heeft de Saltmarsh voor het eerst gezien toen ze er kwam voor een onderzoek, maar weet niet wat de reden is waarom ze alle tegenstand trotseert en er blijft wonen. 'Ik ben eraan gewend' zegt ze. 'En de katten willen niet verhuizen'. Dan lachen ze. Die Ruth toch, dol op haar katten, omdat ze geen kinderen heeft natuurlijk. Gek dat ze nooit is getrouwd, ze is toch zo leuk om te zien als ze lacht.
Vandaag is de weg droog en blaast de altijd aanwezige wind alleen een smalle streep zout op haar voorruit. Ze drukt met een afwezig gebaar op de ruitensproeier, hobbelt over het wildrooster en volgt de bochtige weg naar het dorp. 's Zomers sluiten de bomen zich boven de weg aaneen zodat je door een geheimzinnige groene tunnel rijdt.
Nu zijn de bomen slechts skeletten met naakte armen die zich uitstrekken naar de hemel. Ze rijdt, met iets te hoge snelheid, langs de vier huizen en de nu gesloten pub waaruit het dorp bestaat en slaat af naar King's Lynn. Haar eerste college is om tien uur. Ze heeft ruimschoots de tijd.
Ruth geeft les aan de University of North Norfolk, die ook wel wordt aangeduid met de weinig inspirerende initialen UNN, een nieuwe universiteit aan de rand van King's Lynn. Ze doceert archeologie, wat daar een nieuwe studierichting is, en meer specifiek forensische archeologie, wat een nog nieuwere tak daarvan is. Phil, het hoofd van de faculteit, mag graag grappen dat er niets nieuws is aan archeologie en dan glimlacht Ruth plichtmatig. Het zal niet lang meer duren, denkt ze, tot Phil bumperstickers aanschaft met teksten als: ARCHEOLOGEN VANGEN GRAAG BOT of JE BENT NOOIT TE OUD VOOR EEN ARCHEOLOOG.
Haar specialiteit is beenderen. Hoe maakt een skelet de deur open? Met zijn sleutelbeen. Ze heeft ze allemaal al eens gehoord, maar blijft erom lachen. Vorig jaar heeft ze van haar studenteneen levensgrote kartonnen pop van dokter McCoy uit Star Trek gekregen. Ze heeft hem boven aan de trap gezet waar hij nog steeds de katten de stuipen op het lijf jaagt.
OP de radio heeft iemand het over leven na de dood. Waarom heeft een mens er behoefte aan een hemel te creëren? Is dat een teken dat er een is of is het een kwestie van wijdverspreide ijdele hoop? Haar ouders praten over de hemel alsof het een oord is dat ze al kennen, een soort kosmisch winkelcentrum waar ze de weg weten en gratis  toegang hebben tot P+R, terwijl Ruth eeuwig in een ondergrondse parkeergarage zal wegkwijnen. Tot ze een wedergeboren christen wordt natuurlijk. Ruth zou liever in de katholieke hemel komen die ze heeft gezien tijdens haar studiereizen naar Italië en Spanje.
Weidse luchten, grote wolkpartijen, rook en wierook, duisternis en geheimzinnigheid. Ruth houdt van groots: de schilderijen van John Martin, het Vaticaan, de lucht boven Norfolk. Maar goed ook, denk ze laconiek als ze het universiteitsterrein oprijdt.
De universiteit bestaat uit lange, lage gebouwen die met elkaar verbonden zijn door glazen gangen. OP bewolkte dagen als vandaag maakt het complex een uitnodigende indruk met het gelige licht boven de drukbezette parkeerterreinen en de rij dwerglampen die de weg wijzen naar de gebouwen waar Archeologie en Natuurwetenschappen zijn ondergebracht. Van dichtbij ziet alles er echter minder indrukwekkend uit. Hoewel het gebouw er pas tien jaar staat, zitten er scheuren in de betonnen facade, zijn de muren beklad met graffiti en doet een derde van de dwerglampen het niet.
Als ze de muf ruikende trap naar haar kantoor op loopt, is ze met haar gedachten bij haar eerste college: De grondbeginselen van het opgraven. Alhoewel haar studenten postdoctoraal zijn, hebben de meesten nog maar weinig of geen praktijkervaring opgedaan. Aangezien de UNN het lesgeld hard nodig heeft zijn er veel buitenlandse studenten bij, en voor hen is de bevroren grond van East Anglia een heftige cultuurshock. Daarom beginnen ze ook pas in april aan hun eerste officiële opgravingswerk.
Terwijl ze door de gang loopt, tast ze in haar tas naar haar sleutelkaart. Ze ziet twee mensen op haar afkomen. De ene is Phil, het hoofd van de faculteit, de andere iemand die ze niet kent. Een lange, donkere man met grijzend stekeltjeshaar die een geharde indruk maakt, beheerst en een tikje gevaarlijk, waaruit ze meteen concludeert dat hij geen student kan zijn en zeker geen docent. Ze stapt opzij om hen langs te laten, maar tot haar verbazing blijft Phil voor haar staan en zegt op een ernstige toon die zijn bijna onbedwingbare opwinding echter niet kan verdoezelen: 'Ruth, ik heb hier iemand die graag met je wil kennismaken.'
Dus toch een student. Ruth haalt al een vriendelijke glimlach tevoorschijn, maar die bevriest bij de volgende woorden van Phil.
'Dit is inspecteur Harry Nelson van de politie. Hij wil met je praten over een moord.'

2
'Vermoedelijk. Het gaat vermoedelijk om een moord', zegt inspecteur Harry Nelson snel.
'Ja, natuurlijk,' zegt Phil net zo snel, met op zijn gezicht een blik van: Moet je mij zien! Sta ik hier te praten met een heuse inspecteur!
Ruth houdt haar gezicht in de plooi. Phil stelt haar voor. 'Doctor Ruth Galloway. Onze deskundige op het gebied van de forensische archeologie'. 'Aangenaam,' zegt Nelson zonder ook maar een zweem van een glimlach. Hij wijst naar de gesloten deur van Ruths kantoor. 'Kunnen we...?'
Ruth steekt haar kaart in de gleuf en duwt de deur open. Ze heeft een piepklein kantoor, amper twee meter in doorsnee. Eén muur wordt volledig in beslag genomen door boekenplanken, in de muur tegenover de deur is een raam dat nodig gelapt moet worden met uitzcht op een vijver die nodig schoongemaakt moet worden en tegen de vierde muur staat haar bureau met erboven een ingelijste poster van Indiana Jones. Ironisch bedoeld, legt ze altijd haastig uit. Als ze hier een werkgroepen lesgeeft, is een deel van de studenten meestal gedwongen op de gang te zitten en houdt ze de deur open met de poesvormige deurstop, een cadeautje van Peter.
Nu doet ze de deur dicht en staan Phil en de inspecteur er wat ongemakkelijk bij, te groot voor het kleine vertrek, vooral Nelson, die een hoop licht wegneemt als hij met een fronsend voorhoofd voor het raam gaat staan. Hij ziet er te breed, te lang en te volwassen uit voor dit kamertje.
'Neemt u plaats.' Ruth wijst naar de stoelen die bij de deur opgestapeld staan. Phil tilt er met overdreven gebaren eerst eentje af voor Nelson. Het scheelt weinig of hij had met zijn mouw de zitting afgeveegd.
Ruth kruipt achter haar bureau, waar ze de illusie van zekerheid heeft, het gevoel dat zij hier de dienst uitmaakt. Die illusie wordt meteen verstoord als Nelson achterover leunt, zijn benen over elkaar slaat en op een kordate, monotone manier het woord tot haar richt. Hij heeft een licht accent dat verraadt dat hij uit het noorden van het land komt en zijn woorden nog beknopter doet klinken, alsof hij geen tijd heeft voor de langgerekte klinkers van Norfolk.
'Er zijn beenderen gevonden,' zegt hij.
'Vermoedelijk van een kind, maar ze zien er oud uit. Ik moet weten hoe oud.'
Ruth zegt niets, maar Phil komt vlijtig met een vraag. 'Waar zijn de beenderen gevonden, inspecteur?'
'Dicht bij het vogelreservaat. Op de Saltmarsh.'
Phil kijk naar Ruth. 'Is dat waar jij...'
'Dat weet ik,' snoert Ruth hem snel de mond. 'Waaromvindt u de botten er oud uitzien?'
'Ze zijn bruin en verkleurd, maar in goede conditie. Ik dacht dat dit uw terrein was,' zegt hij, opeens agressief.
'Dat is het ook,' zegt Ruth rustig. 'Daarom bent u hier, nietweaar?'
'Kunt u beoordelen of ze van recente datum zijn of niet?' vraagt Nelson, nog altijd vrij strijdlustig.
'Botten van recente datum zijn meestal geen probleem,' zewgt Ruth. 'Die hebben duidelijke kenmerken. Oudere bottenzijn lastiger. Soms is het niet vast te stellen of ze vijftig jaar oud zijn of tweeduizend jaar. Daarvoor moet radiokoolstofdatering toegepast worden.'
'Professor Galloway is hierin gespecialiseerd.' Dat is Phil weer, die niet buitenspel gezet wil worden.
'Ze heeft in Bosnië aan oorlogsgraven gewerkt...'
'Kunt u een kijkje komen nemen?' vraagt Nelson abrupt.
Ruth doet alsof ze erover moet nadenken, maar ze is uiteraard doodnieuwsgierig. Beenderen! Op de Saltmarsh! Waar ze aan die eerste, onvergetelijke opgraving heeft gewerkt met Erik. Het kan van alles zijn. Het kan een ontdekking zijn. Het kan...
'Denkt u dat het om een moord gaat?' vraagt ze.
Nu kijkt Nelson een beetje beklemd. 'Daar laat ik me liever niet over uit,' zegt hij dat gewichtig.
'Kunt u een kijkje komen nemen?'
Ruth staat op. 'Ik moet om tien uur college geven. Ik zou tijdens mijn lunchpauze kunnen komen.'
'Dan laat ik u om twaalf uur ophalen,' zegt Nelson.

Nelson laat haar niet ophalen in een politieauto compleet met blauw zwaailicht, zoals Ruth stieken gehoopt had. In plaats daarvan komt hij zelf, in een modderige Mercedes. Ze staat zoals afgesproken bij de hoofdingang te wachten en hij stapt niet eens uit, maar leunt opzij om het portier aan de passagierskant open te maken. Ruth voelt zich dik als ze instapt. Ze voelt zich altijd dik in auto's. Ze is altijd bang dat de veiligheidsgordel niet ruim genoeg is of dat er een onzichtbare gewichtssensor zal gaan piepen. 'Tachtig kilo in de auto! Tachtig kilo in de auto! Noodtoestand! Activeer schietstoel!'
Nelson werpt een blik op haar rugzak. 'Zit daar alles in wat u nodig hebt?'
'Ja.' In de tas zit haar kant-en-klare opgravingsuitrusting: een troffel, een spade, plastic diepvieszakjes voor monsters, rollen tape, een notitieboekje, potloden, verfkwasten een kompas en een digitaal fototoestel. Ze heeft zich bovendien omgekleed in een trainingspak met daarop een lichtgevend jack. Ze weet dat die allesbehalve flatterend zijn en het irriteert haar dat ze daar zo over inzit.
'U woont dus aan de Saltmarsh?' vraagt Nelson nadat hij met slippende banden is opgetrokken. Hij heeft een woeste rijstijl.
'Ja,' zegt Ruth en ze snapt niet waarom ze zich opeens in de verdediging gedrukt voelt. 'Aan de New Road.'
'De New Road!' Nelson lacht kort. 'Ik dacht dat daar alleen vogelaars woonden.'
'De opzichter van het vogelreservaat is inderdaad mijn buurman,' zegt Ruth. Ze heeft moeite beleefd te blijven, met haar voet op het denkbeeldige rempedaal.
'Het zou niets voor mij zijn,' zegt Nelson. 'Veel te afgelegen.'
'Ik hou ervan,' zegt Ruth. 'Ik heb er jaren geleden meegewerkt aan een opgraving en ben er sindsdien gebleven.'
'Een archeologische opgraving?'
'Ja.' Ruth denkt terug aan die zomer, tien jaar geleden. De avonden rond het kampvuur, de geblakerde worstjes, de melige liedjes. Het gekwinkeleer van de vogels en de paarse zee van bloeiende pamsoor 's ochtends vroeg. Die keer dat schapen 's avonds hun tenten tegen de vlakte hadden gelopen. Die keer dat Peter na het keren van het tij was gestrand en Erik hem had moeten redden en letterlijk over de slikken was gekropen om bij hem te komen. De onvoorstelbare opwinding toen ze de eerste paal hadden ontdekt, het bewijs dat de palencirkel bestond. Ze herinnert zich nog precies hoe Eriks stem klonk toen hij zich omdraaide en boven het ruisen van het wassende water naar hen riep: 'We hebben hem gevonden!'
Ze kijkt naar Nelson. 'We waren op zoek naar een henge, een palencirkel.'
'Net zoiets als Stonehenge?'
'Ja. Een henge is in principe alleen maar een cirkelvormige aardwal met een sloot eromheen. En meestal staan binnen de wal palen of stenen.'
'Ik heb ergens gelezen dat Stonehenge niets anders is dan een gigantische zonnewijzer. Een manier om te kunnen vaststellen hoe laat het is.'
'We weten niet zeker waar de palencirkels en stenencirkels voor dienden,' zegt Ruth, 'maar we kunnen er met redelijke zekerheid van uitgaan dat het iets te maken had met rituelen.'
Nelson werpt haar een vreemde blik toe.
'Rituelen?'
'Ja, godenverering, offerandes, offergraven.'
'Offergraven?' echoot Nelson. Hij lijkt nu geïnteresserd en zijn stem verliest de wat neerbuigende klank.
'Soms vinden we bewijzen van offerandes. Potten, speren, beenderen van dieren.'
'Ook van mensen? Vindt u ook wel eens menselijke beenderen?'
'Ja, ook. Soms.'
Het blijft even stil. Dan zegt Nelson: 'Beetje rare plaats voor zo'n palencirkel, niet? In de zee.'
'Dit was toen geen zee. Landschappen veranderen. Nog niet zo erg lang geleden, tienduizend jaar, zat dit land nog vast aan het continent. Toen kon je hiervandaan naar Scandinavië lopen.'
'Meent u dat?'
'Ja. King's Lynn was ooit een groot getijdenmeer. Vandaar de naam Lynn. Dat is het Keltische woord voor meer.'
Nelson draait zijn hoofd naar haar toe en bekijkt haar sceptisch. De auto begint gevaarlijk te slingeren. Ruth vraagt zich af of hij denkt dat ze dit allemaal zit te verzinnen.
'Als dit geen zee was, wat was het dan?'
'Vlak moerasland. We vermoeden dat de palencirkel zich aan de rand van een moeras bevond.'
'Evengoed een rare plek om zoiets te bouwen.'
'Moerasland was erg belangrijk in prehistorische tijden,' legt Ruth uit. 'Het is een symbolisch landschap. We denkendat het de schakel is tussen het land en de zee, of tussen leven en dood.'
Nelson snuift. 'Pardon?'
'Een moeras is geen land en geen zee. Het is een combinatie van beide. We weten dat het belangrijk was voor de prehistorische mens.'
'Hoe weten we dat?'
'We hebben voorwerpen gevonden die aan de rand van moerassen waren achtergelaten op speciale of heilige plaatsen. Soms ook lijken. Hebt u wel eens van veenlijken gehoord? Van Lindow Man bijvoorbeeld?'
'Vaag,' zegt Nelson behoedzaam.
'Lijken die in veengrond worden begraven blijven vrijwel perfect bewaard en er zijn mensen die denken dat de lijken met opzet in het veen werden begraven. Om de goden gunstig te stemmen.'
Nelson werpt weer een snelle blik op haar maar zegt niets. Ze zijn nu bijna bij de Saltmarsh en rijden over de laaggelegen weg naar het parkeerterrein. De wind heeft vrij spel met de eenzame bordjes die aangeven welke vogels er in het moeras voorkomen. Aan de muur van een dichtgetimmerde eettent hangt een plakkaat met plaatjes van ijsjes waarvan de kleuren zijn verbleekt. Je kunt je nauwelijks voorstellen dat mensen hierheen komen om te picknicken en in het zonnetje ijsjes te eten. Deze plek lijkt voorbestemd te zijn voor wind en regen.
Op het parkeerterrein staat maar één auto, een politiewagen. De inzittende stapt uit als ze ernaartoe rijden en blijft verveeld en verkleumd naast de auto staan.
'Doctor Ruth Galloway,' zegt Nelson kortaf. 'Brigadier Clough van de recherche.'
Brigadier Clough knikt met een somber gezicht. Ruth krijgt de indruk dat hij wel leukere dingen weet te verzinnen dan rondhangen bij een winderig moeras. Nelson daarentegen staat te trappelen van ongeduld, als een renpaard dat op het startschot wacht. Hij gaat voorop over een grindpad met het bordje WANDELPAD. Ze komen langs een houten schuilhut op palen. De hut is leeg, maar op het omringende platform liggen wat verkreukelde chipszakjes en een leeg colablikje.
Nelson wijst zonder zijn pas in te houdennaar het afval en zegt kortaf: 'Meenemen.'
Ruth heeft waardering voor zijn grondigheid, maar vindt dat zijn manieren veel te wensen overlaten. Ze beseft opeens dat politiewerk in veel opzichten lijkt op archeologie. Ze zou zelf ook alles wat ze vond zorgvuldig gelabeld in zakjes laten meenemen. Ze zou zelf ook bereid zijn dagen, weken, maandenb te zoeken in de hoop iets te vinden wat van belang is. Ze is zelf ook, bedenkt ze met een huivering, hoofdzakelijk bezig met dode mensen.
Ruth is buiten adem tegen de tijd dat ze de vindplaats naderen. Het terrein is afgezet met het blauw-witte politielint dat ze kent van verkeersongelukken. Nelson loopt ongeveer tien meter voor haar uit, met zijn handen in zijn zakken en zijn hoofd naar voren gestoken alsof hij de lucht besnuffelt. Cluogh sjokt achter hem aan met het afval van de schuilhut in een plastic zak. Het lint is gespannen rond een ondiep gat hat halfvol staat met modderig water. Ruth duikt onder het lint door en knielt aan de rand van het gat. In de dikke modder zijn menselijke beenderen te zien.
'Hoe hebt u dit gevonden?' vraagt ze.
Clough geeft antwoord. 'Een vrouw was hier met haar hond aan het wandelen. Het beest kwam terug met een van de botten in zijn bek.'
'Hebt u dat bot bewaard?'
'Het ligt op het politiebureau.'
Ruth neemt een foto van de vindplaats en maakt een ruwe schets in haar notitieboekje. Dit is het uiterst westelijke deel van het moeras; ze heeft hier nog nooit gegraven. Het strand waar ze de palencirkel hebben gevonden, is ongeveer drie kilometer verder naar het oosten. Ze gaat op haar hurken zitten en begint omslachtig water uit het gat te scheppen met behulp van een plastic beker uit haar tas. Nelson hipt ongeduldig van zijn ene op zijn andere voet.
'Kunnen we u daar niet mee helpen?' vraagt hij.
'Nee,' zegt Ruth kortaf.
Als er bijna geen water meer in het gat staat begint haar hart sneller te kloppen. Voorzichtig schept ze nog een beker water weg. Dan pas steekt ze haar hand in de modder en ontbloot iets wat plat in de donkere aarde ligt.
'Nou?' Nelson buigt zich ongeduldig over haar heen.
'Het is een skelet,' zegt Ruth aarzelend, 'maar...'
Langzaam steekt ze haar hand uit naar haar troffel. Ze mag geen haast maken. Het zou niet de eerste keer zijn dat een opgraving door één moment van onachtzaamheid volledig wordt verknoeid. Uiterst voorzichtig schept ze wat modder weg terwijl Nelson knarsetandend naast haar staat. Een hand, licht gebald, met een armband van iets wat op gras lijkt, wordt zichtbaar in de geul.
'Allemachtig!' mompelt Nelson achter haar. Ze werkt nu bijna in trance. Ze tekent de vondst aan op haar schets, zet de richting erbij. Vervolgens neemt ze een foto en doet de hand behoedzaam in een diepvrieszakje. Dan graaft ze weer verder.
Ditmaal schraapt ze haar troffel over metaal. Nog steeds langzaam en nauwgezet werkend reikt Ruth in het gat en haalt het voorwerp uit de modder. Het is een halfrond, gedraaid stukje metaal dat in het winterse licht een doffe glans heeft.
'Wat is dat?' Nelsons stem lijkt uit een andere wereld te komen.
'Volgens mij is dit een torque,' zegt Ruth dromerig.
'Wat is een torque?'
'Een halsring. Waarschijnlijk uit de ijzertijd.'
'De ijzertijd? Wanneer was dat?'
'Ongeveer tweeduizend jaar geleden,' zegt Ruth.
Clough begint hartelijk te lachen. Nelson draait zich zonder iets te zeggen om.

Nelson geeft Ruth een lift terug naar de universiteit. Hij kijkt erg teneergeslagen, terwijl Ruth juist bruist van de opwinding. Een lijk uit de ijzertijd; deze lijken moeten wel uit de ijzertijd zijn, de tijd van rituele slachtingen en legendarische schatkisten. Wat wil dit zeggen? De plek is ver van de palencirkel, maar zouden de twee ontdekkingen iets met elkaar te maken hebben? De palencirkel stamt uit de vroege bronstijd, meer dan duizend jaar vóór de ijzertijd. Maar de tweede vondst in dit gebied kan toch geen toeval zijn? Ze zit te popelen om het aan Phil te vertellen. Misschien moeten ze de media erover inlichten; de faculteit kan wel wat publiciteit gebruiken. Opeens zegt Nelson:
'Bent u zeker van het tijdperk?'
'Ik ben redelijk zeker van de torque. Die komt in ieder geval uit de ijzertijd en het lijkt logisch dat het sieraad samen met de persoon is begraven. Maar we kunnen een C14-datering uitvoeren om zekerheid te krijgen.'
'Wat is dat?'
'Carbonium 14 is aanwezig in de admosfeer van de aarde. Planten nemen het op, dieren eten de planten, wij eten de dieren. Zo nemen we allemaal carbonium 14 in ons lichaam op en wanneer we doodgaan, houden we daarmee op en begint het carbonium 14 in onze botten af te breken. Door de hoeveelheid carbonium 14 in een bot te meten, kunnen we vaststellen hoe oud het is.'
'Hoe nauwkeurig is dat te berekenen?'
'Nou, kosmische straling - zonnevlekken, het opvlammen van sterren, atoomproeven, dat soort dingen - kan de bevindingen beïnvloeden, maar de meting is nauwkeurig op een paar honderd jaar. We zullen dus kunnen vaststellen of de beenderen min of meer uit de ijzertijd stammen.'
'Wanneer was dat precies?'
'Dat valt niet precies te zeggen, maar ruwweg van 800 voor Christus tot 45 na Christus.'
Nelson zwijgt een pposje en vraagt dan: 'Waarom zou iemand uit de ijzertijd hier zijn begraven?'
'Als overgave voor de goden. Het lichaam was misschienaan een paal gebonden. Hebt u dat gras rond de pols gezien? Dat kan een soort touw zijn geweest.'
'Jezus. Vastgebonden en voor dood achtergelaten?'
'Misschien. Het kan ook zijn dat de persoon al dood was toen hij of zij hier werd achtergelaten. Dat de paal alleen diende om het lijk op zijn plek te houden.'
'Jezus,' zegt hij weer.
Opeens herinnert Ruth zich waarom ze in deze politiewagen zit met deze man.'Waarom dacht u dat de beenderen misschien recent waren?'
Nelson slaakt een zucht. 'Tien jaar geleden is er een kind spoorloos verdwenen. Hier in deze streek. Haar lijk is nooit gevonden. Ik dacht dat zij het misschien was.
'Zij? Een meisje dus?'
'Ja. Ze heette Lucy Downey.'
Ruth zwijgt. Een naam geeft een persoon altijd meteen gestalte. Daarom hadden de archeologen die de eerste moderne mens ontdekt hadden, haar ook een naam gegeven. En heel toevallig was dat Lucy.
Nelson zucht weer. 'Ik heb brieven ontvangen over Lucy Downey. Wat u daarstraks zei, is nogal frappant.'
'Hoe bedoelt u?' vraagt Ruth verwonderd.
'Dat over rituelen. In die brieven stond allerlei onzin, maar ook dat Lucy was opgeofferd en dat we haar zouden vinden waar de hemel en de aarde samenkomen.'
'Waar de hemel en aarde samenkomen,' herhaalt Ruth. 'Dat kan overal zijn.'
'Ja, maar dit gebied hier, dit voelt een beetje als het eind van de wereld. Daarom dacht ik, toen ik hoorde dat er beenderen waren gevonden...'
'Dat zij het misschien was?'
'Ja. Het is vreselijk voor de ouders wanneer ze in het ongewisse blijven. Maar als het lijk wordt gevonden, kunnen ze rouwen.'
'Weet u dan zeker dat ze dood is?'
Nelson wacht even met zijn antwoord omdat hij bezig is een vrachtwagen aan de verkeerde kant in te halen. 'Ja,' zegt hij dan.
'Als een meisje van vijf in november spoorloos verdwijnt en er na tien jaar nog steeds taal nog teken van haar is gevonden, moet ze wel dood zijn.
'November...'
'Ja. Het is bijna op de kop af tien jaar geleden.'
Ruth denkt aan november, wanneer het vroeg donker wordt en de wind boven de moerassen huilt. Ze beeldt zich in hoe de ouders zitten te wachten, hoe ze bidden dat hun dochter zal terugkomen, hoe ze iedere keer opschrikken van de telefoon, hoe ze iedere dag hopen dat er nieuws zal komen. En dan het langzame sterven van die hoop, de loodzware zekerheid dat ze hun dochtertje nooit meer zullen zien.
'Wonen haar ouders hier nog steeds in de buurt?' vraagt ze.
'Ja, in Fakenham.' Hij geeft een ruk aan het stuur om een vrachtwagen te ontwijken. Ruth sluit haar ogen.
'Overigens zijn het in dergelijke gevallen meestal de ouders die het hebben gedaan,' voegt hij er nog aan toe.
Ruth weet niet wat ze hoort.
'Wat? Ouders die hun eigen kind vermoorden?'

Uitgeverij De Kern



Bezoekersreacties: