Rot
Mo Hayder
Door: Uitgeverij Luitingh op 9 september 2011

1.
Dat was op een voorjaarsmiddag aan het begin van mei geweest, de tijd van het jaar waarin de avonden langer werden en de primula’s en tulpen onder de bomen er rafelig en haveloos bij stonden.
De voortekenen van warmer weer hadden iedereen optimistisch gestemd, en Sally was voor het eerst in maanden bij Isabelle gaan lunchen. De zon stond hoog aan de hemel en de kinderen waren in de tuin, terwijl de twee vrouwen in de keuken een fles wijn opentrokken.

De ramen stonden open, de katoenen gordijnen bewogen licht in het briesje en Sally keek vanaf haar plek aan tafel naar de tieners. Ze kenden elkaar al sinds ze baby’s waren, maar Millie vond het pas het laatste jaar leuk om mee te gaan naar Isabelle. En nu vormden ze een hecht vriendengroepje, twee meisjes en twee jongens, die twee jaar scheelden in leeftijd, maar op dezelfde privéschool zaten, Kingsmead. Sophie, die met haar vijftien jaar Isabelles jongste was, stond op haar handen en haar donkere krulletjes wipten alle kanten op. Millie, even oud als zij maar een kop kleiner, hield haar benen vast. De meisjes droegen allebei een spijkerbroek en een haltertop, maar Millies kleren waren versleten en vaal vergeleken bij die van Sophie.
   ‘Daar zal ik iets aan moeten doen,’ peinsde Sally. ‘Haar schooluniform valt ook uit elkaar. Ik ben naar de directrice geweest om te kijken of ik een tweedehands uniform kon krijgen, maar ze had niets meer in Millies maat. Het schijnt dat alle ouders van Kingsmead tegenwoordig tweedehands spullen willen hebben.’
   ‘Het zijn voor iedereen moeilijke tijden,’ zei Isabelle. Ze was strooptaart aan het maken en deed de knikkers die ze in een pot op de koelkast bewaarde als blinde vulling op het deeg. De stroop en de boter stonden te borrelen in een pan en er hing een zware, nootachtige geur in de keuken. ‘Ik heb Sophies spullen altijd aan de directrice gegeven.’ Ze liet de knikkers op het deeg vallen en zette de taartvorm in de oven. ‘Maar van nu af aan zal ik ze voor Millie bewaren. Sophie heeft een maat groter dan zij.’
   Ze veegde haar met bloem bedekte handen af aan haar schort en  bleef even naar haar vriendin staan kijken. Sally wist wat ze dacht; dat Sally bleek zag en rimpels in haar gezicht kreeg, en dat haar haar niet schoon was. Ze zag de roze schort van het schoonmaakbedrijf HomeMaids, die Sally over haar verbleekte spijkerbroek droeg, en had waarschijnlijk medelijden met haar. Het kon Sally niet schelen. Ze  begon eindelijk een beetje te wennen aan het medelijden van andere mensen. Vanwege de scheiding, uiteraard. De scheiding en Julians nieuwe vrouw en baby.
   ‘Ik wou dat ik iets kon doen om je te helpen.’
   ‘Je helpt me al, Isabelle.’ Ze glimlachte. ‘Jij praat tenminste nog tegen me. Dat kan ik van sommige andere moeders van Kingsmea niet zeggen.’
   ‘Is het zo erg? Nog steeds?’
   Erger, dacht ze. Maar ze glimlachte. ‘Het komt wel goed.’
   ‘Echt?’
   ‘Echt. Ik heb met de bankdirecteur gesproken en er is met al mijn leningen geschoven, zodat ik niet zoveel rente hoef te betalen.
En ik krijg meer uren van het bedrijf.’
   ‘Ik weet niet hoe je het doet, dat werk.’
   Sally haalde haar schouders op. ‘Andere mensen doen het ook.’
   ‘Ja, maar andere mensen zijn het gewend.’
   Ze keek Isabelle na toen die naar het fornuis liep en in de stroop roerde. Er stonden open zakken meel en havervlokken op het aanrecht. Op elk ingrediënt stonden namen van A-merken of ‘exclusief’. In het huisje van Sally en Millie stond op alle verpakkingen
Lidl of ‘extra voordelig’ en de koelkast lag vol met de slappe, draderige groenten die ze in de achtertuin probeerde te kweken – dat was een financiële les die Sally snel geleerd had: het kweken van groenten was een hobby voor rijke mensen die niets te doen hadden. Het was veel goedkoper om ze in de supermarkt te kopen. Ze beet op haar duimnagel en zag hoe Isabelle zich voor de keuken bewoog, haar vertrouwde, stevige rug in de verstandige, modderkleurige korte broek en blouse. Haar schort met toefjes bloemen erop. Ze waren al jaren bevriend en zij was degene die Sally het meest vertrouwde en de eerste die ze om raad zou vragen. Toch geneerde ze zich een beetje voor wat ze haar wilde voorleggen.
   Maar uiteindelijk ging ze toch haar tas pakken en haalde er een blauwe map uit. Het was een versleten geval, dichtgehouden met een elastiekje. Ze nam hem mee naar de tafel, legde hem naast de wijnglazen, trok het elastiek eraf en haalde de inhoud eruit. Met de handgeschilderde kaarten, versierd met kralen, linten en veren, met een laklaag eroverheen. Ze legde ze op de tafel en bleef er onzeker bij zitten, klaar om ze weer bijeen te rapen  en terug in de tas te duwen.
   ‘Sally?’ Isabelle tilde de pan van het vuur en kwam al roeren naar haar toe om te kijken. ‘Heb jij deze gemaakt? Nee toch?’ Ze keek naar de bovenste kaart. Er stond een vrouw op met een violette, met sterren bezaaide sjaal, die ze voor haar gezicht had getrokken, zodat alleen haar ogen zichtbaar waren. ‘God, wat mooi.
Wat zijn het voor kaarten?’
   ‘Tarotkaarten.’
   ‘Tarot? Je gaat toch niet onze toekomst voorspellen, hè? Of andere zweverige dingen doen?’
   ‘Natuurlijk niet.’
   Isabelle zette de pan neer en pakte de tweede kaart. Er stond een lange vrouw op die met gestrekte arm een grote, transparante ster vasthield. Ze leek door de ster naar de wolken en de zon te kijken. Haar lange, verwarde donkere haar met grijze strepen hing over haar rug. Isabelle glimlachte verlegen. ‘Dat ben ik toch niet?’
   ‘Jawel.’
   ‘Echt, Sally, je bent een beetje te flatteus geweest met mijn borsten, als je het niet erg vindt dat ik het zeg.’
   ‘Als je ze allemaal bekijkt, zul je veel bekende gezichten tegenkomen.’
   Isabelle ging het pak kaarten door en stopte af en toe als ze iemand herkende. ‘Sophie! En Millie ook. Je hebt ons allemaal geschilderd, ook de kinderen. Ze zijn práchtig.’
   ‘Ik vroeg me af of ik ze zou kunnen verkopen,’ zei Sally aarzelend. ‘Misschien aan die hippiewinkel op Northumberland Place.
Wat denk jij?’
   Isabelle draaide zich om en keek haar vreemd aan. Half verbaasd en half geamuseerd, alsof ze niet goed wist of Sally een  grapje maakte of niet.
   Sally wist meteen dat ze een fout had gemaakt en begon de kaarten haastig bij elkaar te rapen, terwijl er een verlegen blos vanuit haar hals omhoogkroop.‘Nee, ik bedoel, natuurlijk zijn ze niet goed genoeg. Dat wist ik wel.’
   ‘Nee. Doe ze niet weg. Ze zijn fantastisch. Echt fantastisch. Het is alleen... Denk je echt dat je er genoeg voor zou krijgen om je te helpen met... je weet wel, met de schulden?’
   Sally keek neer op de kaarten. Haar gezicht was vuurrood. Ze had niets moeten zeggen. Isabelle had gelijk, ze zou er bijna niets aan verdienen als ze de kaarten verkocht. In ieder geval niet genoeg om een stukje van haar schulden te kunnen aflossen.
Stom. Dat was ze, stom.
   ‘Maar niet omdat ze niet goed zijn, Sally. Ze zijn schitterend!
Echt, ze zijn ontzettend mooi. Kijk deze eens!’ Isabelle hield een afbeelding van Millie omhoog. Gekke Millie, altijd kleiner dan de anderen, die in niets op Sally leek en met haar ongelijke pony en wilde bos rood haar net een Nepalees straatkind was. Haar ogen waren wild en groot als van een dier, net als die van haar tante Zoë.
‘Dit is gewoon fantastisch, het lijkt precies. En deze van Sophie, die is prachtig. Prachtig! En Nial, en Peter!’ Nial was Isabelles verlegen zoon, haar oudste kind, en Peter Cyrus was zijn knappe vriend, de gangmaker en de lieveling van alle meisjes. ‘En Lorne, moet je haar toch eens kijken, en nog een van Millie. En nog een van Sophie, en hier ben ik weer. En...’ Ze zweeg opeens toen ze de volgende kaart bekeek. ‘O,’ zei ze huiverend. ‘O.’
   ‘Wat is er?’
   ‘Ik weet het niet. Er is iets mis met de verf op deze kaart.’

   Sally trok hem naar zich toe. Het was de Staven Koningin in een golvende rode jurk, die met moeite een tijger vasthield  die aan zijn riem trok. Millie had ook hier model voor gestaan, alleen was er op deze kaart iets gebeurd met haar gezicht. Sally liet haar vinger eroverheen gaan en drukte erop. Misschien was de acrylverf gebarsten of om een of andere reden verbleekt, want hoewel het lichaam, de kleren en de achtergrond precies zo waren als ze ze geschilderd had, was het gezicht vervaagd. Als in een schilderij van Francis Bacon of Lucian Freud. Een van die angstaanjagende beelden die door de huid van het onderwerp leken te zien, tot op het bot.
   ‘Bah,’ zei Isabelle. ‘Gadsie. Ik ben blij dat ik niet in die dingen geloof. Anders zou ik me nu echt zorgen gaan maken. Alsof het een waarschuwing was of zoiets.’
   Sally gaf geen antwoord. Ze staarde naar het gezicht. Het was alsof Millies trekken door een geheimzinnige hand door elkaar waren geroerd.
   ‘Sally? Jij gelooft toch ook niet in zulke dingen?’
   Sally duwde de kaart onder op de stapel. Ze keek op en knipperde met haar ogen. ‘Natuurlijk niet. Doe niet zo dom.’
   Isabelle schoof haar stoel naar achteren en nam de pan mee naar het fornuis. Sally maakt een slordige stapel van de kaarten, duwde ze in haar tas en nam haastig een slokje wijn. Ze had het liefst het hele glas in één keer leeggedronken om de onbehaaglijke knoop kwijt te raken die net in haar maag was ontstaan. Ze zou graag een beetje aangeschoten zijn geraakt en met Isabelle in de zon op de ligstoelen zijn gaan zitten, zoals ze vroeger altijd deden, in de tijd dat ze nog een man had en met haar tijd kon doen wat ze wilde.
Ze had niet beseft hoeveel geluk ze toen had. Nu kon ze niet in de zon wijn gaan zitten drinken, zelfs niet op zondag. Ze kon zich de goede wijn die Isabelle dronk niet veroorloven. En na de lunch moest ze aan het werk in plaats van in de tuin te kunnen gaan zitten. Misschien was het niet meer dan ze verdiende, dacht ze terwijl ze vermoeid over haar nek wreef.
   ‘Mam? Mám!’
    Beide vrouwen draaiden zich om. Millie stond in de deuropening, buiten adem en met een rood gezicht. Haar spijkerbroek zat vol grasvlekken en ze hield haar telefoon naar hen toegedraaid.
   ‘Millie?’ Sally ging rechtop zitten. ‘Wat is er?’
   ‘Mogen we uw computer aanzetten, mevrouw Sweetman? Ze zijn er allemaal over aan het twitteren. Het gaat om Lorne. Ze wordt vermist.’

2  
                             
Op het politiebureau, net drie kilometer verderop in het centrum van Bath, werd nergens anders meer over gepraat dan over Lorne Wood. De zestienjarige leerlinge van Faulkener’s, een plaatselijke privéschool, was heel populair en volgens haar ouders redelijk betrouwbaar. Sally’s zus, inspecteur Zoë Benedict, had er van het begin af aan geen moment in geloofd dat Lorne nog leven tevoorschijn zou komen. Misschien lag dat aan Zoë zelf, die veel te nuchter was, maar toen een van de zoekteams die het struikgewas aan het Kennet and Avon-kanaal afzocht om twee uur die middag een lichaam vond, was ze helemaal niet verbaasd.
   ‘Niet dat ik ooit zou zeuren dat ik het wel gezegd had,’ mompelde ze tegen inspecteur Ben Parris toen ze over het jaagpad liepen. Haar handen zaten diep in de zakken van de zwarte spijkerbroek die ze als hogere beambte met de plicht het imago van de politie hoog te houden volgens de hoofdinspecteur niet mocht dragen. ‘Dat zul je mij nooit horen zeggen.’
   ‘Natuurlijk niet.’ Hij wendde zijn blik niet af van het groepje mensen dat even verderop stond. ‘Dat ligt niet in je aard.’
   De vindplaats was al afgezet en op het pad stonden draagbare schermen. Voor de schermen hingen tien of twaalf mensen rond, voor het merendeel eigenaren van de woonboten, maar ook al iemand van de pers in zwarte regenkleding. Toen de twee inspecteurs zich met geheven identiteitskaart een weg tussen hen door baanden, hief hij zijn Nikon en drukte een paar keer af. Het was het bewijs dat het nieuws sneller de ronde deed dan de politie kon bijhouden, dacht Zoë.
   Er was een stuk grond van bijna tweeduizend vierkante meter afgezet, zodat het publiek niets kon zien. Het pad bestond uit los, kalkachtig grind met aan de ene kant het riet van het kanaal en aan de andere een dichte begroeiing van fluitenkruid, brandnetels en gras. De agenten hadden een gedeelte van ongeveer vijftig meter vrijgelaten tussen de schermen en de binnenste afzetting, die bestond uit politielint. Dertig meter daarachter, waar het struikgewas een natuurlijke tunnel had gevormd, stond een witte tent.
   Zoë en Ben deden witte overalls aan, met de capuchons strak om hun hoofd, en trokken handschoenen aan. Toen doken ze de tent in. Onder het tentdoek was het warm, er hing een zware geur van geplet gras en aarde en overal lagen lichtgewicht aluminium loopplaten.
   ‘Ze is het inderdaad.’ De leider plaats delict stond nog geen halve meter van de ingang aantekeningen te maken op een klembord. Hij keek niet op. ‘Zonder enige twijfel. Lorne Wood.’
   Achter hem, aan het eind van een looppad, liep een fotograaf om een modderig stuk zeil heen om video-opnames te maken.
   ‘Precies zulke zeilen worden op de woonboten gebruikt om het brandhout af te dekken. Maar niemand in dit deel van het kanaal mist er een. De dader heeft het over haar heen gelegd. Als je haar zo ziet liggen, zou je denken dat ze in bed lag.’
   Hij had gelijk. Lorne lag op haar rug alsof ze sliep, met één arm boven op het zeil, dat als een dekbed tot haar borst was opgetrokken. Haar hoofd was opzij gezakt, afgekeerd van de ingang van de tent. Zoë kon het gezicht niet zien, maar wel het t-shirt. Grijs met de woorden ‘I am Banksy’ over de borst. Het t-shirt dat Lorne gisteren had gedragen toen ze van huis ging. ‘Hoe laat is ze als vermist opgegeven?’
   ‘Om acht uur,’ zei  Ben. ‘Ze had onderweg naar huis moeten zijn.’

Uitgeverij Luitingh



Bezoekersreacties: