Duistere leugens
Hallie Ephron
Door: uitgeverij De Kern op 15 september 2009

Krantenartikel
Dinsdag 4 november

Zwangere vrouw uit Brush Hills vermist
Brush Hills ma. De politie zoekt nog steeds naar aanwijzingen in de zaak van de vermissing van Melinda White, een vrouw van drieëndertig, die afgelopen zaterdag voor het laatst werd gezien.

Gisteren werd een verklaring uitgegeven waarin de zwangere vrouw als ‘kwetsbaar’ werd omschreven. Een misdrijf wordt niet uitgesloten.
 Melinda White, administratief medewerkster bij SoBo Vastgoed, bezocht op zaterdagochtend een rommelmarkt in Brush Hills en is sindsdien niet meer gezien, zo verklaarde de politie. De maandag daarop meldde haar zuster, Ruth White uit Naples in Florida, dat Melinda werd vermist. 'Ze belt me elke dag, en toen ik niets van haar hoorde, wist ik dat er iets niet in orde was, aldus Ruth White. Ze voegde eraan toe dat de naaste familie de onzekerheid ‘naar omstandigheden zo goed mogelijk het hoofd biedt' Brigadier Albert Blanchard van de recherche van Brush Hills maakte bekend dat de politie nog geen verdachten heeft aangehouden. 'We proberen iedereen te spreken die zij kende en die haar op zaterdag nog heeft gezien, maar voorlopig heeft dat geen tips opgeleverd over haar verblijfplaats,’ verklaarde Blanchard. Iedereen die informatie heeft over deze zaak wordt verzocht contact op te nemen met de recherche in Brush Hills.

Hoofdstuk 1
Zaterdag 1 november

Weer of geen weer, had Ivy Rose in de advertentie voor de rommelmarkt gezet. Op de dag zelf hadden ze een metaalgrijze hemel met een vlagerige wind. Toch lieten de bezoekers zich niet ontmoedigen door het karakteristieke, balorige herfstweer van New England.
  David schoof de zaagbok opzij die de oprit blokkeerde en de kopers stroomden toe. Ivy had het gevoel dat hun Victoriaanse ark de invasie onderging als een grote witte walvis die naar de oppervlakte steeg om de vogels de parasieten van zijn rug te laten pikken.
  Drie jaar lang had Ivy haar ogen gesloten voor de stoffige stapels rommel die waren achtergelaten door de oude Paul Vlaskovic, de vorige eigenaar, een broodmagere man die door David werd aangeduid als ‘Dracula’. De rotzooi op zolder en in de kelder had wat Ivy betreft in een parallel universum kunnen bestaan. Maar opeens had ze, net zo hevig en abrupt als een onweersbui in de lente, de onweerstaanbare drang gevoeld zich te bevrijden van alles wat niet van hen was. Weg ermee! En David had het fatsoen – of het instinct tot lijfsbehoud – gehad om die bevlieging niet aan haar hormonen te wijten.
  Ivy voelde de baby stevig schoppen; niet langer het gefladder van een nachtvlindertje in haar buik. Hallo daar, Spruit! Ze legde haar handen op haar buik, die zo hard leek als steen. Met nog maar drie weken te gaan totdat ze zou bevallen of exploderen, zou Ivy nu toch enige valse weeën gevoeld moeten hebben. Braxton Hicks-contracties of voorweeën. Het starten van een motor die nog moest warmlopen.   
  David en zij hadden het stadium bereikt waarin ze zich suf piekerden over een naam voor hun kind, en ze vroeg zich af hoeveel toekomstige ouders de naam Braxton hadden overwogen.
  Levensvatbaar, levensvatbaar. Voortdurend ging dat woord in haar hoofd. Ze was op haar vierentwintigste getrouwd en het had vijf jaar geduurd voordat ze zwanger werd. Drie keer had ze een miskraam gekregen, de laatste keer na twintig weken, toen ze al dacht dat ze opgelucht kon ademhalen.
  David dook naast haar op en sloeg zijn arm om haar voormalige taille. Een dikke, zwangere buik was een wonder, net als een bekroonde reuzenpompoen. Het ziet er veelbelovend uit. Er komen heel wat mensen op af,’ zei hij. Ivy huiverde van genot toen hij haar haar opzijschoof en zachtjes zijn neus tegen haar nek wreef.
  Ze hield van Davids luchtje, dat aan vruchtbare aarde deed denken; van zijn dikke, bruine haar dat alle kanten op stond; en vooral van de manier waarop zijn glimlach zich over zijn hele gezicht verspreidde en rimpeltjes maakte rond zijn ogen. Zijn gebroken neus – opgelopen bij het American football aan de universiteit, nadat hij twee jaar blessurevrij was gebleven als quarterback van zijn schoolteam – gaf zijn lieve gezicht meer karakter.
  Ivy zelf was zo’n type dat mensen ‘interessant’ om te zien noemden: donkere, gevoelige ogen, een iets te lange neus en een wat te gulle mond zonder echt knap te zijn. Meestal besteedde ze niet veel aandacht aan haar uiterlijk. Ze liet zich ’s ochtends uit bed vallen, poetste haar tanden, haalde een kam door haar lange, dikke, kastanjebruine haar en liet het daarbij.
 'Omdat we in zo’n mooi oud huis wonen, denken ze dat we ook mooie oude spullen hebben,’ zei Ivy. David nam een denkbeeldige sigaar uit zijn mond en trok als Groucho Marx zijn wenkbrauwen op naar een paar zwarte telefoons met draaischijven. ‘Ze moesten eens weten...'    
  Ivy zwaaide naar een mede-rommelmarktverslaafde, Ralph met zijn aftandse zwarte Ford pick-uptruck, die zich over een doos met elektrische fittingen boog. Naast hem, in alle drukte, stond Corinne Bindel, hun oude buurvrouw met haar opgekamde kapsel, dat te platinagrijs was en te veel volume had om echt te kunnen zijn. Te oordelen naar de gepijnigde uitdrukking op haar gezicht kon ze zich niet voorstellen waarom iemand een stuiver over zou hebben voor deze rotzooi.

 
‘Als de stofwolken zijn opgetrokken,’ vroeg David, ‘zullen we dan wat babyspullen neerzetten? Wat vind jij?’

 
‘Nog niet,’ zei Ivy, en ze wreef over de kobaltblauwe steen in het handvormige zilveren geluksbedeltje dat aan een kettinkje om haar hals hing. De talisman was nog van haar grootmoeder geweest. Ze wist dat het onnozel bijgeloof was, maar ze wilde alle babyspullen in de logeerkamer laten totdat ze haar kind ter wereld had gebracht en al haar vingertjes en teentjes had geteld en gekust.

 
‘Neem me niet kwalijk,’ zei een vrouw die Ivy aankeek van onder de klep van een Red-Sox-cap. In haar hand hield ze een geelgroen glazen schaaltje in de vorm van een zwaan, daterend uit de depressietijd. Ze had hem opgediept uit een doos met kunstfruit waaraan de muizen hadden geknaagd.

 
‘Vijftien dollar,’ zei Ivy. ‘Hij is nog helemaal gaaf.’

 ‘Ivy?’ De vrouw had kaneelbruine krullen met zilverblonde strepen. Ze keek Ivy een beetje verwonderd aan. ‘Ken je me niet meer?’

 
‘Ik...’ aarzelde Ivy. De ander had inderdaad iets bekends. Ze droeg een katoenen zwangerschapsblouse met een motief van blauwe korenbloemen en gele rudbeckia’s. Haar vingers, waarvan de perfect gevormde nagels roze waren gelakt, lagen op haar eigen buik. Net als Ivy liep ze op alle dagen.

 ‘Mindy White,’ zei de vrouw. ‘Toen nog Melinda.’

 Melinda White... Die naam riep beelden op van een mollig meisje op de basisschool, met pluizig bruin haar, een bril en een bleke huid. Moeilijk te geloven dat dit dezelfde persoon kon zijn.

 ‘Natuurlijk ken ik je nog. Wauw, je ziet er geweldig uit! En gefeliciteerd. Je eerste?’ vroeg Ivy.

Melinda knikte, kwam een stap dichterbij en glimlachte. Haar scheve tanden stonden nu keurig recht. ‘Jouw eerste toch ook?’

Ivy ontweek haar doordringende blik.

 
‘Ik ben uitgerekend op Thanksgiving, eind november,’ zei Melinda. ‘En jij?’

 
‘December,’ antwoordde Ivy. Eigenlijk verwachtte zij ook een Thanksgiving-baby, maar ze had tegen iedereen, zelfs tegen haar beste vriendin Jody, een datum van twee weken later genoemd. Tegen het eind zouden David en zij zich al genoeg zorgen maken over het begin van de weeën en de angst dat er weer iets mis zou gaan.

 
Melinda hield haar hoofd schuin en nam Ivy onderzoekend op. ‘Een gelukkig huwelijk, een baby op komst... jullie mogen wel in je handen knijpen. Ik bedoel, wat zou je nog meer kunnen wensen?’

 
Kinehora, zou oma Fay daarop hebben gezegd, terwijl ze op de grond spuwde om het boze oog af te weren. Ivy wreef nog eens over de amulet die om haar hals hing.
 
Melinda’s blik gleed naar het huis. ‘En natuurlijk dit prachtige negentiende-eeuwse huis. Waarschuw me als je het ooit wilt verkopen. Ik werk bij een makelaar.’ 
‘Verzamel je glaswerk uit de jaren ‘30?’ vroeg Ivy, wijzend op de zwaan.

‘Nee, maar mijn moeder verzamelt zwanen, of liever gezegd, dat deed ze. Ze zou dit zeker hebben meegenomen. Maar dat was voordat...’  
  Melinda tikte met een halfvol flesje mineraalwater tegen haar slaap. ‘Alzheimer. Ze heeft haar huis hier in Brush Hills verkocht en is bij mijn zuster Ruth in Florida ingetrokken. Herinner je je Ruthie nog? Zij verzamelt ook zwanen'.
Ze vuurde haar woorden in salvo’s af en Ivy had een gevoel alsof er een denderende locomotief op haar af kwam toen Melinda een stap naar voren deed en op nog geen armlengte afstand bleef staan.
 
‘Dit zou ideaal voor haar zijn geweest.’ Melinda bewonderde de zwaan.
  ‘Als kerstcadeau, of voor haar verjaardag. Als mijn moeder eindelijk de pijp uit gaat’ – Melinda trok haar grote witte canvastas wat hoger over haar schouder en haalde adem – ‘zal Ruthie de hele verzameling wel inpikken. Jij hebt zeker geen zussen of broers?’

 
Ze wachtte niet op Ivy’s antwoord. ‘Echt, ik herken dit huis niet meer. Vroeger kwam ik hier vaak. We woonden praktisch om de hoek en mijn moeder werkte voor meneer Vlaskovic. Ik herinner me nog dat ik op zolder oude kinderspelletjes deed en drilpuddingpoeder, met kersensmaak, zo uit het pakje at.’ Ze maakte een grimas. ‘Geraffineerde suiker. Dan kun je net zo goed puur gif naar binnen werken. Het idee alleen al! Terwijl we nu zo voorzichtig moeten zijn. We eten immers voor twee. Ben jij van plan om borstvoeding te geven?’

 
‘Ik... eh...’ Die intieme vraag overviel Ivy nogal. Ze keek op haar horloge, in de hoop dat Melinda de hint zou begrijpen.

 
‘Dat is zo veel beter voor de baby,’ vervolgde Melinda onverstoorbaar. ‘O jee, ik lijk wel zo’n advertentie voor die gestoorde La Leche-moeders.’

 
Over Melinda’s schouder zag Ivy dat David in gesprek was met een vrouw die twee koperen blakers in haar hand hield, terwijl vier andere mensen om hem heen stonden met hun armen volgeladen, wachtend op hun beurt. Een jongeman met zwart haar in pieken inspecteerde de overjassen aan de waslijn die ze onder de overkapping hadden gespannen. De jassen, afkomstig uit een hutkoffer in de kelder, wapperden als monsterachtige vleermuisvleugels in de stevige bries.

 
‘Wist je dat?’ vroeg Melinda.

 
‘Sorry?’

 
‘Dat ze maïsstroop in babyvoedsel doen,’ zei Melinda. Ivy herinnerde zich nu haar ogen, klein en fel.

 
‘Dat klinkt niet gezond,’ zei Ivy. Piekhaar paste een van de overjassen. ‘Momentje. Ik zie daar iemand naar de jassen kijken en ik wil hem niet laten ontsnappen.’

 
Ivy liep haastig weg.

 
‘Staat je heel goed,’ zei ze tegen de man. De zwarte wollen jas paste hem inderdaad uitstekend, en de mottenballenlucht zou na een keertje stomen wel verdwenen zijn. ‘Vijftig dollar voor alle vier.’

 
De man bekeek de andere jassen. Ivy dacht dat hij zou afdingen, maar hij pakte zijn portemonnee, trok twee twintigjes en een briefje van tien uit een stapeltje en gaf ze haar. Toen vouwde hij de jassen over zijn arm en vertrok.

 
Yes! Ivy stak een arm op en pompte triomfantelijk met haar vuist. Toen stak ze het geld in de zak van haar schort.

 
‘Zou hij een dealer zijn?’ vroeg Melinda. Ze was Ivy achternagelopen.

 
Diep ademhalen. Met de voetjes van de baby tegen haar middenrif raakte Ivy steeds vaker buiten adem.

 
‘Ik heb dit huis altijd mooi gevonden,’ zei Melinda. ‘Al die open haarden. Geweldig om hier verstoppertje te spelen met zoveel verborgen hoeken en gaten.’ Melinda wachtte. Haar vragende blik voelde als tastende vingers.
Ivy herinnerde zich dat Melinda’s gezicht ooit vlezig en zacht was geweest, alsof er een putje zou achterblijven als je een vinger in haar slappe wang drukte.
 
‘En die prachtige kleuren waarin je het hebt geschilderd,’ ging Melinda verder. ‘Je had daar altijd al oog voor. Ik weet nog dat jij de eerste op school was die Doc Martens droeg.
  Het kostte Ivy steeds meer moeite om te blijven glimlachen. Doc Martens? Ze had die van haar bij Garment District gekocht, op de discountafdeling. Ze lagen nog ergens achter in haar kast. Ze had ze bij de spullen voor de rommelmarkt moeten zetten, naast de overjassen.

  Melinda staarde met een dromerige blik in de verte. ‘En stirrup pants.’

 
‘God,’ zei Ivy. ‘Niet te geloven dat we die ooit gedragen hebben.’

 
Maar Melinda hád ze nooit gedragen. Haar dagelijkse uniform bestond uit vormeloze rokken en te wijde sweaters. Ze at haar lunch altijd in haar eentje, in een hoek van de schoolkantine, en werd door haar moeder naar school gebracht en opgehaald. Dit leek een totaal andere Melinda, met haar gemanicuurde nagels en modieuze kapsel. Slank. Extravert en zelfverzekerd.

 
David kwam naar haar toe. ‘Raad eens! Iemand wil die rode gordijnen kopen,’ zei hij met een blik van: zei ik het niet? ‘Ga jij even onderhandelen?'
 
‘Hallo, David. Dat is lang geleden,’ zei Melinda. Ze zwaaide met haar waterfles door de lucht en keek hem aan vanonder de klep van haar pet.
  
‘Hallo! Hoe is het?’ begroette David haar, zonder een spoor van herkenning.

 
Ivy excuseerde zich. Een kalende man met een brede borst en felle ogen onder een paar woeste grijze wenkbrauwen sneed haar de pas af. ‘Is tien dollar ook genoeg?’ Hij hield een zwarte metalen ventilator omhoog, die ook dienst had kunnen doen als vleessnijder. Ivy vroeg er dertig dollar voor, omdat ze zulke ventilatoren op internet voor vijftig dollar had gezien.

 
‘Vijfentwintig,’ zei ze.

 
De man haalde zijn schouders op en gaf haar het geld.

 
Het begon te motregenen. Ivy keek even naar David. Melinda zei iets tegen hem. Hij deed een stap terug, met een verbijsterde uitdrukking op zijn gezicht. Waarschijnlijk herinnerde hij zich nu weer wie ze was.

 
Ivy keek naar haar hand, waarin ze vijfentwintig dollar hield. O, ja, voor de ventilator. Ze borg de briefjes in haar zak.

 
Waar ging ze ook alweer heen? Ze was het helemaal kwijt. Alweer.

 
Ergens had ze gelezen dat vrouwen die van een meisje moesten bevallen vaker problemen hadden met hun kortetermijngeheugen tijdens de zwangerschap. Blijkbaar had het iets te maken met het progesteronpeil. Als dat zo was, dan kreeg ze zeker een meisje. De laatste tijd mailde ze zichzelf waarschuwingen om haar lijstje door te lezen met dingen die ze nog moest doen. Een week geleden was ze zelfs haar tandenborstel kwijt.
 
De overjassen waren weg. Hun buurvrouw, mevrouw Bindel, stond hun exemplaar van de Boston Globe te lezen, dat niet te koop was. David praatte nog met Melinda en leek net zo in het nauw gedreven als Ivy daarnet. Een vrouw sloeg een van de dikke roodzijden gordijnen uit die...
 
Dat was het! Nu wist ze weer waarnaar ze onderweg was. Terwijl ze David nog had uitgelachen toen hij volhield dat er best een koper te vinden was voor zes stel gordijnen met franje, die de benedenverdieping de sfeer van een bordeel of een Italiaanse restaurant hadden gegeven.

  Ze liep naar de vrouw, die een ring met een edelsteen droeg, zo groot als een abrikozenpit. ‘Hier hopen we vijfenzeventig dollar voor te krijgen.’ Je kon het altijd proberen.

 
‘Ik weet het niet.’ De vrouw tuitte haar lippen, wreef het roodzijden brokaat tussen duim en wijsvinger, hield de franje bij haar neus en snoof.

 
Ivy balde haar vuisten en drukte ze tegen haar pijnlijke onderrug. ‘Maar veertig is ook goed. Eentje is wat verschoten.’

 
De vrouw zei niets, maar keek nog eens pruilend naar de stof.

 
Iemand tikte haar weer op de schouder. ‘Ivy?’ Melinda hield haar vingers om de slanke nek van de glazen zwaan geklemd.

 
‘Neem maar mee. Als cadeautje,’ zei Ivy. De woorden waren vriendelijk, maar ze klonken bits.

 
Melinda knipperde niet eens met haar ogen. Ze borg het zwanenschaaltje in haar canvastas.
 
Ivy maakte een plekje op het trapje naar de zijdeur vrij en ging zitten. Ze had het zuur, haar sinaasappelsap van die ochtend kwam naar boven, ze moest plassen en haar enkels voelden als overrijpe worstjes die elk moment uit elkaar konden spatten.
 
Gelukkig zag ze David aankomen.

 
‘Heb jij Theo gezien?’ vroeg hij bezorgd. ‘Ik had hem een van die overjassen beloofd.’

 
‘Had me dan gezegd dat ik er een voor hem apart moest houden. Is hij hier geweest?’

 
‘Net lang genoeg om een verkiezingsbord af te geven dat we in de voortuin moeten zetten.
 
‘Sorry. Ik heb ze allemaal verkocht...’ Ivy sloot haar ogen toen ze kramp in haar buik kreeg.
 
David hurkte naast haar. ‘Gaat het?’ vroeg hij zacht.
 
Ivy onderdrukte een boer. ‘Ik ben alleen moe.’
 
David trok een kartonnen doos met National Geographics uit de jaren zestig naar zich toe en legde haar voeten erop.
  ‘Er is iemand die boeken zoekt,’ zei hij weer op conversatietoon. ‘Was er niet een doos die we nog niet buiten hebben gezet?’
 
‘Dan moet hij nog op zolder staan.’

 
David stond op om terug te lopen. Toen aarzelde hij en keek over zijn schouder. ‘Hé, Mindy... wilde je nog binnen kijken?’

 
Mindy?

 ‘Mag dat?’ Melinda draaide zich haastig om. Haar buik botste tegen een kaarttafeltje, en een grote spiegel die tegen de tafelpoot stond geleund begon gevaarlijk te wankelen. ‘O, jee!’ riep ze.
 
Ivy stak een hand uit en ving de spiegel op voordat hij tegen de grond kletterde.
 
‘Wat stom. Neem me niet kwalijk.’ Melinda was wit weggetrokken. Ze beet op haar lip en kneep haar gezicht samen. ‘Ik bedoel, als die...’

  ‘Er is niets gebeurd,’ zei Ivy. ‘Maak je geen zorgen.’

 
‘Weet je het zeker?’

 
‘Kijk maar.’ Ivy zette de spiegel weer overeind. ‘Hij is nog heel.’

 
‘Goddank,’ fluisterde Melinda.

 
‘Heus, het was geen ramp geweest.’

 
‘Geen ramp...?’ Melinda bleef bij Ivy staan en keek haar doordringend aan terwijl ze een hand op haar eigen buik legde en de andere op die van Ivy. Door haar sweatshirt heen voelde Ivy de druk van Melinda’s handpalm en die lange, roze nagels tegen haar strakke huid. ‘Dat geloof je toch zelf niet? We hebben niet nog meer pech nodig.’

 
Ivy’s mond viel open.

 
Melinda richtte zich op en draaide zich om naar David. ‘Dus jullie hebben dat leren reliëfbehang in de hal gehouden? En dat mooie beeld onder aan de trap?’

 
‘Kijk zelf maar,’ zei David. ‘Kom, dan zal ik je een rondleiding geven.
  Melinda wrong zich langs Ivy heen en liep de treden naar het huis op. David rolde met zijn ogen en volgde haar.
 
Ivy wreef over haar buik om de herinnering aan Melinda’s handafdruk kwijt te raken.
 
‘Hé,’ zei Melinda vanuit de deuropening.
 
Ivy draaide zich om.

  Van een afstandje mimede Melinda de woorden: ‘Tot gauw.’ Toen draaide ze zich om en verdween naar binnen. De hordeur sloeg achter haar dicht.

 
Alsjeblieft niet, dacht Ivy.

uitgeverij De Kern



Bezoekersreacties: