De wreker
Sebastian Fitzek
Door: Uitgeverij De Fontein op 6 februari 2009

1.

Toen Robert Stern een paar uur geleden met deze vreemde ontmoeting had ingestemd, wist hij niet dat het een afspraak met de dood zou zijn. Nog minder kon hij vermoeden dat de dood ongeveer één meter drieënveertig lang was, gympen droeg en glimlachend zijn leven zou binnenstappen op een verlaten, troosteloos industrieterrein.

‘Nee, ze is er nog niet, en ik heb weinig zin om nog langer op haar te wachten.’
Ongedurig tuurde Stern door de natgeregende voorruit van zijn auto naar de blinde muren van het fabrieksgebouw honderd meter voor hem uit en verwenste in stilte zijn assistente.
‘Bel Carina en vraag verdomme waar ze blijft!’
Je moet komen. Alsjeblieft! Anders weet ik me geen raad. Nog nooit had hij Carina zo angstig gehoord over de telefoon. Als het toneelspel was, verdiende ze een Oscar.
‘Laat me raden: Carina heeft afgezegd?’ Dat was echt iets voor haar. In haar werk was ze een doortastende, betrouwbare verpleegster, maar privé was ze net zo chaotisch, grillig en wispelturig als in haar liefdesleven. Hoewel hun verhouding drie jaar geleden al na een paar weken op de klippen was gelopen, belden ze elkaar nog regelmatig en gingen ze nog wel eens koffie drinken, hoewel het meestal op ruzie uitliep.
‘Nee, ik kon mevrouw Freitag helaas niet meer bereiken.’
‘Goed, dank je.’ Stern zette het contact aan en dook zenuwachtig ineen toen de herfstwind de regen weer tegen de voorruit liet kletteren. Hij zette de ruitenwissers aan en staarde even naar een roodbruin essenblad dat net buiten hun bereik tegen de ruit bleef kleven. Toen draaide hij zich om en reed met knerpende banden langzaam achteruit over het grind.
‘Als Carina nog belt, zeg dan maar dat ik geen zin heb om hier nog langer...’ Stern zweeg toen hij weer voor zich uit keek op het moment dat hij naar de eerste versnelling wilde schakelen. Wat er ook van zo’n tweehonderd meter afstand met een knipperend zwaailicht op hem toe stormde, het was niet Carina’s oude autootje.
De rood-witte wagen denderde over de toegangsweg, zo snel als de kuilen en gaten dat toelieten.
Eén moment dacht Stern werkelijk dat de chauffeur hem wilde rammen, maar op het laatste moment week de ziekenwagen uit en kwam naast hem tot stilstand.
Stern opende zijn portier, tegen een krachtige windvlaag in, en stapte uit.
Wat moest ze in vredesnaam met een ziekenwagen?
Carina sprong van achter het stuur in een plas water, maar scheen niet eens te merken dat haar witte verpleegstersuniform meteen onder de modder zat. Ze had haar lange, donkerrode haar in een zakelijke paardenstaart gebonden en zag er zo hartveroverend uit dat Stern haar het liefst in zijn armen zou hebben genomen. Maar iets in haar blik hield hem tegen.
‘Ik zit diep in de shit,’ zei ze, terwijl ze een pakje sigaretten tevoorschijn haalde. ‘Ik heb echt iets heel stoms gedaan.’
‘Wat is dit voor een vertoning?’ vroeg Stern. ‘Waarom kom je niet naar mijn kantoor maar laat je me naar dit... slagveld komen?’
Nu hij niet meer in zijn goed geïsoleerde auto zat, werd hij zich pas goed bewust van de snijdende kou en de harde oktoberwind. Huiverend trok hij zijn schouders op.
‘Ik heb geen tijd voor discussies. Die ziekenwagen heb ik maar even geleend; hij moet zo snel mogelijk weer terug.’
‘Oké. Maar als je een stomme streek hebt uitgehaald, kunnen we daar beter op een beschaafde plek over praten.’
‘Nee, nee!’ Carina schudde haar hoofd en hief afwerend een hand op. ‘Je begrijpt het niet. Het gaat helemaal niet om mij.’
Vastberaden liep ze om de ambulance heen, opende de achterdeur en wees naar binnen. ‘Je cliënt ligt hier.’
Stern nam haar vanuit zijn ooghoeken onderzoekend op. Hij had al heel wat meegemaakt... neergeschoten bankrovers, slachtoffers van bendeoorlogen, louche cliënten die dringend en vooral anoniem zijn hulp nodig hadden... Stern keek nergens meer van op. Hij vroeg zich alleen af wat Carina daarmee te maken had.
Toen ze niets meer zei, stapte hij langzaam over de metalen klep de ziekenwagen in. Onmiddellijk viel zijn oog op het lichaam dat roerloos op de brancard lag.
‘Wat krijgen we nou?’ Abrupt draaide hij zich om naar Carina, die beneden was blijven staan en een sigaret opstak, iets wat ze maar zelden deed, alleen als ze heel zenuwachtig was. ‘Je hebt een kleine jongen hier naartoe gebracht? Waarom?’
‘Dat kan hij je beter zelf vertellen.’
‘Die snotneus ziet er anders niet uit alsof hij...’ praten kan, had hij willen zeggen, omdat het doodsbleke joch een bijna levenloze indruk maakte. Maar toen Robert zich weer naar de brancard omdraaide, kwam de jongen overeind en ging rechtop zitten, met zijn benen bungelend over de rand.
‘Ik ben geen snotneus,’ protesteerde hij. ‘Ik ben al tien! Eergisteren was ik jarig.’
Onder een gevoerd ribcordjack droeg de jongen een zwart t-shirt met een doodskop en een splinternieuwe, verstelde spijkerbroek, die hem volgens Stern veel te groot was. Maar wat had hij er nou voor verstand van? Omgeslagen broekspijpen en met viltstift bekladde skateboardgympen zouden wel mode zijn op de basisschool.
‘Bent u advocaat?’ vroeg de jongen een beetje hees. Hij scheen moeite te hebben met praten, alsof hij al een tijd niets meer gedronken had.
‘Ja, dat klopt. Strafpleiter, om precies te zijn.’
‘Mooi.’ De jongen glimlachte en toonde een verbazend regelmatig, wit gebit.
‘Heel mooi,’ zei hij nog eens, terwijl hij voorzichtig uit de ambulance stapte en Robert een moment zijn rug toekeerde. Zijn frisgewassen, lichtbruine haar viel in zachte krullen op zijn schouders.
Van achteren gezien had hij voor een meisje kunnen doorgaan.
Robert zag dat hij onder zijn haar een pleister in zijn nek had, ter grootte van een creditcard.
Toen de jongen zich weer omdraaide, glimlachte hij nog steeds.
‘Ik ben Simon. Simon Sachs.’ Hij stak Robert een sierlijke hand toe, die de advocaat aarzelend schudde.
‘Hallo. Ik ben Robert Stern.’
‘Dat weet ik. Carina heeft me uw foto laten zien, die ze in haar handtas heeft. U bent de beste, zegt ze.’
‘Nou, bedankt,’ mompelde Stern, een beetje uit het veld geslagen. Voor zover hij zich kon herinneren was dit het langste gesprek dat hij in jaren met een minderjarige had gevoerd. ‘En wat kan ik voor je doen?’ vroeg hij daarom, formeel.
‘Ik heb een advocaat nodig.’
‘O, natuurlijk!’ Stern keek vragend over zijn schouder naar Carina, die onverstoorbaar een trek van haar sigaret nam.
Waarom scheepte ze hem hiermee op? Waarom vroeg ze hem naar dit braakliggende terrein te komen voor een ontmoeting met een jongetje van tien, hoewel ze wist hoeveel moeite hij met kinderen had – hoe hij hen bewust ontweek sinds de tragedie die eerst zijn huwelijk en daarna de rest van zijn leven had verwoest? ‘En waarom heb je een advocaat nodig, dacht je?’ vroeg hij, terwijl hij moeizaam een gevoel van opkomende woede onderdrukte.
Misschien zou deze belachelijke situatie nog een aardig verhaal opleveren voor de lunchpauze op kantoor.
Stern wees naar de pleister in Simons nek. ‘Heeft het daar iets mee te maken? Heeft iemand je aangevallen op het schoolplein?’
‘Nee, dat is het niet.’
‘Wat dan?’
‘Ik heb iemand vermoord.’
‘Wát?’ Het duurde even voordat Stern reageerde, ervan overtuigd dat die harde woorden niet uit de mond van een kind afkomstig konden zijn. Als een toeschouwer bij een tenniswedstrijd draaide hij zijn hoofd heen en weer van Carina naar de jongen. Totdat Simon zijn antwoord nog eens herhaalde, luid en duidelijk: ‘Ik heb een advocaat nodig. Ik ben een moordenaar.’
Ergens in de verte blafte een hond. Het geluid verwaaide tegen het gestage gedruis van de nabijgelegen snelweg, maar Stern hoorde het niet, evenmin als het onregelmatige gekletter van de regen op het metalen dak van de ambulance.
‘Oké, dus jij denkt dat je iemand hebt vermoord?’ vroeg hij, na nog een verbijsterde stilte.
‘Ja.’
‘Mag ik vragen wanneer?’
‘Dat weet ik niet.’
‘O, dat weet je niet.’ Stern lachte droog. ‘En waarschijnlijk weet je ook niet hoe, waarom of waar, omdat dit hele verhaal gewoon een kwajongensstreek is en je –’
‘Met een bijl,’ fluisterde Simon.
Heel even leek het alsof hij in huilen zou uitbarsten.
‘Wat zeg je?’
‘Met een bijl. Een bijl in zijn hoofd. Het was een man. Veel meer weet ik ook niet. Het is al lang geleden.’
Robert knipperde gespannen met zijn ogen. ‘Lang? Hoe lang? Wanneer was het dan?’
‘Op 28 oktober.’
De advocaat keek op de datumaanduiding van zijn horloge.
‘Dat is vandaag,’ zei hij geïrriteerd. ‘En net beweerde je nog dat het lang geleden was. Wat wil je nou? Neem een besluit.’
Heel even wenste Stern dat hij bij een kruisverhoor altijd zulke gemakkelijke getuigen zou hebben als dit jochie van tien, dat zich al de eerste minuten verstrikte in zijn tegenstrijdige beweringen. Maar van die wens werd hij snel genezen.
‘U begrijpt me niet.’ Simon schudde treurig zijn hoofd. ‘Ik heb een man vermoord. Hier, op deze plaats!’
‘Hier?’ echode Stern en hij keek verbaasd hoe Simon zich voorzichtig langs hem heen wrong, uit de ziekenwagen stapte en buiten onderzoekend om zich heen keek. Voor zover Stern kon zien, bleef zijn blik rusten op een vervallen machineloods, een meter of honderd verderop, bij een groepje bomen.
‘Ja, hier was het,’ bevestigde Simon voldaan, en hij greep Carina’s hand. ‘Hier heb ik een man doodgeslagen. Op 28 oktober. Vijftien jaar geleden.’

2
Robert stapte uit de ziekenwagen en vroeg Simon even te wachten. Toen greep hij Carina ruw bij haar pols en trok de verpleegster drie stappen met zich mee, tot achter de kofferbak van zijn eigen auto. Het motregende niet meer, maar het was nu wel donkerder, de wind stak op en het werd kouder. Noch Carina in haar dunne uniform, noch hijzelf in zijn zwarte pak was op dit miezerige weer gekleed. Maar anders dan hij scheen zij geen last te hebben van de kou.
‘Een korte vraag,’ zei hij fluisterend, hoewel Simon buiten gehoorsafstand was. De wind en het monotone achtergrondgeruis van de autoweg overstemden alle andere geluiden. ‘Wie van jullie tweeën is het meest gestoord?’
‘Simon is een patiënt van mij, op de afdeling neurologie,’ antwoordde Carina, alsof dat een verklaring was.
‘Volgens mij hoort hij thuis op de afdeling psychiatrie,’ beet Stern haar toe. ‘Wat is dat voor een geklets over een moord van vijftien jaar geleden? Kan hij niet rekenen, of is hij schizofreen?’
Met de afstandsbediening opende hij zijn kofferbak en schakelde tegelijk de binnenverlichting in, zodat er in het regenachtige halfdonker nog iets te zien was.
‘Hij heeft een hersentumor.’ Met duim en wijsvinger maakte Carina een cirkel om de grootte aan te geven. ‘De artsen geven hem nog een paar weken, misschien niet meer dan enkele dagen.’
‘Lieve God, en dat gezwel heeft zúlke bijwerkingen?’ Stern pakte een paraplu uit de kofferbak.
‘Nee. Dat komt door mij.’
‘Door jou?’ Hij keek op van de splinternieuwe designparaplu in zijn hand, waarvan de bediening hem nog ontging. Hij kon nergens een knop vinden om het ding te openen.
‘Ik zei toch dat het een stomme streek van me was? Die jongen is bijzonder intelligent, weet je, heel gevoelig en verstandig voor zijn leeftijd. Dat mag een wonder heten, als je zijn achtergrond kent.
Toen hij vier was, is hij bij zijn asociale moeder weggehaald. Hij woonde daar in een zwijnenstal; ze vonden hem half uitgehongerd naast een dode rat in het bad. Zo kwam hij in een opvanghuis terecht.
Daar viel hij op omdat hij liever moeilijke boeken las dan met zijn vriendjes te spelen. Zijn verzorgers vonden het niet zo vreemd dat een kind dat zoveel nadacht steeds hoofdpijn had. Maar ten slotte ontdekten ze die tumor in zijn hoofd. Nu ligt hij bij mij op de afdeling en heeft hij niemand meer op de hele wereld, behalve de mensen van het ziekenhuis. Eigenlijk alleen nog mij.’
Carina kreeg het nu kennelijk toch koud, want haar lippen trilden.
‘Ik begrijp niet waar je naartoe wilt.’
‘Eergisteren was Simon jarig, en ik wilde hem iets bijzonders geven.
Ik bedoel, hij is pas tien, maar door zijn levenservaring en zijn ziekte is hij zoveel volwassener dan andere kinderen van die leeftijd.
Daarom leek hij me niet te jong.’
‘Te jong waarvoor? Wat heb je hem dan gegeven?’ Stern had zijn pogingen opgegeven om de paraplu te openen en hield hem nu als een aanwijsstok op haar borst gericht.
‘Simon is bang voor de dood, daarom had ik een regressietherapie voor hem geregeld.’
‘Een wát?’ vroeg Robert, hoewel hij daar pas iets over op tv had gezien.
Echt iets voor Carina om aan zo’n esoterische trend mee te doen.
‘Kijk me niet zo aan. Ik weet wel wat jij ervan vindt. Jij leest niet eens je horoscoop.’
‘Hoe kun je zo’n jongen nou aan die hocus pocus blootstellen?’
Stern was oprecht geschokt. In die tv-reportage hadden deskundigen nog voor ernstige geestelijke schade gewaarschuwd. Labiele persoonlijkheden konden het dikwijls niet verwerken als zo’n kwakzalver beweerde dat hun huidige psychische problemen verband hielden met een onopgelost conflict uit een vorig leven.
‘Ik wilde Simon alleen laten zien dat het daarna niet voorbij is. Na de dood, bedoel ik. Dat hij niet verdrietig hoefde te zijn dat hij maar zo kort geleefd had, omdat het leven altijd doorgaat.’
‘Je maakt een grapje.’
Ze schudde haar hoofd. ‘Ik ben met hem naar dr. Tiefensee gegaan, een afgestudeerd psycholoog, die college geeft aan de universiteit. Geen charlatan dus, zoals jij wel weer zult denken.’
‘En hoe ging dat?’
‘Hij heeft Simon gehypnotiseerd. Verder gebeurde er eigenlijk niet veel. Onder hypnose kon Simon nauwelijks iets herkennen.
Maar later vertelde hij dat hij in een donkere kelder was geweest, waar hij stemmen had gehoord, heel akelige stemmen.’
Stern maakte een pijnlijke grimas. De bijtende kou die langs zijn rug omhoogkroop werd met de seconde erger. Maar dat was niet de enige reden waarom hij hier zo snel mogelijk vandaan wilde. Ergens in de verte zwoegde een goederentrein, op weg naar het volgende station. Carina liet haar stem dalen tot een gefluister, net als Stern aan het begin van hun gesprek.
‘Toen Tiefensee hem uit zijn hypnose wilde halen, lukte dat eerst niet. Simon was diep in slaap. Eindelijk werd hij wakker en kwam hij met hetzelfde verhaal dat hij zopas aan jou vertelde. Hij denkt dat hij ooit een moordenaar is geweest.’
Stern wilde zijn vochtige handen aan zijn dikke bruine haar afvegen, maar dat was al kletsnat door de motregen.
‘Allemaal onzin, Carina, dat weet jij ook. Bovendien begrijp ik niet wat dat met míj te maken heeft.’
‘Simon heeft een groot besef van gerechtigheid en wil absoluut naar de politie gaan.’
‘Zo is het.’
Robert en Carina draaiden zich abrupt om. Tijdens hun verhitte discussie was de jongen onopgemerkt naar hen toe gekomen. De wind blies zijn krullen over zijn voorhoofd. Het verbaasde Stern dat Simon zijn haar nog had, na de onvermijdelijke chemotherapie.
‘Ik ben een moordenaar. Dat deugt niet. Daarom wil ik mezelf aangeven. Maar ik zeg verder geen woord meer zonder mijn advocaat!’
Carina lachte een beetje bitter. ‘Dat heeft hij van de televisie. En jij bent helaas de enige strafpleiter die ik ken.’
Stern ontweek haar blik en staarde naar de modderige grond, alsof zijn handgemaakte leren schoenen hem konden vertellen hoe hij op deze flauwekul moest reageren.
‘En?’ hoorde hij Simon vragen.
‘En wat?’ Hij tilde zijn hoofd op en keek de jongen recht aan. Tot zijn verbazing glimlachte het kind weer.
‘Bent u nu mijn advocaat? Ik kan u heus wel betalen.’ Onhandig haalde hij een kleine portemonnee uit zijn broekzak tevoorschijn.
‘Ik heb geld.’
Stern schudde zijn hoofd, eerst nog aarzelend, maar toen met overtuiging.
‘Jawel! Ik heb genoeg geld,’ protesteerde Simon. ‘Echt waar.’
‘Nee,’ zei Stern. Hij negeerde de jongen en keek Carina woedend aan. ‘Daar gaat het helemaal niet om, of vergis ik me? Je hebt me hier niet laten komen als advocaat.’
Nu was zij het die naar de grond staarde. ‘Nee, dat is zo,’ gaf ze zachtjes toe.
Stern ademde diep uit en smeet de ongebruikte paraplu weer in de kofferbak. Toen schoof hij een aktetas opzij, opende het plastic vak aan de zijkant en haalde een zaklantaarn tevoorschijn die naast de verbanddoos lag. Hij testte de lichtbundel door de zaklantaarn op de scheefgezakte machineloods te richten waar Simon naar gewezen had.
‘Goed, kom dan maar mee.’
Met zijn vrije hand gaf hij Simon een aai over zijn bol en sprak een zinnetje waarvan hij niet had gedacht dat hij het ooit tegen een kind van tien zou zeggen: ‘Laat me de plek zien waar je die man zou hebben vermoord.’

3
Simon liep om de loods heen. Jaren geleden moest dit een fabrieksgebouw van twee verdiepingen zijn geweest, maar ooit was er brand uitgebroken en nu stonden er nog slechts een paar halve, verkoolde muren overeind, die zich als verkrampte handen naar de bewolkte avondhemel uitstrekten.
‘Zie je? Er is hier niks.’ Stern liet het licht van zijn zaklantaarn langzaam over de ruïne glijden.
‘Toch moet hij hier ergens liggen,’ antwoordde Simon, alsof het om een verloren handschoen ging in plaats van een lijk. Zelf hij had ook een kleine zaklantaarn bij zich, een plastic buisje, dat oplichtte in het donker als je het omknikte.
‘Uit zijn toverkast,’ had Carina verklaard. Blijkbaar had het kind behalve de regressietherapie ook normale verjaarscadeaus gekregen.
‘Ik geloof dat het beneden was,’ zei Simon opgewonden en hij deed een stap naar voren.
Stern volgde zijn uitgestoken arm en richtte de zaklantaarn naar het voormalige trappenhuis, waarvan alleen de trap naar de kelder nog over was.
‘Daar kunnen we niet in. Dat is levensgevaarlijk.’
‘Waarom?’ vroeg de jongen, en met grote passen liep hij op zijn gympen over de losliggende tegelvloer.
‘Blijf staan, lieverd. Er kan van alles instorten.’ Carina’s stem klonk ongebruikelijk bezorgd. Anders was ze in Roberts bijzijn altijd zo vrolijk en uitbundig, bijna alsof ze de melancholie die altijd in hem sluimerde wilde compenseren met een overdaad aan levenslust.
Maar nu scheen ze bang te zijn dat Simon zou reageren als een jonge hond die zich van zijn riem had bevrijd. Het kind liep rustig verder.
‘Kijk! Daar kun je naar beneden,’ riep hij opeens. En terwijl de andere twee nog protesteerden, verdween zijn krullenkop al achter een stalen betonbalk.
‘Simon!’ gilde Carina en Stern holde struikelend over het puin achter haar en de jongen aan. In het donker gleed hij een paar keer uit, en hij scheurde zijn broek open aan een roestige draad. Toen hij eindelijk het kelderluik met de zwartberoete houten trap had bereikt, zag hij de jongen twintig treden lager om de hoek verdwijnen.
‘Kom daar onmiddellijk uit!’ riep Stern door de schacht naar beneden, maar meteen had hij spijt van zijn ondoordachte woordkeus.
Op hetzelfde moment wist hij dat de herinnering die dat zinnetje bij hem opriep erger was dan alles wat hem hier kon overkomen.
Kom eruit, schat. Alsjeblieft. Ik kan je helpen...
Het was niet bij die ene leugen gebleven die hij Sophie toen – tevergeefs – door de dichte wc-deur had toegeroepen. Vier jaar lang hadden ze allebei alles geprobeerd, elke beschikbare techniek en behandelmethode, tot ze eindelijk het langverwachte telefoontje uit de zwangerschapskliniek hadden gekregen. Positief. Zwanger.
Toen, bijna exact tien jaar geleden, had hij het gevoel gehad dat een hogere macht de kompasnaald van zijn leven helemaal opnieuw had ingesteld. Opeens wees de naald naar het geluk, in de meest zuivere vorm. Helaas bleef hij daar maar heel kort staan, niet langer dan Stern nodig had om met oplichtende plakkertjes een sterrenhemel tegen het plafond van de nieuwe kinderkamer te maken en samen met Sophie de babykleertjes uit te zoeken. Felix had ze niet één keer gedragen. Hij was begraven in het rompertje dat de verpleegsters van de kraamafdeling hem hadden aangetrokken.
‘Simon?’ riep de advocaat, zo luid dat hij zichzelf daarmee uit zijn sombere overpeinzingen wekte. Hij kromp ineen toen Carina vlak naast hem hetzelfde riep.
‘Ik geloof dat ik wat gevonden heb!’ drong een gedempte jongensstem tot hen door.
Stern vloekte en testte met zijn voet de bovenste tree. ‘We moeten erachteraan. Niets aan te doen.’
Ook die woorden herinnerden hem weer aan het vreselijkste moment van zijn leven, toen Sophie met haar dode baby in haar armen naar de wc van het ziekenhuis was gevlucht en hem niet meer had willen teruggeven. ‘Wiegendood’, luidde de diagnose, die Sophie niet accepteerde. Twee dagen na de bevalling.
‘Ik ga mee,’ verklaarde Carina.
‘Klets geen onzin.’ Voorzichtig trok Stern zijn andere been bij.
De trap had vijfendertig kilo doorstaan, nu maar afwachten of hij tegen het dubbele gewicht bestand was.
‘We hebben maar één lamp, en iemand moet toch hulp halen als we na twee minuten nog niet terug zijn.’
Het rottende hout kraakte bij elke stap als de tuigage van een zeilboot bij lichte golfslag. Stern wist niet of zijn evenwichtsgevoel hem parten speelde of dat de trap werkelijk steeds schuiner kwam te hangen naarmate hij verder afdaalde.
‘Simon?’ riep hij minstens voor de vijfde keer, maar als antwoord hoorde hij enkel een metaalachtig gerammel in de verte, alsof de jongen met een schroevendraaier tegen een verwarmingsbuis sloeg.
Even later stond hij met bonzend hart onder aan de trap en keek om zich heen. Inmiddels was het buiten al zo donker dat hij zelfs Carina’s silhouet niet meer kon onderscheiden. Hij richtte zijn zaklantaarn naar rechts en zag dat de kelder zich in twee gangen splitste.
Aan beide kanten stond een laagje troebel, modderig water van zo’n vijf centimeter diep.
Het was nauwelijks te geloven dat de jongen zich vrijwillig in dit industriële moeras had gewaagd. Stern koos de linkergang, omdat de andere al na een paar meter door een omgevallen meterkast werd geblokkeerd.
‘Waar ben je?’ vroeg hij, terwijl het water als een ijzige hand zijn enkels omsloot.
Nog steeds geen antwoord van Simon, maar in elk geval gaf hij wel een teken van leven. Hij hoestte, een paar stappen bij Stern vandaan.
Toch wist Robert hem niet te vangen in het licht van zijn zaklantaarn.
Dit wordt mijn dood nog, dacht hij, toen hij voelde hoe zijn broekspijpen als vloeipapier het ijskoude water opzogen. Tien meter voor zich uit ontdekte hij een houten wand, op hetzelfde moment dat zijn mobieltje ging.
‘Waar is hij?’ vroeg Carina, met een bijna hysterische klank in haar stem.
‘Geen idee. In een zijgang, denk ik.’
‘Wat zegt hij dan?’
‘Niks. Hij hoest.’
‘O, mijn god. Haal hem daar weg!’ Carina’s stem sloeg over van angst.
‘Wat denk je dat ik hier ánders doe?’ viel hij uit.
‘Je begrijpt het niet. De tumor! Dat is een teken van een volgende aanval.’
‘Wat bedoel je? Wat voor aanval?’
Stern hoorde de jongen weer hoesten, nog dichterbij dan zopas.
‘Eerst verkrampen zijn bronchiën en daarna raakt hij bewusteloos.
Zo meteen zakt hij in elkaar,’ riep Carina, zo luid dat hij haar niet alleen door zijn telefoon maar ook in werkelijkheid kon horen.
En dan komt hij met zijn hoofd in het water terecht en zal hij stikken.
Net als...
Stern stormde naar voren, maar in zijn paniek ontging hem een zwarte houten balk, die volledig verkoold en daardoor bijna onzichtbaar aan het plafond bungelde. Met klap sloeg zijn hoofd ertegenaan.
De schrik was nog groter dan de pijn. Stern dacht dat hij werd aangevallen en wierp afwerend zijn armen omhoog. Toen hij zijn vergissing bemerkte, was het al te laat. De zaklantaarn flakkerde nog twee seconden en doofde toen op de plek waar hij in het water was gevallen.
‘Verdomme!’ Hij stak zijn arm naar rechts uit om met zijn vingers de keldermuur te zoeken. Toen schuifelde hij voetje voor voetje verder en probeerde in het donker zijn richtingsgevoel niet kwijt te raken. Dat mocht geen probleem zijn, want tot nu toe was hij steeds rechtdoor gegaan. Verontrustender was het dat hij Simon niet langer hoorde hoesten.
‘Hé, ben je er nog?’ riep hij, en opeens plopte er iets in zijn oor. Als een vliegtuigpassagier bij de landing moest hij een paar keer slikken om de druk op zijn trommelvlies te neutraliseren. Toen hoorde hij weer een zacht gerochel, achter die houten wand, een meter of tien voor hem uit, en dan de hoek om. Daar moest hij heen. Naar de zijgang.
Naar Simon. Door het water liep hij trager dan zijn bedoeling was, maar nog snel genoeg voor een fatale kettingreactie.
‘Simon, kun je me... help!’
Met die laatste kreet stortte hij voorover. Zijn voet was blijven haken achter een oud telefoonsnoer, dat als een valstrik een lus had gevormd in het stinkende, vuile water. Wanhopig probeerde hij nog met zijn vingers greep te krijgen op het vochtige metselwerk van de muur, maar dat leverde hem alleen twee gescheurde nagels op voordat hij vooroverdook.
Door zijn buiteling besefte hij dat hij het einde van de gang had bereikt, want hij kwam niet in het water terecht, maar viel met zijn handen tegen een houten wand, die meegaf.
O, mijn god. Stern durfde nauwelijks het middelgrote, ronde voorwerp te betasten dat onzacht op zijn schoot landde. Als in een nachtmerrie voelde hij zijn handen over de blauw aangelopen lippen en het opgezwollen gezichtje van de dode Felix glijden.
Maar toen werd het langzaam lichter om hem heen. Hij knipperde met zijn ogen en het duurde even voordat hij besefte waar dat schijnsel vandaan kwam. Pas toen ze recht voor hem stond herkende hij Carina, die met de groene display van haar mobieltje vaag de kleine ruimte verlichtte waarin hij terechtgekomen was.
Stern zag haar gil al voordat hij hem hoorde. Een fractie van een seconde sperde Carina haar mond geluidloos open. Het volgende moment kaatste haar schrille kreet tegen de betonnen wanden.
Stern sloot zijn ogen. Ten slotte verzamelde hij al zijn moed en keek omlaag.
Meteen kwam zijn maag in opstand.
Het hoofd dat op zijn schoot lag stak als de knop van een gordijnroe aan de rest van het deels vergane lijk. Met een mengeling van ongeloof, afschuw en peilloze ontzetting staarde Stern naar de diepe kloof die de bijl in de schedel van de dode had achtergelaten.

Uitgeverij De Fontein



Bezoekersreacties: