Zondvloed
Chelsea Cain
Door: Uitgeverij Luitingh op 18 mei 2011

In juni verschijnt het boek Zondvloed van Chelsea Cain. Lees nu vast de preview en bestel het boek direct bij Bol.com!

PROLOOG 
Memorial Day 1948

Floyd Wright stormde Williams’ kantoor in, rood aangelopen, buiten adem en met stoffige kleren van de lorrie.
‘Het ziet er slecht uit,’ zei Floyd.
Williams, die achter zijn bureau zat, stond op. Het nieuws bracht hem niet uit zijn evenwicht. Om directeur van de Portland Union Stockyards te worden, moest je stalen zenuwen hebben. Hij wist dat het kon gebeuren. Daarom had hij Floyd ook op verkenning uitgestuurd. In gedachten berekende hij de verliezen al en zocht hij andere routes om het vee te vervoeren. Ook al was er een paar dagen geen treinverkeer mogelijk, ze konden de slagers nog van vlees voorzien.
Williams’ secretaresse haastte zich achter Floyd aan het kantoor in, maar Williams wilde niet door haar gestoord worden. Hij gebaarde dat ze moest wachten en ze bleef op een paar passen van de deur staan.
‘Hoe erg is het?’ vroeg Williams aan Floyd.
Floyd zette zijn pet af en hield hem in zijn handen. ‘Het is aan de westkant,’ zei hij. ‘Compleet weggeslagen. Over minstens vijftien meter.’
Vijftien meter? Ze hadden verwacht dat er een paar lekken in de dijk zouden springen. Die konden gerepareerd worden. Een bres van vijftien meter was een heel ander geval. Daar hadden ze geen rekening mee gehouden.
‘O, mijn hemel,’ zei de secretaresse.
Ze stond met een hand tegen haar mond gedrukt door het raam te kijken.
Williams had vaak genoeg door dat raam naar de aankomende veewagons gekeken om precies te weten wat ze zag.
Hij stapte om zijn bureau heen, ging naast haar staan en wenkte Floyd. Het was een heldere, zonnige dag, 24 graden. Er was geen wolkje aan de lucht. Williams’ kantoor was op de bovenste verdieping. Voorbij de veertig hectare met houten kralen waarin vee op de slacht wachtte, hadden ze een goed uitzicht op Vanport en de spoorlijn die de stad in het oosten begrensde. Zesenzeventig appartementencomplexen van twee woonlagen stonden in groepen van vier rond faciliteiten als een bioscoop en een basisschool.
De spoordijk zorgde ervoor dat Smith Lake het lagergelegen Vanport niet kon overstromen. De breuk was zelfs vanuit het raam zichtbaar. Waar grind en aarde waren bezweken onder de druk van het meer, gutste bruin water over het spoor naar de stad beneden.
Vanport zou onder water komen te staan, en snel ook. Williams voelde zijn maag verkrampen. De veeoverslag lag hoger dan de stad. Het water zou de runderen en gebouwen niet bereiken, maar die mensen in Vanport... Al die mensen.
‘Bel het stadhuis,’ blafte Williams naar zijn secretaresse.
‘Zeg dat er bij de noordwestelijke hoek van de stad een gat van vijftien meter in de spoordijk is geslagen.’
Het meisje aarzelde. Ze keek verwilderd uit haar ogen.
‘Nú,’ zei Williams.
‘Ja meneer,’ zei ze. Ze draaide zich om en holde naar haar bureau in het voorkantoor.
Er woonden vijftienduizend mensen in Vanport. Werkende mensen. Gezinnen. Veel minder dan er tijdens de oorlog hadden gewoond. De appartementen waren goedkoop, maar de muren waren van karton en ’s nachts was er geen warm water of verwarming.
‘Ze hebben geen telefoon,’ zei Floyd. ‘Een beslissing van het bedrijf.’
Terwijl de minuten verstreken, wachtten de beide mannen zwijgend op het loeien van de alarmsirene. Williams hoorde niets. Hij schoof het raam omhoog. De geur van vee en hooi drong het kantoor binnen. Hij hoorde het geloei van de koeien en hoefgetrappel op de kale, platgestampte grond, maar nog steeds geen sirene.
Het was 16.35 uur.
Zijn secretaresse kwam terug.
‘En?’ zei Williams.
‘Ik heb het doorgegeven,’ zei ze.
Er gingen nog een paar minuten voorbij. Williams werd ziedend. Hij pakte de verrekijker die hij altijd in de vensterbank had liggen en keek ermee naar buiten. De bres was wel vier keer zo breed geworden. Het water van Smith Lake stroomde als een glanzende bruine waterval door de dijk. Er stond zoveel druk op dat Williams zag hoe het zich verspreidde en een nieuw meer vormde dat met de seconde groter werd. Het oprukkende modderwater weerspiegelde het kalme blauw van de lucht, bedrieglijk sereen. Hij volgde het water naar het westen met zijn verrekijker, richting Vanport. Een jongen reed met zijn fiets door North Portland Road, waar het water al een halve meter hoog stond. Een auto reed door Victory Avenue. Een stelletje liep door een park.
‘Waar wachten ze nog op?’ vroeg Floyd.
Het was een verdomd goeie vraag.
Williams legde de verrekijker neer, pakte de telefoon van zijn bureau en prutste eraan met een hand die glibberde van het zweet – maar hij belde nooit, dat deed zijn secretaresse. Hij keek haar hulpeloos aan en ze liep om zijn bureau heen, nam de hoorn van hem over, draaide het nummer en gaf hem de hoorn terug.
‘Hallo?’ zei een mannenstem.
‘In godsnaam,’ schreeuwde Williams, ‘waarschuw die mensen.’
Een paar minuten daarna begonnen de sirenes eindelijk te loeien.
Williams keek op zijn horloge. Het was 16.47 uur.
De hele spoordijk was nu bezweken, en het meer stroomde er ongehinderd overheen. De rails, doormidden geknapt door het golvende water, leken in de lucht te zweven nu de grond eronder was weggeslagen.
De secretaresse begon stilletjes te huilen. Williams wilde iets tegen haar zeggen, maar hij wist niet wat. Floyd kuchte. Niemand zei iets. Ze stonden woordeloos met zijn drieën bij het raam terwijl het water rees. De verrekijker lag in de vensterbank. Williams wilde niet kijken.

1
Het park was officieel gesloten, maar Laura wist een gat in de afrastering te vinden. Ze had de Australische herders erdoor gelaten en was zelf over het hek geklommen. Het leek wel een vijver. Er was ’s winters geen plek in Portland, Oregon te vinden waar het zo modderig was als in West Delta Dog Park, en dat wilde wat zeggen.
De honden renden voor haar uit het stilstaande water in, dat achter ze opspatte. Hun vacht zat nu al onder de modder en dood gras. Af en toe keken ze naar haar om. Hun warme adem condenseerde in de winterlucht.
Laura veegde langs haar neus. Het was een verschrikkelijke dag om naar buiten te gaan. Haar regenbroek was druipnat en haar hardloopschoenen waren doorweekt. Ze had in de vroege ochtend met zandzakken gesleept en pijn in haar rug gekregen. De stressfractuur in haar voet stak. Zes weken niet belasten, hadden de artsen gezegd. Ja, vast.
Het wolkendek hing zo laag dat de boomkruinen erlangs leken te strijken.
Ze vond het heerlijk.
Noodweer, een pijnlijk lichaam, niets kon haar binnenhouden. Fietsen. Hardlopen. De honden uitlaten. Ze ging elke dag naar buiten, wat er ook gebeurde. Niet zoals al die aanstellers die alleen in de zomer tevoorschijn kwamen in hun zonwerende sporthemdjes om met hun iPods en met zwaaiende ellebogen over de promenade te rennen. Waar waren die hartje winter? In de sportschool, dáár waren ze.
God, wat had Laura de pest aan die mensen.
Franklin keek naar haar om, kwispelde met zijn stompe staart, blafte een keer, legde zijn oren in zijn nek en rende over de oude weg naar de rivier. Het was hun vaste route.
Penny, de puppy, bleef dichter bij Laura: ze rende steeds een paar meter vooruit en kwam dan weer terug.
Toen hoorde Laura het. Ze had het de hele tijd al gehoord, maar het was naar de achtergrond geraakt als witte ruis, een omgevingsgeluid, zoals een overkomende straaljager.
De Columbia Slough.
Ze wist dat het water hoog zou staan. Er waren ladingen sneeuw gevallen in december. Toen was het gaan dooien en regenen, wat betekende dat er gesmolten sneeuw van de bergen kwam. Véél sneeuw. De riolen stonden vol. De Willam - ette stond op overstromen. Het stadsnieuws stond er dag en nacht bol van; ze overwogen het centrum van Oregon te evacueren. Maar dat was de Willamette. Kilometers ver weg.
Toen Laura de bocht nam, langs de bomen, waar het oude betonnen paviljoen langzaam in de modderige oever wegzakte, merkte ze dat haar mond open zakte.
In de zomer was de rivier stil en vlak onder een algendeken die dik genoeg leek om erop te lopen. Die rivier was zo stil en heet dat het Laura verbaasde dat er iets in kon overleven. Die rivier leek op een emmer water die de hele zomer op de achterveranda had gestaan.
Deze rivier was springlevend. Ze stroomde als een boos, bang wezen, razend, snel en hoog. Wildwater joeg langs de oever en sleurde brokstukken mee stroomafwaarts. Laura zag een tak die werd meegetrokken en meteen door het ziedende schuim werd verzwolgen.
Franklin besnuffelde het oude paviljoen aan de waterkant, jankte en keek haar aan.
Ze sloeg op haar dij en riep hem. ‘Kom mee, weg hier,’ zei ze.
Hij draaide zich om. Hij kwam uit het asiel. Haar man had hem op internet gevonden. Hij had in een schuur in Idaho gezeten, met weinig eten en zonder menselijk contact. Ze hadden jaren nodig gehad om hem zijn vertrouwen in de mensheid terug te geven. Het maakte Laura trots dat hij zo’n brave hond was geworden.
Ondanks het tumult van de rivier had hij haar gehoord. Hij had zich naar haar omgedraaid.
En toen gebeurde het.
Gleed hij uit? Rees de rivier plotseling op om hem te grijpen? Ze wist het niet.
Hij keek haar recht aan en het volgende moment was hij weg.
Ze bleef heel even als verlamd staan voordat ze in actie kwam.
Ze liet haar hond niet doodgaan. Niet op die manier. Ze rende. Ze dacht niet aan haar stressfractuur. Haar zere rug. De razende rivier. Ze rende naar de oever en tuurde zoekend naar Franklin het water af, op de hielen gezeten door een keffende Penny.
Haar hart sprong op: ze zag hem. In een flits – een natte hoop vacht, worstelend in het schuim. Hij werd al meegesleurd, maar hij leefde nog en hield zijn zwarte neus vlak boven het water.
Ze kon een paar dingen doen.
Als Franklin haar niet in de ogen had gekeken toen het gebeurde, had ze misschien andere dingen overwogen. Ze had om hulp kunnen roepen, of langs de oever kunnen mee rennen, of een stuk touw om haar middel kunnen binden. Ze wist hoe het afliep met mensen die achter hun huisdieren aan het water in doken.
Die verdronken.
Maar Laura had iets in Franklins bruine ogen gezien. Hij had haar recht aangekeken.
‘Blijf,’ zei ze tegen Penny.
En ze sprong het koude water in, achter Franklin aan. Het eerste waarvan Laura zich in het smerige, kolkende modderwater bewust werd, was dat ze geen lucht kreeg. Ze was ooit door een auto van haar fiets gereden. Zo’n gevoel was het. Alsof alle lucht uit je longen werd geperst door een harde klap van staal en beton. Ze dwong zichzelf diep adem te halen, haar longen helemaal te vullen, en probeerde zich te oriënteren. Haar hoofd was boven water, haar natte vlecht plakte in haar hals. Ze was al omgedraaid en bevond zich een meter of drie, vijf, zes bij Penny vandaan. De rivier brulde genadeloos door. Takken en twijgen sloegen stekend in haar gezicht. Penny stond blaffend en in de grond krabbend aan de oever. Toen kon Laura haar niet meer horen.
Waar was Franklin?
Laura keek naar hem uit, maar zag alleen bruin water. Ze was nu vijftien meter bij Penny vandaan. Twintig. Ze zag niets meer. Ze kon de oever niet meer zien. Alleen de lucht boven haar, de donkere wolken.
Drijven.
Overleven in koud water. Als je zwemt, verlies je warmte. Gewoon drijven.
Ze haalde diep adem, hief haar handen, die al gevoelloos waren en vreemd, alsof ze niet bij haar hoorden, spreidde haar armen en ging op haar rug liggen, overgeleverd aan de stroming.
De stroming had Franklin meegenomen.
De stroming zou haar naar hem toe brengen.
Het koude water vulde haar oren. Het deed pijn. Ze klappertandde onhoorbaar in het bulderen van de rivier. Haar natte, zware kleren trokken haar naar beneden.
Toen hoorde ze hem.
Laura rolde zich om en vocht zich met haar laatste restje kracht door de stroom naar het gejank. Daar was hij, tegen de wortels van een omgevallen boom aan geduwd, gevangen door het water. Toen hij haar zag, spitste hij zijn oren en maakte hij vergeefse peddelbewegingen haar kant op.
Ze bereikte hem.
Ze wist niet hoe.
Ze was bij hem en sloeg haar armen om zijn nek. Hij had zich kunnen verzetten. Dat deden dieren soms. Ze raakten in paniek. Maar hij niet. Hij maakte zich slap. Hij maakte zich slap in haar armen, en ze kon zich aan de boomwortels vastklampen en haar hakken in het slik op de bodem van de rivier zetten en zich zo voetje voor voetje naar de modderige oever werken.
Ze liet zich naast hem in de modder vallen, nog steeds met haar armen om hem heen, nog steeds niet loslatend.
Haar hart bonsde. Ze waren doorweekt. Franklin jankte en likte over haar gezicht.
Ze hadden het gered.
Ze rolde zich op haar rug, bijna duizelig. Ze leefden nog. Ze zou wel eens willen zien hoe zo’n mooiweerhardloper van de promenade dit overleefde.
Franklin schudde het water uit zijn mottige vacht en Laura wendde zich af en hield een hand voor haar gezicht. ‘Hé, jochie,’ zei ze. ‘Rustig.’
Franklin grauwde en ontblootte zijn tanden. Hij keek naar iets achter haar.
‘Wat is er?’ vroeg ze.
Franklin, die nog steeds strak over haar schouder keek, kneep zijn ogen tot spleetjes.
Laura huiverde, al wist ze niet of het van de kou was of van angst.
Ze draaide zich om.
In de modder van de oever, gedeeltelijk blootgelegd, lag een menselijk skelet.

Uitgeverij Luitingh



Bezoekersreacties: