De vrouw in de kooi
Jussi Adler-Olsen
Door: Uitgeverij Prometheus op 22 mei 2010

Proloog
 
Ze krabde haar vingertoppen tot bloedens toe open op de gladde wanden en sloeg met haar vuisten tegen de dikke ruiten tot ze haar handen niet meer voelde. Minstens tien keer was ze op de tast naar de stalen deur geschuifeld, had haar nagels in de kier gezet en eraan getrokken, maar de deur was onwrikbaar en de rand was scherp.

 Uiteindelijk, toen het vlees haar nagels losliet, zakte ze zwaar hijgend op de ijskoude vloer in elkaar. Eventjes staarde ze met wijd opengesperde ogen en bonkend hart in het aardedonker en begon toen te gillen. Ze gilde tot haar oren begonnen te suizen en haar stem het begaf.
Ze legde haar hoofd in haar nek en voelde weer de frisse lucht die uit het plafond naar beneden stroomde. Misschien kon ze erbij komen, als ze een aanloop nam en sprong en iets kon beetpakken. Misschien dat er dan iets gebeurde.
Ja, misschien zouden haar kwelgeesten buiten dan gedwongen worden binnen te komen. En als ze dan met uitgestoken vingers op hun ogen mikte, kon ze hen misschien blind maken. Als ze maar snel genoeg was en niet aarzelde, dan lukte het haar misschien. En dan lukte het haar misschien ook om te ontsnappen.
Ze zoog even op haar bloedende vingers, zette ze daarna op de vloer en duwde zichzelf omhoog.
Ze staarde blind naar het plafond. Misschien was het te hoog om te springen. Misschien was er helemaal niets wat ze kon beetpakken. Maar ze moest het proberen. Wat moest ze anders?
Ze trok haar jas uit en legde die zorgvuldig in een hoek, zodat ze er niet over zou struikelen. Toen zette ze zich in één keer af van de vloer en strekte haar armen zo ver omhoog als ze kon, maar raakte niets. Dat deed ze nog een paar keer, voor ze achteruit naar de muur liep en eventjes op adem kwam. Daarna nam ze een aanloop en sprong met alle kracht in het donker omhoog, met haar armen om zich heen zwaaiend naar een sprankje hoop. Toen ze naar beneden tuimelde, gleed haar ene voet weg op de gladde vloer en viel haar lichaam opzij. Ze kreunde zwaar toen haar schouder het beton raakte, en ze gilde toen haar hoofd tegen de wand knalde en haar hersenen met lichtflitsen vulde.
Ze lag heel lang muisstil en wilde alleen maar huilen, maar deed het niet. Als haar bewakers haar hoorden, zou dat verkeerd worden uitgelegd. Ze zouden denken dat ze het opgaf, maar dat was niet zo. Integendeel. Ze zou zich alleen op zichzelf concentreren. Voor hen was ze de vrouw in de kooi, maar de afstand tussen de spijlen bepaal de zíj. Ze zou denken aan dingen die zich naar de wereld openden en de waanzin op afstand hielden. Ze zouden haar er nooit van haar leven onder krijgen. Dat besloot ze daar op de vloer, terwijl haar schouder zwaar bonkte en de zwellingen rond haar oog het hele maal dichtdrukten.
Op een dag zou het haar lukken te ontsnappen.


1

2007

Carl deed een stap naar de spiegel toe en liet een vinger over zijn slaap glijden, daar waar de kogel hem had geschampt. De wond was genezen, maar het litteken was duidelijk te zien onder zijn haar, als iemand tenminste zou willen kijken.
Wie zou dat in godsnaam willen? dacht hij terwijl hij zijn gezicht bestudeerde.
Nu was te zien dat hij was veranderd. De rimpels rond zijn mond waren dieper geworden, de randen onder zijn ogen donkerder, en zijn blik liet een innerlijke onverschilligheid zien. Carl Mørck was niet langer zichzelf, de ervaren rechercheur die voor zijn werk leefde en ademde. Niet meer de lange, elegante Jut die wenkbrauwen liet fronsen en lippen uiteen deed wijken. Wat moest hij daar in godsnaam ook mee?
Hij knoopte zijn overhemd dicht, trok zijn jas aan, goot het laatste restje koffie naar binnen en trok de voordeur hard achter zich dicht, zodat de overige bewoners van het huis begrepen dat ze nu uit de veren moesten zien te komen. Zijn blik viel op het naambordje op de deur. Nu werd het hoog tijd het te vervangen. Het was al lang geleden dat het lang geleden was dat Vigga was verhuisd. En hoewel ze nog niet waren gescheiden, die race was gelopen.
Hij draaide zich om en liep in de richting van het paardenpad. Als hij over twintig minuten de trein haalde, dan kon hij ruim een halfuur bij Hardy in het ziekenhuis zijn, voor hij door moest naar het bureau.
Hij zag de kerk rood uitsteken boven de kale bomen en probeerde zichzelf eraan te herinneren hoeveel mazzel hij ondanks alles had gehad. Slechts twee centimeter naar rechts en Anker had nog steeds geleefd. Slechts een centimeter naar links, dan was hij zelf gedood. Een paar grillige centimeters die hem hadden gescheiden van de tocht langs de groene weilanden en de koude graven een paar honderd meter voor hem.
Carl probeerde het te begrijpen, maar dat was moeilijk. Hij wist niet veel over de dood zelf. Alleen dat hij zo onvoorspelbaar kon zijn als een blikseminslag, en zo onmetelijk stil als hij was ingetreden. Hij wist daarentegen alles over hoe heftig en zinloos het was om dood te gaan. Dat wist hij écht.
Slechts een paar weken na het verlaten van de politieschool had de aanblik van het eerste moordslachtoffer zich op Carls netvlies gebrand. Een kleine, tengere vrouw die door haar man was gewurgd en nu op de grond lag, met matte ogen en een gelaatsuitdrukking die Carl wekenlang ellendig deden voelen. Sindsdien waren er een heleboel gevallen bij gekomen. Iedere ochtend had hij zich erop voorbereid alles te zien. De bebloede kleren, de lijkbleke gezichten, de kille foto’s. Iedere dag had hij naar de leugens en de excuses van mensen zitten luisteren. Iedere dag zijn eigen misdrijf in een nieuwe verschijningsvorm, en gaandeweg steeds irrelevanter. Vijfentwintig jaar bij de politie en tien jaar bij de afdeling Moordzaken maakten je hard.
Zo was het gegaan tot die dag waarop er een zaak kwam die door zijn pantser heen wist te dringen.
Ze hadden hem, Anker en Hardy naar een halfvergane barak aan een platgereden grindweg op Amager gestuurd, waar een lijk lag te wachten om zijn volstrekt eigen verhaal te vertellen.
Zoals zo vaak was het de stank geweest die een buurman had doen reageren. Gewoon een kluizenaar die vreedzaam in zijn eigen vuil was gaan liggen en zijn laatste drankadem had uitgeblazen, zou je denken, totdat men de spijker uit een spijkerpistool ontdekte die voor de helft in zijn schedel was doorgedrongen. Vanwege die spijker had de afdeling Moordzaken van de Kopenhaagse politie de zaak overgenomen.
Die dag was Carls team aan de beurt, iets waartegen hij noch zijn twee collega’s bijzondere bezwaren hadden, hoewel Carl zich als gebruikelijk beklaagde over de werkdruk en de traagheid van de andere teams. Maar wie had ook kunnen weten hoe fataal deze zaak zou aflopen? Dat er nog geen vijf minuten verstreken vanaf het moment dat ze de lijklucht binnenstapten tot Anker in een plas bloed lag, Hardy zijn allerlaatste stappen had gelopen en dat bij Carl het vuur was gedoofd dat absoluut noodzakelijk was als je speurder bij de afdeling Moordzaken van de Kopenhaagse politie wilde zijn.


2

2002

De roddelbladen waren dol op alles waar vicevoorzitter Merete Lynggaard van de Democratische Partij voor stond. Op haar scherpe replieken vanaf het spreekgestoelte in het parlement en op haar gebrek aan respect voor de minister-president en zijn jaknikkers. Op haar vrouwelijke attributen, haar schalkse ogen en haar verleidelijke lachkuiltjes. Ze waren dol op haar vanwege haar jeugdigheid en haar succes, maar ze waren vooral dol op haar vanwege de voeding die ze gaf aan speculaties over waarom zo’n begaafde, knappe vrouw zich nog nooit met een man in het openbaar had vertoond.
Merete Lynggaard verkocht gigantische aantallen bladen. Lesbisch of niet, ze was echt prima leesvoer.
Dat wist Merete allemaal maar al te goed. ‘Waarom ga je niet met Tage Baggesen uit?’ drong haar secretaresse aan terwijl ze naar haar kleine, blauwe Audi trippelden, tussen de plassen door die naar de parkeerplaatsen op de binnenplaats van de oude Rijksdag stroomden. ‘Ik weet best dat er veel mannen zijn die je graag mee uit willen nemen, maar hij is echt helemaal ziek van verliefdheid. Hoeveel keer heeft hij inmiddels al geprobeerd je mee uit te vragen? Heb je enig idee hoeveel briefjes hij voor je heeft achtergelaten? Ja, zelfs vandaag heeft hij er nog eentje voor je neergelegd.
Geeft hem toch een kans, Merete.’
‘Waarom neem je hem zelf niet?’ Merete keek naar beneden en legde een stapel mappen op de achterbank. ‘Wat moet ik met een woordvoerder verkeer en vervoer van Het Radicale Centrum, vertel me dat eens, Marianne? Ben ik soms een rotonde in Herning?’
Merete keek op in de richting van het Arsenaalmuseum, waar een man in een witte regenjas een foto van het gebouw maakte. Had hij zojuist ook een foto van haar gemaakt? Ze schudde haar hoofd. Dat gevoel dat ze in de gaten werd gehouden irriteerde haar zo langzamerhand. Dat was toch je reinste paranoia. Ze moest nu snel zorgen dat ze wat ontspanning kreeg.
‘Tage Baggesen is vijfendertig, ziet er retegoed uit, ja, een paar kilootjes minder zouden hem misschien goeddoen, maar hij heeft wel een landhuis in Vejby. Ja, en ook een paar in Jutland, volgens mij. Wat wil je nog meer?’
Merete keek haar aan. Schudde sceptisch haar hoofd. ‘Ja, hij is vijfendertig en woont samen met zijn moeder. Weet je wat, Marianne, neem hem zelf maar. Jij bent op het moment echt helemaal in de war. Neem hem. Hij is van jou!’
Ze nam een stapel mappen uit de armen van haar secretaresse over en zette ze naast de andere op de achterbank. Het klokje op het dashboard gaf 17.30 uur aan. Ze was al te laat.
‘We zullen je stem vanavond in de Kamer missen, Merete.’
‘Het zal mij benieuwen,’ zei ze schouderophalend. Sinds ze in de politiek was gegaan was er een vaste afspraak geweest tussen haar en de fractieleider van de Democratische Partij dat zij na zes uur ’s avonds zelf haar tijd indeelde, tenzij er sprake was van dringende, noodzakelijke commissie-aangelegenheden of wanneer er stemmingen werden gehouden. ‘Geen enkel probleem,’ had hij destijds gezegd, zich bewust van de vele stemmen die ze trok. Dan zou het ook nu wel geen enkel probleem zijn.
‘Kom op, Merete. Zeg nou waar je naartoe moet.’ Haar secretaresse hield haar hoofd schuin. ‘Hoe heet hij?’
Merete glimlachte lichtjes naar haar en trok het portier dicht. Het werd tijd om Marianne Koch te vervangen.


Lees meer over De vrouw in de kooi...

Uitgeverij Prometheus

Meer lezen? Dat kan! De vrouw in de kooi van Jussi Adler-Olsen is eind mei verschenen bij uitgeverij Prometheus.



Bezoekersreacties: