Kwaad bloed
Jennefer Mellink
Door: Wendy op 12 augustus 2015

Jennefer Mellink debuteerde in 2014 met haar Young adult thriller Gebroken. Een boek met een realistisch verhaal, vlot geschreven en een constant aanwezige spanning. In één woord een ijzersterk debuut. Onlangs is haar tweede boek verschenen, Kwaad bloed. Volgens Jennefer zelf is deze anders dan het vorige boek. Dat maakt mij extra benieuwd naar het boek en deze ligt inmiddels klaar om gelezen te gaan worden. 

Hieronder de proloog uit Kwaad bloed.


Met dank aan Jennefer Mellink voor het beschikbaar stellen van dit leesfragment.

Preview

De misselijkheid leek op te komen als een donderslag bij heldere hemel. Hij had het gevoel dat hij ieder moment door zijn benen kon zakken. Zweet druppelde over zijn voorhoofd, alsof hij zojuist een marathon had gelopen. Zijn ogen namen de boel wazig op. Draaierig liep hij in de richting van de hal, de kapstok, waar hij zijn jas tussen een tiental andere jassen moest zien te vinden. Welke jas had hij vanavond eigenlijk aangetrokken? Zijn zomerjas. Een zwarte. Alle jassen aan de kapstok leken verdorie wel zwart. Met de rug van zijn rechterhand veegde hij het zweet van zijn voorhoofd. Dit was niet goed. Dit was enorm fout zelfs.
  'Vince, ga je nu al? Doe es gezellig, man!'
  Hij keek om terwijl hij zich in een zwarte jas probeerde te wurmen. Dat ging niet makkelijk. Zijn arm bleef vastzitten in een mouw. Rotjas. Hij meende stof te horen scheuren toen hij zijn arm er hysterisch doorheen joeg. Het interesseerde hem niet. Ondertussen nam hij haar silhouet in zich op. Lang, slank meisje, bruin haar. Hij zag dubbel. Ze stond in tweevoud voor hem. Was het Suus of was het Tara? Hij kneep zijn ogen tot spleetjes. Ze produceerde een vage glimlach, of leek dat maar zo? Hij knipperde, wreef wanhopig in zijn ogen, hoopte dat zijn zicht beter zou worden, maar het tegendeel was waar. Alsof er een waas voor zijn ogen zat. 
  'Blijf nog even. Het wordt net gezellig.' Haar stem klonk helder. Hij schaamde zich voor zijn eigen voorkomen, maar hij kon er niets aan doen. Was hij dan de enige die zo'n last had van de drank? Hij had vandaag weinig gegeten. Toen hij vanmorgen wakker werd had hij haast, dus zijn ontbijt had hij overgeslagen. Als lunch had hij wat bij de snackbar gehaald en vanavond had hij enkel wat kleine hapjes gegeten. Kon dat het zijn? Normaal gesproken was hij nooit zo'n mietje. Baco na baco gooit hij moeiteloos achterelkaar naar binnen. Hoe laat was het eigenlijk? Het was nog een beetje licht buiten. Uurtje of tien, elf 's avonds waarschijnlijk. Zo meteen zou de nacht langzaam maar zeker intreden.
  Hij wist niet eens of hij zijn eigen jas had aangetrokken, maar het ding zat goed. Op de automatische piloot voelde hij of zijn portemonnee nog in zijn jaszak zat. De plek waar de knip hoorde te zitten, voelde bol. Het zal wel.
  'Ik voel me niet zo goed, ik ga.' Hij sprak met dubbele tong, herkende zijn eigen stemgeluid niet eens.
  'Zal ik anders vragen of iemand je kan brengen? Je ziet er beroerd uit.' Ze legde haar hand op zijn schouder. Hij voelde een zacht kneepje.
  'Nee, het gaat wel. Ik ga lopend. Het is maar een klein stukje.' Hij kon niet de energie opbrengen iedereen gedag te zeggen. Zonder nog om te kijken liep hij naar de voordeur.
  'Jammer dat je al gaat. Doe voorzichtig!' klonk er nog vanuit de hal. Daarna hoorde hij hoe de voordeur achter hem werd dichtgetrokken. Een schelle piep drong via zijn trommelvliezen naar binnen. Rotgeluid. Hij drukte zijn handen op zijn oren. Gelukkig duurde het irritante geluid niet lang. Strompelend verliet hij het imposante erf. Grind kraakte onder zijn schoenen. Het enorme hek dat mensen met kwade bedoelingen buiten diende te sluiten, stond gelukkig open. Hij moest braken. Hij zette het op een rennen, struikelde bijna over zijn eigen voeten, maar bereikte toch het voetpad aan de overkant van de weg, half weggedoken tussen de struiken. De vloeibare smurrie stonk een uur in de wind. Er zaten brokken tussen, waarschijnlijk van de frikandellen van vanmiddag. Bij de gedachte moest hij nogmaals braken. Gal spoot eruit. Met de mouw van zijn jas veegde hij zijn mond schoon. Hij had een ontzettend gore smaak in zijn mond, alsof hij een dode rat had ingeslikt. Dus zo voelde het als je te veel gezopen had? Hij had medelijden met iedereen die wat hij nu doormaakte, had meegemaakt. Met zijn verstand op nul zette hij zijn weg voort. Hij bereikte algauw het stadscentrum. Hij had totaal geen oog voor de imposante grachtenpanden, de sfeervol ingerichte etalages en de opvallende neonlichtbakken van de kroeg die hij passeerde. Hij kende deze stad op zijn duimpje. Zonder om zich heen te kijken, en door zich enkel op de stoeptegels voor hem te fixeren, kende hij moeiteloos de weg. Bijna thuis, godzijdank. Hij had het gevoel alsof hij achtervolgd werd. Waanzin natuurlijk. Hij keek vluchtig naar links en naar rechts, maar zag niets geks of verdachts. Het was niet druk op straat. Een enkele auto zoefde hem voorbij. Geen fietsers. Geen voetgangers. Zweet gutste van zijn voorhoofd. Nog een paar honderd meter. Even doorzetten nu.
  Toen hij eindelijk de ingang van het studentenhuis waar hij woonde bereikte, had hij niet de kracht om zijn sleutel te zoeken. Hij belde aan en algauw werd er opengedaan.
  'Djeezes, Vince, wat zie jij eruit. Gaat het wel? Een verbouwereerde medebewoonster verscheen in de deuropening. Hij wist niet wie ze was. Het boeide hem ook niet. Hij zag haar in viervoud. Hij was onwijs duizelig. Zijn benen voelden loom, alsof het niet de zijne waren, maar lange houten stelten waarop hij zijn evenwicht maar moest zien te bewaren.
  'Laat me maar.' Het kwam er brabbelend uit. Hij sleepte zich naar boven, leunend tegen de muren, opende zijn kamerdeur, die kennelijk niet eens op slot zat, en ging meteen naar de wc. Gelukkig had hij een eigen toilet. Sommige studenten hadden een keukentje in hun kamer, hij een toilet. Goddank. Ondertussen trok hij zijn jas uit. Hij had het extreem heet. Zijn boxershort was al deels bruin. Zonder zijn achterwerk goed en wel af te vegen, kroop hij op zijn handen en knieën over de grond in de richting van zijn bed. De meters leken kilometers. Hij ademde zwaar. Dit ging echt niet goed. Er moest een dokter komen, en snel. Waar was zijn mobiel? Hij begon te hyperventileren, wilde schreeuwen en om hulp roepen, maar er kwam geen geluid uit zijn strot. Enkel wat zacht gepiepdat voor hetzelfde geld een klein muisje zou kunnen zijn, een van de vele in dit gore studentenhuis. Waarom was die griet die de deur zojuist voor hem opende niet met hem meegelopen? Ze zag toch dat het niet goed met hem ging! De hevige steken in zijn hart deden hem volledig ineenkrimpen. Waar was zijn pufje? Hij tastte met zijn vingertoppen over de grond, over zijn nachtkastje. Waar was dat verrekte pufje toch! Hij hoorde zijn mobiele telefoon overgaan. Het geluid klonk gedempt, kwam vanuit zijn jaszak. Stond er nou iemand in de deuropening of was hij aan het hallucineren? Hij sloot zijn ogen en hoopte dat die helse pijn gauw over zou zijn. Nooit meer wilde hij cocktails drinken. Nooit, maar dan ook echt nooit meer.

Wendy



Bezoekersreacties: