Uit liefde voor Henrica
Door: Aäron van Dijk op 8 februari 2013

Het doet verschrikkelijk veel pijn. Het vreet aan me. Ik had verwacht dat ik alleen maar rust en vrede zou ervaren, maar niets is minder waar. Van binnen ervaar ik geen rust. De pijn groeit alleen maar. Jarenlang heb ik moeten toezien op de mishandelingen en de vernederingen. Nu is het mijn tijd. Tijd om goed te maken wat zij heeft moeten missen. Zij waar ik zoveel van hou. Als ik naar haar kijk voel ik me trots.

Trots zoals alleen een moeder kan zijn. Trots op wat zij allemaal bereikt heeft. Trots op wie zij is geworden. Een volwassen vrouw die veel pijn heeft gekend, maar ondanks alle vernederingen uitgegroeid is tot een lieve moeder en prachtige vrouw. Een dochter om trots op te zijn. Helaas kan ik het haar niet vertellen. Nog niet, maar ooit komt dat moment dat ik haar weer in mijn armen kan sluiten en haar kan zeggen hoe goed ze het heeft gedaan. Hoe moedig zij zich er doorheen heeft geslagen. Ik kon alleen maar hulpeloos toekijken. Ik kan je vertellen, voor een moeder is dat het ergste wat er is. Het gevoel dat ik haar in de steek heb gelaten. Dat ik haar al die pijn heb bezorgd. Dat gevoel doet zoveel pijn dat het me verscheurt van binnen. Dat is ook de reden dat ik geen rust kan voelen, maar ik ga er wat aan doen. Ik ga mijn rust zoeken en dat kan maar op één manier.
Eindelijk is hij akkoord gegaan met een ontmoeting. Al die tijd dat ik hier nu ben heb ik hem nog nooit gezien. Nu is het dan eindelijk zover. Ik voel me vreselijk zenuwachtig.
Hij zit daar en staart me aan. Ik had hem me heel anders voorgesteld.
Hij knikt naar me. Hij spreekt geen woord en toch begrijp ik meteen dat hij zijn goedkeuring geeft.

Suberbia (hoogmoed)

Ik ben als eerste in het kleine appartement. Ik kijk toe hoe ze ligt te slapen. Een oude, breekbare vrouw. Haar huid gerimpeld en dun. De blauwe, zichtbare aderen onder de witte, porseleinen huid. Ze heeft de aanblik van een antieke pop waarvan het gezicht door de tijd craquelé is geworden. Ik weet dat er in dit oude lichaam een ijskoud hart klopt. Hier ligt een bittere, gemene en meedogenloze vrouw. Enkel en alleen gericht op zichzelf. Het oude gezicht staat zelfs in haar slaap nog arrogant.
Het appartement straalt vroomheid uit. Mariabeeldjes en Onze Lieve Heer aan het kruis. Ze moest eens weten. Voor de buitenwereld was ze heel kerkelijk en godsdienstig, maar van binnen zat de duivel. Is ze de duivel.
Het gevoel komt weer bij me op, de woede die ik voel en de walging. Alles aan dit oude, negenentachtig jarige karkas haat ik vanuit het diepste van mijn ziel.
Ik zet een stap naar achteren en verdwijn in de schaduw van de eikenhouten kast die er staat. Vanuit hier zal ik toekijken. Dan verschijnt Lucifer. Het is nu aan hem.
Ik kijk toe hoe hij zich in haar geest nestelt en haar de ene naar de andere vreselijke nachtmerrie bezorgd. Haar lichaam draait en zweet overmatig. Ik hoop maar dat hij het de vrouw niet te zwaar maakt zodat haar hart het begeeft. Dat zou zonde zijn. We hebben nog zoveel in petto voor haar. De hele nacht blijf ik toe kijken hoe de demon haar het verleden op een presenteerblaadje aanreikt. De herinneringen worden als foto’s in het geheugen gebrand. Nooit mag de vrouw vergeten wat ze haar heeft aangedaan. Hoogmoed komt zeker voor haar val. Jaren heeft ze zich beter gevoeld dan wie ook. Zichzelf verafgood. Ik zie dat ze het zwaar heeft. Mijn nieuwsgierigheid wint het toch. Ik sluit mijn ogen en concentreer me.

We zijn op een slaapkamer. Het meisje zit op bed. Haar schouders schokken. Ze probeert niet te huilen. De pijn duwt haar tranen naar buiten. De oude vrouw staat bij de deur. In haar hand heeft ze een harde, stugge leren riem. De gesp bungelt naar beneden. Een stalen leeuwenkop. De kop ziet rood van het bloed. Ze glimlacht, draait zich om en wandelt de kamer uit. Het hemd van het meisje is rood doorweekt. Haar rug is opengeslagen door de leeuwenkop. Ze moet zich vasthouden aan de houten sponning van het bed om bij bewust zijn te blijven. Dan lijkt er iets in haar te breken. Ze staat op en loopt langzaam, op haar lip bijtend van de pijn, de trap af.
De oude vrouw staat met haar rug naar het raam.
Het meisje hoort hoe vrolijk ze lacht en zwaait naar de kinderen in de tuin. Het kind loopt om de salontafel heen en grijpt de stenen asbak van de tafel en heft deze op. De oude vrouw draait zich om. De glimlach om haar mond verdwijnt en maak plaats voor een arrogante grijns.
‘En wat dacht jij van plan te zijn, meisje,’ klinkt het hoogmoedig.
‘Ik doe het hoor,’ haar stem trilt en haar arm ook.
‘Dat durf je niet, en dan moet je de gevangenis in.’
De vrouw draait zich om en begint hard te lachen.
Langzaam zakt de arm met de stenen asbak. De oude vrouw draait zich met een ruk om en sist: ‘probeer dit nooit meer, het zal je bezuren.’
Haar rimpelige hand speelt met de leren riem.
Ik kan deze vernedering niet langer aanzien. Ik zoek naar de zwarte schaduw die hier ook aanwezig moet zijn. Dan, uit het niets zie ik de schaduw opdoemen. Langzaam zie ik de vorm van het meisje verschijnen. Ze lacht. In haar hand heeft ze een leren riem. Alleen de gesp is driemaal groter. Het is ook een leeuwenkop. Alleen de bek staat in een valse grijns en laat de scherpe tanden zien. De oude vrouw staat nog bij het raam en zwaait weer naar de kinderen buiten. Dan voel ik langs mijn gezicht een windvlaag. De riem slaat door de lucht als een zweep en de leeuwenkop komt met een harde klap op de ruggengraat van de oude vrouw terecht. Ze zakt door haar knieën en kijkt verschrikt achterom. Voordat ze zich realiseert wat er gebeurt voel ik weer die windvlaag en zet de leeuw voor de tweede keer zijn tanden in de rug van de oude vrouw. Ze schreeuwt het uit. De windvlagen volgen elkaar steeds sneller op en elke keer volgt er een schreeuw. Plots stoppen de zweepslagen. De vrouw probeert overeind te komen.
Het meisje, die voor haar staat, houdt de asbak dreigend in de lucht.
‘Ik waarschuw je,’ schreeuwt de oude vrouw wanhopig.
De asbak daalt met een enorme snelheid neer en raak de oude vrouw vol tegen haar slaap.
De schedel kraakt en ze smakt achterover en blijf levenloos liggen.
Ik trek mij terug uit het brein van de oude vrouw.

Ik moet even bijkomen van wat ik net heb gezien. De mishandelingen en vernederingen staan mij nog helder voor de geest. Alleen went het nooit. Hoe heeft deze oude vrouw al die jaren kunnen leven met de verschrikkingen die zij een klein meisje heeft aangedaan?
Ik kan en wil het niet begrijpen. Zoiets mag nooit vergeten worden. Nu is het mijn tijd om haar in haar dromen te laten zien wat zij mijn meisje heeft aangedaan. Dit was de eerste nachtmerrie en er zullen er nog meer volgen.
Ik kijk naar de oude vrouw. Ze beleeft de nachtmerrie keer op keer. Het grijze, dunne haar plakt aan haar broze schedel. Haar hart bonkt in haar borstkas. Ik buk me voorover en fluister in haar oor: ‘jij zult elke avond een beetje sterven, net zoals het meisje elke dag een beetje stierf tijdens haar jeugd die ze bij jou heeft doorgebracht. Dit word je nooit vergeven en dit is nog maar het begin.’
Met deze woorden laat ik haar achter. Mijn woorden zullen blijven door dreunen tot ze wakker wordt.

Avaritia (hebzucht)

Ik ben er weer. Ze slaapt al en ik zie dat het bijna middernacht is. Ze ziet er moe uit. De eerste nacht heeft er flink ingehakt. Het zijn zware nachtmerries geweest. Vanavond is het de beurt aan Mammon, demon van de hebzucht. Ik mag weer meekijken in haar hoofd als hij zijn beelden op haar los laat. Ik weet wel wat er gaat komen. Ik heb haar eigen tirade op het kleine, lieve meisje jaren kunnen volgen, zonder in te kunnen grijpen.
En nu is het mijn beurt.
Ik kniel naast het bed neer en bekijk haar nogmaals. Er gaat een rilling door me heen. Het is ook die geur hier. Een typische geur voor het bejaardentehuis waar zij haar dagen nu slijt. Het maakt me misselijk. Terwijl deze geur nog in mijn neus hangt merk ik dat hij wordt verdrongen door een andere geur: zwavel. Het is zover. Mammon is hier. Ik sluit mijn ogen en concentreer me. De zwavelgeur verdwijnt.
Op mijn gezichtsveld verschijnt het kleine meisje.
Ze ligt in bed en huilt. Naast het bed staat de jongere versie van de oude vrouw. Ze heeft een valse grimas op haar gezicht. Ze schreeuwt en scheldt. Haar hand komt met een suis neer op de wang van het kleine meisje. Ze durft niet nog harder te huilen. Bang. Bang voor nog een klap. Ze is doodsbang en wil het liefste wegkruipen. Ik voel zoveel medelijden en woede in me ontstaan. Tranen rollen over mijn wangen. Ik kan het niet langer aanzien. In mijn hoofd schreeuw ik om Mammon.
Dan zie ik het kleine meisje veranderen in de oude vrouw. En zij ligt nu in elkaar gekropen op het bed en huilt. Naast het bed staat nu een grote versie van het kleine meisje. Zij toornt hoog boven het bed uit en laat haar hand suizen tot het meerdere malen met een smak op het broze gezicht van de oude vrouw neerkomt. Mijn tranen drogen op. Nu zal zij ervaren wat het is om machteloos te zijn, en vreselijk bang. Ze huilt onafgebroken. Het roept geen meelij in me op.
Mammon is op dreef en brengt de volgende beelden het hoofd van de oude vrouw binnen. We staan boven aan een trap. Een trap in een gang van het ouderlijk huis van het kleine meisje. Ze hoort haar vader aan het werk in de schuur. Dan plots verschijnt de oude vrouw achter haar.
‘Nieuwe kleren voor jou? Die verdien jij niet. Ik geef me geld niet uit aan een kind als jij.’
Ze haalt uit en duwt het kleine meisje met een harde zet van de trap. Wederom voel ik de tranen van woede achter mijn ogen prikken. Voor ze echt valt en de trap raakt komt hij in actie. De rollen worden weer omgedraaid. Met een smak komt het hoofd van de oude vrouw op een traptrede terecht en haar schedel kraakt. De valt duurt voort, botten en wervels breken als luciferhoutjes. Het kleine meisje staat boven aan de trap en kijkt de vallende oude vrouw na. De trapt is eindeloos lang. De oude vrouw gilt en kermt bij elke smak die ze maakt. De pijn moet ondraaglijk zijn. Net zo ondragelijk zoals dit voor het kleine meisje was.
Ik trek mij terug uit de macht van Mammon.
Ik ben weer terug in de kamer. De geur van zwavel hangt weer in mijn neus. Het oude lichaam gaat hevig op en neer. Ik weet dat de nachtmerrie voor haar nog niet ten einde is. Haar gevoel van machteloosheid zal alleen maar sterker worden. Ik verlaat het appartement en laat de oude vrouw worstelend met de afschuwelijk beelden achter.

Luxeria (lust)

Ik ben later dan normaal.
Als ik de kamer binnenkom herken ik meteen de penetrante zwavelgeur. Asmodeus is er al. Hij staat voorover gebogen over het oude broze lichaam. Zijn inktzwarte lippen raken die van haar. Zijn zwartgeblakerde tong duwt hij ruw in haar mond. Zijn handen betasten het breekbare lijf. Hij gaat boven op haar liggen en dringt haar geest binnen. Daar zal hij zijn zieke geest botvieren op haar herinneringen. Vanavond heb ik geen behoefte om deel te nemen aan de herinneringen die haar worden opgedrongen in haar slaap.
Ik ken haar hele levensverhaal. Ik loop wat rond door het appartement en bekijk de foto’s die verspreid staan. Nergens een foto van het kleine meisje.
Ik moet mij inhouden. Ik voel een enorme woede opkomen. Ik draai mij om en zie hoe het zweet op haar voorhoofd staat. Ze heeft zware nachtmerries. Ik hoop dat hij haar geest heel erg vertroebelt.
Dat ze dementerend is helpt alleen maar in deze fase. De aftakeling is nu echt begonnen. De geestelijke klappen worden steeds zwaarder om te verwerken. Ze moet het nog even volhouden. De zware slag moet nog komen en daar wil ik zeker bij zijn. Haar lichaam begint heviger te transpireren. Zweetplekken worden zichtbaar in de lakens. Ze ademt zwaar.
Ik ga rustig naast haar op de rand van het bed zitten. Uren verstrijken. Asmodeus maakt er echt werk van.
Als het al bijna licht begint te worden zie ik zijn zwarte gedaante van het bed omhoog komen. De sterke zwavelgeur vult de hele kamer.
Zonder iets te zeggen verdwijnt hij. Ik blijf achter. Ik buig mij voorover en fluister in haar oor: ‘dat het maar nooit vergeten mag worden, en vergeven zal ik het je nooit.’

Invidia (jaloezie)

Het kleine meisje huilt. Haar knieën doen zeer. Haar spieren branden en haar botten doen pijn. Ze zit hier nu al uren. Ze kijkt omhoog. Haar vrome handjes gevouwen. Boven haar uit toornt het beeld van de Heilige Maria. Ze bidt alleen maar dat deze straf snel voorbij zal zijn. Haar benen beginnen te trillen en langzaam laat ze haar kleine achterste rusten op haar voeten. De pijn schiet als een giftige slangenbeet langs haar ruggengraat. De leren riem trekt een rode striem. De pijn is ondragelijk. Ze slikt een harde snik weg. Snel komt ze overeind en gaat weer recht zitten. Haar knieën protesteren meteen als het gewicht op de knieschijven drukt. Nog voor ze achterover leunt, volgt er een nieuwe striem op haar kleine ruggetje.
‘Blijf zitten,’ gilt de oude vrouw.
In de deuropening staan twee meisjes te kijken. Ze gniffelen bij het zien van de tranen van het kleine meisje.
‘Nu is je vader er niet om je te beschermen, leugenachtig kreng.’
De meisjes in de deuropening kunnen hun lachen niet meer inhouden. Het kleine meisje wil haar tranen niet laten zien, maar de striemen branden zo.
Ze bidt nu tot het beeld, en hoopt dat Maria hier een eind aan maakt. Dan klinkt er plots een schreeuw en glasgerinkel. Haar vader staat voor haar en het Maria beeld ligt in stukken op de grond. De oude vrouw staat als aan de grond genageld. Haar vader tilt haar op.
‘Kom liefje, we gaan.’
Als ik naar deze man kijk voel ik weer zoveel liefde. Hij is de man met wie ik oud wilde worden maar het mocht niet zo zijn. De vader van mijn dochtertje. Mijn grote liefde. Ik concentreer me weer op de nachtmerrie. Ze ligt inmiddels in de armen van haar vader.
De ogen van de oude vrouw spuwen vuur.
Ze ziet groen van jaloezie. De band tussen het meisje en haar vader is sterk. Te sterk voor de oude vrouw.
Ze weet dat dit nog maar het begin is. Haar vader zal er niet de hele dag zijn. Deze striemen genezen, maar die in haar ziel nooit meer.
Ik voel walging. Ik voel me misselijk. Waar blijft Leviathan?
Dan valt er een zwarte sluier over de herinnering.
Weer zit het kleine meisje op haar knietjes voor het Maria beeld. Haar kleine lichaampje schokt. Ik voel zoveel meelij. Dan hoor ik een hoog gelach van kinderen. Ik draai me om naar de deur maar de twee andere meisjes staan er niet. Het gelach komt van het kleine meisje. Haar lichaampje schokt ervan. Haar vader komt binnengelopen en aait haar over haar kleine hoofdje. Hij volgt haar blik en begint ook onophoudelijk te lachen.
Het Mariabeeld heeft het gezicht van de oude vrouw. Alleen het gezicht is menselijk, verder is ze van breekbaar porselein. Ze kan alleen maar toekijken hoeveel plezier vader en dochter met elkaar hebben. Ze kookt van woede. Haar ogen branden van kwaadheid.
Dan staat het meisje op. Haar vader kust haar voorhoofd en geeft haar en bemoedigend knikje. Ze pakt het beeld op en kijkt de oude vrouw recht in de ogen. Het meisje glimlacht en met een ferme zwaai gooit ze het beeld kapot. Het lichaam van de oude vrouw spat uit elkaar. Overal liggen rode, bloederige scherven. Het gezicht is nog een geheel. De vader neemt het kleine meisje in zijn armen en geeft haar een kus op haar wang.
‘Goed gedaan, lieverd.’

Gula (vraatzucht)

Het gezin is bijna compleet. Alleen de vader ontbreekt. Het is etenstijd en er staan volle pannen op tafel. De oude vrouw zit aan het hoofd van de tafel. Haar drie dochters zitten rechts van haar en haar stiefzoon zit aan de linkerkant. Alle vijf de borden zijn goed gevuld. Het zesde bord is leeg. Ook de stoel is leeg. Het kleine meisje zit niet aan tafel. De oude vrouw vouwt haar handen en begint te bidden. De kinderen vouwen hun handen ook en bidden met haar mee. Ik wil weg uit deze herinnering. Ik kan het niet meer aan. Hoe durft zij Hem aan te roepen?

Ik ben weer terug in het appartement. De lucht van rotte eieren dringt mijn neus in. Beëlzebub is binnen. Er gaat een rilling over mijn rug. Ik weet waartoe hij in staat is. Zijn invloed is gruwelijk. Ik sluit mijn ogen en laat me meevoeren. Ik sta onderaan een trap. Ik hoor gesnik. Ik loop de trap op en vind het kleine meisje in de slaapkamer. Het kamertje is leeg. Er is geen speelgoed te bekennen. Haar gehuil is hartverscheurend. Ze is moe en heeft honger. Dit is de vierde avond op rij dat ze zonder eten naar bed is gestuurd. Ze heeft zo haar best gedaan vandaag. Alle klusjes gedaan die haar zijn opgedragen, en nog was ze weer niet welkom aan tafel. Ze voelt zich zwak. Ik wil haar zo graag troosten. Een arm om haar heen slaan. Haar dicht tegen me aandrukken. Haar mijn liefde geven. Ik heb moeite om mijn tranen te bedwingen. Weer voel ik die boosheid in mij opkomen. Dan voel ik de duisternis binnen komen. Het gaat beginnen. Ik spoed mij naar beneden. De pannen zijn nog steeds overvol. De oude vrouw zit nog steeds aan het hoofd van de tafel. Alle andere stoelen zijn leeg. Beëlzebub heeft de vorm van het kleine meisje aangenomen en staat naast de oude vrouw met een pollepel in haar hand. De oude vrouw zit vast op haar stoel en heeft een klem in haar mond die haar belet haar mond te sluiten. De pollepel verdwijnt in een kokend hete pan met soep. De volle lepel wordt met een teug leeggeschonken in de openstaande mond. De oude vrouw gilt. De hete soep verdwijnt in haar slokdarm. Lepel na lepel, totdat de pan leeg is. De mond van de oude vrouw zit onder de blaren. Haar lippen zijn gebarsten en er loopt bloed uit haar verhemelte en de tong is rood verbrand en geschilferd.
Het meisje kijkt haar aan en glimlacht.
‘Tijd voor de hoofdschotel.’
Hutspot met worst. De aardappelen zijn ongekookt, evenals de wortel. Het meisje duwt met kracht de aardappelen in de mond. De oude vrouw schreeuwt het uit. De wortelen worden horizontaal naar binnen geduwd. De mondhoeken scheuren daardoor pijnlijk in en bloed loopt over haar kin op het witte tafellaken. De worst bestaat uit rauwe varkensdarmen. De vrouw begint te jammeren, maar hij/zij kent geen genade. De bloederige, vleesmassa wordt zonder pardon door de slokdarm geduwd.
‘Tijd voor het toetje.’
Er staan drie kratten op tafel.
‘Dit zijn niet de perziken die je voor jezelf onder je bed bewaart.’   
Het meisje begint hard te lachen. Ze trekt de deksels van de kratten.
De weeïge geur van rotte perziken vult de kamer. Ze pakt een perzik in haar kleine handje. Het rotte sap loopt over haar handen. Ze duwt de perzik in de met blaren gevulde mond. De perzik valt uit elkaar. De oude vrouw is te zwak om te gillen. Haar mond is gevuld met maden. Ze krioelen over elkaar. De vrouw moet slikken om niet te stikken. Gelijk wordt de volgende perzik haar mond in geduwd.
Voor mij is het genoeg geweest. Ik sluit mijn ogen weer en sta naast het bed. Ik zie hoe zwaar ze het heeft. Haar borst gaat snel op en neer en ze kreunt in haar slaap.
Ik vertrek met een glimlach op mijn gezicht.


Acedia (luiheid)

Het valt me zwaarder dan ik had gedacht. Het verleden elke keer opnieuw te moeten aanzien, maar ik weet dat het einde nadert. Het zal niet lang meer duren. Ik wacht op de gang. Dan hoor ik door de dichte deur het gesnurk. Ze slaapt. Het is donker binnen. De gordijnen zijn dicht. Ik ga zitten in de stoel aan de andere kant van de kamer en kan haar zien liggen in bed. Ze ligt op haar rug. Haar mond is half geopend. Er loopt een straaltje kwijl via haar mondhoek haar nek in. Het grijze dunne haar ligt plat op haar schedel. Ze slaapt onrustig. Ze droomt.
Ik sluit mijn ogen.
Het sneeuwt.
Het kleine meisje staat in de achtertuin. Er staat een stalen emmer gevuld met water. De bovenste laag is bevroren. Door het ijs kan je de vuile luiers zien. Het meisje slaat met haar handen het ijs kapot en begint de bevuilde luiers uit te spoelen. Binnen enkele seconden verdwijnt het gevoel uit haar vingers. Haar spieren in haar hand schreeuwen het uit van de kou. De botten lijken met het water te zijn mee bevroren. Haar handen zien blauw. Ze huilt. Er rollen tranen over haar wangen. Voordat ze haar kin bereiken bevriezen ze. Ze is zo moe. Ze heeft vanmorgen al kolen gebikt en haar halfzusjes verzorgt. Schoongemaakt, boodschappen gedaan en nu ook nog deze luiers uitwassen. Ze heeft vaak gebeden. Waarom moet een kind dit lot ondergaan?
Waarom mogen de andere kinderen alles en zij niets? Met Sinterklaas nog geen simpel popje. Haar zusje heeft een schuur vol. En wat krijgt zij, een naaietuitje. Zo kan ze zich nuttig maken. Haar handen zijn geheel gevoelloos. De pijn is te verdragen, maar de pijn in haar hart neemt nooit meer af en zwelt alleen maar aan. Weer voel ik die machteloosheid.
‘Nu Belfagor.’ schreeuw ik in mijn hoofd.
Vanachter uit de tuin zie ik een donkere gedaante aankomen. Langzaam begint de tuin te draaien, steeds sneller. Dan komt de tuin met een klap tot stilstand. Voor me staat de oude vrouw. Alleen gekleed in een dun zomerjurkje. De sneeuw reikt tot aan haar enkels. Ze draagt niets aan haar voeten. Ze staat voorover gebogen met haar handen in de emmer. Het lijkt wel of haar armen bij haar polsen ophouden. Dan kijk ik nog eens goed en zie dat haar handen in het ijs vastgevroren zitten. Ze probeert met alle kracht haar handen los te krijgen. Ze vloekt en tiert.
Het meisje staart naar haar vanachter het raam. Het is lekker warm binnen. Langzaam komt er beweging in het ijs.
De oude vrouw schudt met haar armen en het ijs lijkt los te komen. Met een ruk trekt ze haar handen uit het ijs. Ze slaakt een zucht. Onder haar jurk kleurt de sneeuw langzaam rood. Rond haar voeten smelt de sneeuw weg. Haar voeten kleuren licht rood. Er vallen meer rode druppels. Ze kijkt naar beneden. Haar handen zijn rood gekleurd. Ze kijkt in de emmer. De aanblik is vreemd. Er liggen twee handschoenen in. Compleet met vingers en nagels. Ze bekijkt haar handen en begint hysterisch te schreeuwen. De spieren en pezen liggen bloot. Ze heeft letterlijk het vel van haar handen gescheurd.
Het meisje glimlacht, haar twee poppen onder de arm geklemd.

Ira (woede)

Ik krijg een akelig gevoel bij dit gebouw. Een gebouw vol ellende en verdriet, heimwee en nostalgie. De greep van het verleden hangt als een benauwde deken over de bewoners. Dit is het laatste eindstation voordat het eeuwige einde begint. De wachtkamer van de dood.
Ik loop door de gang van een bejaardentehuis. Niet zomaar een bejaardentehuis, maar het tehuis waar zij sinds een aantal jaar woont. Zij die mij alleen maar verdriet heeft gebracht. Zodra ik een stap over de drempel zet krijg ik dat akelige gevoel. Het gevoel van woede, haat en walging. En dan is er ook nog die geur. Die walgelijke geur. Ik moet mijn best doen om niet misselijk te worden. Zusters lopen me voorbij.
Er staat een demente vrouw de gang te vegen met een onzichtbare bezem en brabbelt dat het erf zo rommelig is. Ze leeft totaal in haar eigen, denkbeeldige wereld. Dan sta ik voor de deur van haar kamer. Het is tijd. Tijd om de laatste slag toe te brengen.

Het is druk in de kamer. Ik herken de gezichten van de foto’s die verspreid staan in het kleine appartement. Een voor een vertrekken ze. Ik blijf achter met de oude vrouw. Ze zit op de rand van haar bed. Ze ziet er moe en broos uit. Ik weet wat haar te wachten staat. Meelij voel ik niet voor haar. Het is tijd om mezelf kenbaar te maken.
‘Angela,’ zeg ik met luide stem.
Ze schrikt op. Ze kijkt het appartement rond. Op zoek naar waar mijn stem vandaan komt.
‘Angela. Aan de buitenkant van goede wil, aan de binnenkant koud en kil.’
Ik zie nu de angst in haar ogen.
‘Wie ben jij?’
Ze klinkt angstig en benauwd. Ik probeer mijn lach in te houden.
‘Wie bent u?’
In haar stem klinkt nederigheid.
‘Wat wilt u van me?’
Ik begin me te irriteren aan haar houding.
‘Berouw,’ zeg ik hard.
Ze laat haar hoofd hangen, maar zegt geen woord.
‘Ze was pas drie jaar. Een klein, lief, onschuldig meisje.’
Ik zwijg en moet slikken. Ik ben mijn woede bijna niet meer de baas.
‘Een klein kind zonder moeder. Wanhopig op zoek naar liefde en aandacht, maar wat bracht jij haar? Woede, vrees, angst en duisternis. Jij brengt een smet over het woord moederschap. Je loog, bedroog, sloeg en vernederde haar. Alleen voor je eigen plezier.’
‘Wat wil je?’
De nederigheid is verdwenen. Ze is niet bang meer.
‘Wie ben jij?’
Dan stap ik uit de schaduw en laat mezelf aan haar zien.
Ze schrikt.
Ik ga vlak voor haar staan, en kijk op haar neer.
Ik kijk haar recht in de ogen.
Haar ogen stralen iets kouds uit. Er zit geen gevoel in.
Het oude, gebroken lijf. De vermoeiende waterige ogen. Het dunne, grijsblauwe haar.
Dan dringt het tot haar door.
‘Dit kan niet, dit is onmogelijk.’
Ze rilt. De angst is terug.
‘Jij bent dood,’ schreeuwt ze.
Ik kijk haar strak aan.
‘Jij hebt mijn kleine meisje zoveel pijn en verdriet gedaan. Ik dacht toen ik stierf dat ik rust zou vinden. Die rust was van korte duur. Ik gunde mijn man zijn geluk toen hij met jouw trouwde. Ik hoopte dat mijn dochtertje in goede handen was, maar al gauw kwam ik erachter wat voor monster je eigenlijk bent. Lijdzaam heb ik het al die jaren moeten aanzien. Nu is het jouw beurt om te lijden.’
Ze slikt en kijkt me vol angst aan.
‘Al jouw gebeden zijn nooit verhoord. Jij bidt alleen voor het vertoon, niet uit je hart. Je bent veroordeeld vanuit de zeven hoofdzonden en dit is de laatste. Woede. Jij handelde altijd uit woede.’
Ze is nu bijna hysterisch. Ze schreeuwt.
‘Jij bent dood. Dood, zeg ik.’
‘Net als jij,’antwoord ik.
’Kijk maar achter je op bed.’
Ze schrikt en draait haar hoofd met een ruk om.
Achter haar op bed ligt haar oude dode lichaam. Ze slaakt een gil.
‘Het is tijd om te gaan,’ zeg ik en draai me om.
Langs mij heen schiet een zwarte schaduw.
De demon van de hoofdzonde Woede is er. De ergste van allemaal. De heer van de duisternis zelf.
Satan.
Ik wil zijn aanblik niet zien. Ik draai mijn rug naar haar toe. Achter me hoor ik haar gillen en krijsen. Het gaat door merg en been, maar nog steeds voel ik geen medelijden. Dan plots is het stil.
Ik ben alleen in het appartement. Ik ga op de rand van het bed zitten naast het dode lichaam.
De lucht voelt zwaar aan in het kleine vertrek. Er hangt een zware geur van zwavel, maar bovenal van de dood.
Ik kijk omhoog en sluit mijn ogen.

Als ik ze open doe is alles weer stralend wit. Ik ben weer terug. Er heerst rust en vrede.
Heb ik er goed aan gedaan? Ik heb er geen spijt van. Ik deed het voor haar.
Voor mijn lieve dochter.
Ik deed het uit liefde voor Henrica.
‘Het is goed.’
Zijn stem kalmeert me.
Ik moet aan de eerste nacht denken. Er verschijnt vanzelf een glimlach op mijn gezicht.
Hoogmoed komt voor de val.

Aäron van Dijk

Aäron van Dijk werkt bij een grote uitgeverij op de klantenservice. In zijn vrije tijd schrijft hij graag korte verhalen en dan met name thrillers. In december 2010 verscheen de bundel De foute priester met daarin zijn korte verhaal Liefhebben. Eerder schreef hij de Quillers Uitzending gemist en De eeuwige geloften.



Bezoekersreacties:
Samantha (25) op 26 augustus 2013:
Zo aangrijpend! Super geschreven Aaron! Ik zat echt helemaal in het verhaal! Op naar een boek??

Monique (49) op 11 februari 2013:
Wat een aangrijpend verhaal zeg

Anja (50) op 9 februari 2013:
Vanaf de eerste zin kreeg ik een beklemmend en angstig gevoel en aan het einde dacht ik...lekker puh... Top verhaal.

hennie (65) op 9 februari 2013:
heel aan grjpend jij weet wel waarom