Lepelaars
Door: Liz Brouwer op 2 augustus 2013

Met een zorgelijke trek rond zijn mond keek Arno Bovendijk, boswachter van Natuurmonumenten in het Waddengebied, naar het kadaver van een grote lepelaar.
Een volwassen exemplaar lag levenloos en met uitgestrekte poten, vlak voor de punt van zijn schoen. Het was een van de vele dode lepelaars die hij de afgelopen week bijeen had geraapt, het begon op een plaag te lijken.

Kon dat, vroeg hij zich plotseling af, kon een plaag ook uit dode materie bestaan, in dit geval uit dode vogels? Arno beschouwde zichzelf als een amateur filosoof. Tijdens de lange wandelingen die bij zijn beroep hoorden, stelde hij zichzelf graag onmogelijke vragen om daar vervolgens eindeloos op los te mijmeren.
Hij schudde zijn hoofd, dit was niet het goede moment. Hij moest het kadaver meenemen en in de koeling leggen. Ook aan deze lepelaar was niet direct iets te zien wat een doodsoorzaak kon zijn. Van een aantal eerder gevonden exemplaren waren er al organen verwijderd en voor onderzoek naar de Universiteit van Utrecht gestuurd. Die uitslag interesseerde hem niet, hij wist het wel.

Nadat hij de dode lepelaar naar de vrieskast had gebracht waar de andere vogels ook lagen, stapte Arno opnieuw in zijn dienstauto. Maarten Schipper, een van zijn collega’s die toezicht hield op de koeling, had hem meewarig aangekeken: “het wil maar niet ophouden, hè Arno?”
De manier waarop Maarten sprak, lijzig en sentimenteel, ergerde hem. Hij geloofde niet dat het Maarten ook maar iets kon schelen. Hij verdacht hem er zelfs van dat hij het wel een sensatie vond, al die grote lijken van deze vogels die hij in bewaring mocht houden. Arme Maarten, zijn pleziertjes duurden nooit lang.
Arno graaide naar zijn mobiel, hij moest zijn vrouw Frieda bellen dat het later zou worden en dat ze maar alleen moest eten. Het duurde voor zijn gevoel allemaal al veel te lang, hij had zijn plan klaar en ging daar nu mee aan de slag.

Frieda Bovendijk stormde met snelle grote passen het politiebureau binnen. Ze was lichtelijk buiten adem toen ze de agent achter de balie aansprak.
“Ik heb een half uur geleden gebeld om te melden dat mijn man niet is thuisgekomen. Uw collega zei dat ik beter even langs kon komen.”
“Loopt u maar mee.”
Frieda voelde zich klein toen ze achter de brede rug van de grote politieman aanliep. Ze kende hem wel, het was Alfred Bossenaar. Iedereen in de buurt kende Alfred Bossenaar; een man die niet alleen vertrouwen uitstraalde maar die ook zijn vak verstond.
“Ik maak me zorgen, hij neemt zijn mobiel niet op en hij belt altijd als het zo laat wordt,  het is nu al midden in de nacht.”
Frieda hoefde niet veel uit te leggen. Ze woonden in een kleine gemeente en iedereen wist wie zij en Arno waren. Helemaal nu er door de media zoveel aandacht werd besteed aan het raadsel van de dode lepelaars en Arno’s betrokkenheid bij deze zaak daarin breed werd uitgemeten. Ze had hem gisteren nog plagend voor BN’er uitgemaakt.
“Denkt u dat het iets met deze vogelkwestie te maken kan hebben?” vroeg Bossenaar.
Frieda keek bezorgd, ze had er zelf ook al aan gedacht.
“Zou het kunnen dat Arno iets ontdekt heeft wat hem in gevaar heeft gebracht?” opperde ze.
“Heeft hij niet gezegd waar hij vanavond naar toe ging?”
“Nee, maar ik ging er eigenlijk vanuit dat hij opnieuw naar het Waddengebied ging. Hij had vlak daarvoor nog een dode lepelaar gevonden.”
“Goed mevrouw Bovendijk, we gaan zoeken. Gaat u naar huis voor het geval uw man toch ineens thuis komt of dat hij u daar probeert te bereiken. En hou ons dan op de hoogte.”
Frieda knikte, de angst gierde plotseling door haar lijf. Ze voelde dat er iets helemaal fout zat.  Er moest natuurlijk iemand thuis zijn voor als hij terug kwam, maar ze zag er tegenop om daar nu alleen te zijn.
Ze stapte in haar auto en reed enigszins slingerend weg.
Thuisgekomen maakte haar hart even een sprongetje toen ze in het donker een man voor de deur zag staan, maar gelijk zag ze ook dat het Arno niet kon zijn. Deze man had een heel ander postuur. Ze bleef in de auto zitten en probeerde in het donker te onderscheiden wie het dan wel was. Ze zag hoe hij aanbelde en door het raam naast de deur naar binnen probeerde te gluren.
Ze twijfelde, was het wel verstandig om midden in de nacht op een vreemde man af te lopen of kon ze beter de politie bellen? Nee, ze wilde niet hun aandacht van Arno afleiden. Al was dat waarschijnlijk onzin, ze hadden natuurlijk meerdere agenten die nachtdienst hadden maar zo voelde het voor haar.
Ze opende het portier en riep vanaf een afstand: “Zoekt u iemand?”
De man schrok duidelijk, draaide zich om en kwam snel op haar afgelopen. Ze wilde het portier alweer dicht trekken toen ze ineens zag dat het Maarten Schipper was, een van Arno’s collega’s. Maar wat deed hij hier in godsnaam op dit tijdstip? Ze stapte uit de auto.
“Mevrouw Bovendijk, ik ben blij dat ik u zie. Ik zoek uw man, het is nogal dringend.”
“Je bent niet de enige die hem zoekt,” zei ze ongewild gevat. ”Waar heb je hem voor nodig zo midden in de nacht?”
“Dat vertel ik hem liever zelf.”
“Ik weet niet waar hij is. Ik kom net van het politiebureau omdat ik me zorgen maak. Hij is nog naar het waddengebied gegaan maar is niet thuisgekomen en ik kan hem niet bereiken. De politie vraagt zich af of het iets met de lepelaars te maken heeft.” Ze merkte ineens dat ze er op los begon te ratelen. Dat waren de zenuwen, die sloegen opnieuw toe.
Maarten keek haar verbaasd aan, zijn mond hing een beetje open. Hij leek even niet goed te weten wat hij moest zeggen.
“Maar wat doe jij hier nu midden in de nacht?” vroeg ze nog een keer.
“Ik heb Arno gebeld maar hij neemt niet op. En ik moet hem spreken, dat moet.”
“Wat is er dan?”
Hij streek door zijn haren en was duidelijk verlegen met de hele situatie. “Het gaat over de lepelaars, ze zijn weg. Alle dode lepelaars die in de koeling lagen zijn weg. Ik deed nog een laatste controle en toen ontdekte ik het. Onbegrijpelijk. Wie doet zoiets?” Hij keek haar enigszins verwilderd en met grote ogen aan.
Frieda was even met stomheid geslagen, toen greep ze zijn arm.
“We moeten de politie bellen, dit is absurd. Misschien heeft het iets met Arno’s verdwijning te maken dus ze moeten dit meteen weten.”
“Ja, ja.”  Maarten knikte maar keek verder alleen onrustig in het rond. “Ik dacht dat hij vanmiddag meteen naar huis was gegaan,” sprak hij een beetje voor zichzelf uit.
“Dat is dus niet zo. Maar wat doet dat er nu toe, je moet naar de politie gaan of ze nu meteen bellen.”
“Waarom?” Hij keek haar op een intense manier aan, alsof hij het antwoord uit haar zou willen trekken. “Waarom is hij terug gegaan?”
“Je weet hoe die zaak hem bezig houdt.”
“Ja, dat weet ik,” hij knikte opnieuw maar bewoog niet. Het was duidelijk dat hem iets dwars zat. Ze werd nerveus van hem, wat deed hij hier nog?  Ze duwde tegen zijn arm aan.
“Ga nou maar.”
Hij liep naar zijn auto maar draaide zich weer om.
“Ga nou,” drong ze nog een keer aan en voelde zich plotseling misselijk worden toen hij eindelijk instapte. Zijn achterlichten losten snel tot rode puntjes op en waren ineens weg.

Frieda bracht de rest van de nacht eenzaam en in angst door. Tegen de ochtend belde Alfred Bossenaar bij haar aan.
“We hebben de hele nacht gezocht, de helikopter is zojuist ook ingezet en uiteraard zoeken we verder. Maar tot nu toe geen spoor.
U heeft ook niets meer gehoord?”
Frieda schudde haar hoofd, haar keel zat dicht en haar hoofd leek vol watten te zitten. Toch moest ze ineens aan het bezoek van Maarten Schipper denken.
“Hebben jullie doorgekregen dat de lepelaars die in de opslag lagen allemaal verdwenen zijn?”
Bossenaar knikte en keek haar onderzoekend aan. “Had uw man een sleutel van de koeling?”
Frieda  vroeg zich plotseling verbaasd af waar hij aan dacht. Hij dacht toch niet dat Arno al die lepelaars had meegenomen?
En waarvoor dan? Ze vroeg het hem.
“We moeten met alles rekening houden maar vooralsnog trekken we geen conclusies. Welke indruk wekte uw man de afgelopen dagen? Gedroeg hij zich anders?”
Frieda haalde bozig haar schouders op, de suggestie dat Arno bij de diefstal van de lepelaars betrokken was beviel haar helemaal niet. “Nee, hij was gewoon zichzelf, het hele geval hield hem wel behoorlijk bezig. Mijn man is iemand die zich voor honderd procent inzet.”
“Ja natuurlijk,” haastte Bossenaar zich te zeggen. “U krijgt van ons direct al het nieuws over mogelijke ontwikkelingen.” Hij salueerde ouderwets tegen de zijkant van zijn hoofd.

De zoekactie leverde toch iets op. Dichtbij de plek waar de laatste dode lepelaar was gevonden, troffen ze een grote hoeveelheid bloedresten en sleepsporen aan, mogelijk afkomstig van een worsteling of een ernstiger delict. Er liepen veel voetsporen door elkaar heen en die van Arno Bovendijk behoorden daar ook toe. Maar dat hoefde niets te betekenen, zijn sporen waren door het hele Waddengebied te vinden. Het bloed werd voor onderzoek meegenomen.

De uitslagen van het lab uit Utrecht kwamen enkele weken later: de lepelaars waren vergiftigd geweest. Er was geen sprake van een natuurlijk gif en er waren geen illegale lozingen in het water of op het land gevonden. De conclusie was dat de vogels gedood waren door toediening van een sterk concentraat van onkruidverdelger en dat het de gerichte daad van een of meerdere personen was. Het raadsel van de dode lepelaars veranderde in dat van de verdwenen lepelaars en werd sterk verbonden aan de verdwijning van Arno Bovendijk. Het bloed wat in het Waddengebied was gevonden kon na onderzoek aan hem worden toegeschreven maar de sleepsporen niet. Althans, die conclusie was niet goed te onderbouwen. Dus bleef de vraag: was Arno verwond geraakt tijdens een gevecht en had hij zijn slachtoffer weggesleept of was hij zelf het slachtoffer geworden en meegenomen? Maar waar was hij dan en waar waren de vogels? Tot grote verbazing en verbolgenheid van Frieda merkte ze dat deze wending in de pers bijna als komisch uit werd gelicht en dat het mensen leek te fascineren. De meest bizarre verhalen kwamen op gang, variërend van een persoonlijke obsessie voor vogels van Arno, politieke intriges tot buitenaardse ontvoeringen. Iedereen leek er wel iets over te moeten zeggen en Frieda verbeeldde zich soms dat mensen haar uitlachten als ze op straat liep.
De collega’s van Arno van de boswachterij hadden haar in het begin geweldig gesteund en weerlegden alle insinuaties dat haar man er voor eigen gewin met de vogels vandoor was gegaan. Toch werd het na een tijdje vanuit die hoek steeds stiller en kreeg ze het gevoel dat er twijfels ontstonden.
Frieda geloofde dat hem iets verschrikkelijks was overkomen. Dat kon niet anders, ze kende haar man en hij zou haar nooit opzettelijk zo achterlaten. Toch had zij ook haar vertwijfelde momenten waarin ze zich met een bittere smaak afvroeg of ze een naïeve vrouw was.

“Dag Alfred, heb je nieuws?”
Frieda keek op naar het brede en ernstig kijkende gezicht van Alfred Bossenaar. Ze voelde de spanning in haar maag samenballen, hij kwam haar duidelijk iets belangrijks vertellen. Tegelijk zou het haar enorm opluchten als ze eindelijk antwoorden kreeg. Het was inmiddels een jaar na de verdwijning van Arno en ze had geen nacht meer goed geslapen. Het vrat aan haar.
“Ja Frieda.” Ze stonden inmiddels met elkaar op informele voet.
“Kom binnen.”
Ze liep opnieuw achter zijn brede rug aan en merkte dat ze wel kleiner leek dan een jaar geleden. Ze kromp misschien wel van al die ellende.
“Er is een vrachtwagen aangehouden bij de grens van Frankrijk met een bijzondere lading;  ruim twintig opgezette lepelaars.”
Frieda keek hem verbijsterd aan.
“Bedoel je ónze lepelaars?”
“Ja, dat weten we inmiddels zeker.”
Frieda staarde dof voor zich uit, haar hele lijf deed pijn. Het draaide dus allemaal om geld. Opgezette lepelaars, een beschermde diersoort, die voor veel geld verkocht konden worden. Reken maar dat daar handel in zat. Was Arno zo diep gezonken?
 “Frieda, het spijt me.”
Ze keek op, wat bedoelde hij?”
“Arno is dood, we hebben een bekentenis.” Hij hield stil, wilde eerst weten of ze het aankon.
Ze hapte naar adem maar voelde gek genoeg ook een bevrijding, een ontlading.
“Ik moet het weten, Alfred. Je moet me precies vertellen wat er gebeurd is.”
“Twee mannen hebben bekend de vogels vergiftigde vis te hebben gevoerd. Ze hebben Arno gewoon gebruikt als hun loopjongen om de vogels te verzamelen en keurig in de koeling voor ze te bewaren, zonder dat hij dit wist. Toen de laatste lepelaar dood was besloten ze om de buit in één keer op te halen, voor hun wel zo gemakkelijk. Dat was de avond dat Arno opnieuw naar het Waddengebied is gegaan. Hij had de pech dat een van de twee mannen die avond ook nog een keer terug ging naar de plek waar ze de lepelaars het laatst gevoerd hadden, omdat ze vermoedden dat ze een spoor hadden achtergelaten en deze man ging dat uitwissen.”
“Een spoor?”
“Ja. Ze misten een van de zakken waar de vergiftigde vis in gezeten had en waren bang dat als de zak gevonden werd, die naar hen terug te herleiden was. De man die terugging trof Arno op de plek aan, met de betreffende zak in zijn handen. Misschien had Arno al een vermoeden gehad en was hij daarom teruggegaan. Hij heeft Arno van achteren aangevallen, weggesleept en later in het water gedumpt. Daarna hebben ze diezelfde avond nog de vogels opgehaald.”
Ze knikte, nog steeds wezenloos. “Weten jullie waar ze hem hebben achtergelaten?”
“Het is een wonder dat hij nog niet gevonden is, misschien is hij ergens onder vast komen te zitten. We gaan natuurlijk opnieuw zoeken en duikers inzetten.”
“Ken ik ze?”
“Nee, dat denk ik niet. Maar wel de hulp die ze gehad hebben bij het openmaken van het depot.”
“Toch niet met de sleutels van Arno?” fluisterde ze en keek hem ontzet aan.
“Maarten Schipper. Hij gaf een sein wanneer ze konden komen en heeft de koeling geopend. Hij beweert dat hij niets met de moord op Arno te maken heeft, dat hij het niet geweten heeft. Hij wilde zichzelf boven verdenking van de diefstal stellen door midden in de nacht naar jullie huis te gaan en zelf te vertellen dat het depot leeggehaald was.”
“En ik heb gedacht dat hij aan Arno twijfelde, dat hij daarom die avond niet naar het politiebureau wilde,” bekende ze en voelde een misselijkmakend gevoel opkomen.
“Hij zit natuurlijk ook vast.”
“Geloof je hem?”
“Ja, hij is een naar, inhalig mannetje maar geen moordenaar.”
Frieda stond op en Alfred begreep de hint, ze wilde alleen zijn.
En dat was ze ook. Helemaal alleen.

Liz Brouwer

Liz werkt al ruim 25 jaar in de arbeidsmarktbemiddeling. Een vak dat spanning, veel leermomenten en vooral veel humor met zich meebrengt, daarom vindt ze het ook al zo lang zo leuk. Als Manager Interim Professionals bij Projob is zij verantwoordelijk voor het opzetten, uitbouwen en beheren van de business unit ZZP. Daarnaast schrijft en schildert ze. Schrijven is altijd een passie van haar geweest, met een voorliefde voor thrillers en kinderboeken. Ze heeft in het verleden een cursus Creatief Schrijven gevolgd en eind van dit jaar komt haar eerste thriller uit bij uitgeverij H&G. Ze schrijft onder de naam Liz Brouwer.



Bezoekersreacties:
nettie gruson (68) op 6 oktober 2013:
Gefeliciteerd met je boek. Mag je trots op zijn. Heb met veel plezier je verhaal Lepelaars gelezen. Ik vind het goed en boeiend geschreven. Ben natuurlijk nu ook benieuwd naar je boek! n Nettie