Kift
Martine Kamphuis
Door: Uitgeverij De Arbeiderspers op 14 april 2008

ANNABEL

‘Ik twijfel nog over het wapen,’ zegt ze, terwijl ze me met haar grote, donkere ogen aankijkt.
Ze lijken zo onschuldig – wijd opengesperd, omgeven door onwaarschijnlijk lange wimpers. Het is er altijd geweest, dat bedrieglijke, al heeft het lang geduurd voordat ik dat in de gaten kreeg.

Vanaf het moment dat ik begreep dat er veel meer in haar omging dan ze liet zien ben ik als ik bij haar ben op mijn hoede – steeds zoek ik naar verborgen betekenissen, signalen die ik niet mag missen, een teken dat ze iets achterhoudt. Ik ben zo gericht op wat er achter de oppervlakte schuil zou kunnen gaan dat het soms nauwelijks tot me doordringt als ze iets gewoons vertelt, of een grapje maakt.
‘Leg eens uit?’ vraag ik en knik bemoedigend.
Om nog duidelijker te maken dat zij mijn volle aandacht heeft ga ik rechtop zitten. Dat kost moeite – de zogenaamd gemakkelijke stoel waar ze me naartoe heeft geloodst is een modern geval met een overdreven naar achter hellende rugleuning. De hele kamer is ingericht met dat soort oncomfortabele meubels, die meestal ook nog eens een uitgesproken kille uitstraling hebben. Dat is nóg een reden waarom ik me eigenlijk nooit helemaal op mijn gemak voel als ik bij haar ben.
Annabel zelf heeft daar natuurlijk geen last van. Ze kijkt dromerig voor zich uit, haar ogen gericht op een abstract schilderij aan de muur. Het is een schreeuwerig ding waar ze een paar maanden geleden grof geld voor betaald heeft. Ten onrechte, vind ik, maar die mening houd ik voor me, zoals ik ook zwijg over de stoel. Ik wil haar niet schofferen. Zelfs als het over onbeduidende details gaat spreek ik haar niet tegen – alles wat ze zegt, kiest of vindt heeft bij voorbaat mijn goedkeuring.
‘Nou...’
Ze staat op en loopt naar het schilderij toe. Met haar hoofd schuin tuurt ze naar één hoek van het doek, waar dikke klodders bloedrode verf de indruk wekken dat ze ieder moment naar beneden kunnen druipen. Ze steekt een vinger uit en laat die langzaam over de rode bobbels glijden.
‘...in eerste instantie dacht ik aan een mes. Een gewoon keukenmes, een vleesmes, goed scherp...’
Automatisch gaat mijn hoofd bevestigend op en neer. Mijn nek lijkt wel van rubber, zo zit ik te knikken. Vlug houd ik er weer mee op, ze haat het als ik in haar ogen overdreven positief reageer op dingen die zij zegt. In plaats van hersenloos ja te zitten knikken, kan ik beter echt met haar meedenken. Ik doe mijn ogen dicht om te proberen het voor me te zien, om te kijken of datgene wat ze bedacht heeft zou kunnen werken. En dan, voor ik er erg in heb, is hij er. Zo dichtbij dat ik de poriën op zijn neus kan zien. Zijn adem strijkt langs mijn wang, de kruidige geur van zijn aftershave maakt me misselijk.

‘Het lijkt me een heerlijk gevoel om met een mes te steken... Veel persoonlijker dan een pistool... Kun je je dat voorstellen?’

Haar stem, tegelijkertijd zacht en gretig, haalt me terug. Als ik mijn ogen opendoe, zie ik in de hare de wazige blik die ik zo goed ken. Ze is helemaal weg, ze treedt uit haar lichaam, ze is niet meer hier. Dat heeft ze altijd al gehad, zo lang als ik me kan herinneren, het vermogen zich los te maken van haar omgeving en te vertrekken naar een andere situatie, een ander leven, waar niets of niemand haar kan deren.
‘Het probleem is alleen dat het ook riskant kan zijn om zo dichtbij te komen...’ prevelt ze.
Haar ogen focussen zich en ze draait haar gezicht naar me toe. ‘Wat denk jij?’
Mijn hart maakt een sprongetje. Dit zijn parels, deze momenten, kostbaar omdat ze zo zeldzaam zijn. Ze vraagt mijn advies, waarmee ze laat blijken dat mijn mening er voor haar toe doet. Het is bijna niet te geloven dat dat nog mogelijk is, na alle fouten die ik gemaakt heb.
Omdat ik het vertrouwen dat ze in me stelt waar wil maken, kies ik mijn woorden zorgvuldig. ‘Er zit wat in, lief, met een mes ben je heel dichtbij en hij is groter, sterker ook. Als hij het van je af weet te pakken...’
‘Ja, shit, dat zou kunnen gebeuren...’ zegt Annabel.
Ze klinkt teleurgesteld. Wat ik niet verdragen kan, zij mag dat niet voelen, geen teleurstelling, geen verdriet.
‘Van de andere kant...’ zeg ik.
Ze kijkt me aan, haar ogen zo vol hoop dat mijn keel dik wordt. Gelukkig is er als ik verder praat niets aan mijn stem te horen, Annabel heeft een bloedhekel aan wat zij emotioneel gedoe noemt.
‘...als er een element van verrassing in het spel is hoeft het feit dat hij sterker is misschien toch geen belemmering te zijn.’
‘Ja!’ zegt ze enthousiast, ‘ja, dat is zo, dat móét zo zijn. Ik zorg dat hij totaal overrompeld is en dan lukt het vast. Te gek! Een mes is zoveel beter dan een pistool! Ik wil geen afstand, ik wil zijn warmte voelen. En bloed, ik wil veel bloed!’
Haar stem wordt dromerig, een vage glimlach vormt zich om haar mond. ‘Het is veel intiemer dan een pistool en juist daarom wil ik het... Zoveel intiemer...’
Haar ogen glanzen, haar wangen zijn rood. Zo zie ik haar het liefst: gedreven, vol optimisme en hoop. Alsof ze nog alle kanten op kan, alsof de ballast uit het verleden haar op geen enkele manier belemmert. Goud geef ik ervoor haar zo te zien. Als het moest zou ik er zonder aarzeling zélf een moord voor plegen.
‘Het lukt je vast en zeker, lieverd,’ antwoord ik met een glimlach.
Plotseling buigt ze voorover. Ik verstijf, opeens bang dat het mes tevoorschijn zal komen uit de plooien van haar jurk. Maar ze heeft geen mes. Ze drukt alleen haar lippen zachtjes tegen mijn voorhoofd. Dan draait ze zich om en loopt naar de deur. Bij de drempel stopt ze even. ‘Bedankt voor het meedenken,’ zegt ze over haar schouder en dan is ze weg.

Lees meer informatie over Kift op deze site!

Uitgeverij De Arbeiderspers



Bezoekersreacties: