Fout bericht
Door: Kasper Kombrink op 5 juni 2010

Als Vera den Hartog uit de auto stapt, kijkt ze op haar horloge. Twintig voor zeven. Ze is laat vandaag. De dagelijkse file was langer dan anders. Maar goed dat ze in de middagpauze even bij de Albert Heijn is geweest, nu kan ze meteen met het eten beginnen.
Terwijl ze de hal van het appartementencomplex binnenloopt, hoort ze uit haar tas het sms-toontje van haar mobieltje. Vast van Guido. Hij blijft het proberen.
Eenmaal in haar flat, zet ze de tas met boodschappen in de keuken. Even lekker zitten. Ze pakt de wijnfles die nog op het aanrecht staat van gisteravond. José, haar vriendin, is op bezoek geweest. Samen hebben ze bijna twee flessen rode wijn gedronken. En dat op een doordeweekse avond. Ze houdt de fles tegen het licht. Zou er nog een glaasje inzitten? Ze pakt een glas en schenkt het laatste restje in.
Pas als ze haar laarzen heeft uitgetrokken en met opgetrokken benen op de bank zit, denkt ze weer aan het sms’je. Ze buigt zich naar voren om haar mobieltje van de tafel te pakken.
Nieuw bericht, staat er op het schermpje. En een 06-nummer. Dus niet van een van haar contacten. Ook niet van Guido, denkt ze opgelucht.
Ze klikt op Lezen. Haar adem stokt.
Je hebt je niet aan je woord gehouden. Neem contact op met me. Spoed! Ga niet naar de politie, anders gaat het met jou net als met Judith. Badboy
Hier begrijpt Vera helemaal niets van. Zij zou zich niet aan haar woord hebben gehouden? En wie is Judith? Ze kent helemaal geen Judith. Laat staan dat ze iemand kent die zich Badboy noemt. Wil iemand een grap met haar uithalen? Of is het misschien toch serieus bedoeld?
Een onprettig gevoel bekruipt haar. Totdat ze zich realiseert dat dit berichtje niet voor haar bestemd kan zijn. De verzender moet zich in het nummer vergist hebben. Maar dat neemt niet weg dat er kennelijk iemand bedreigd wordt. En daarvan niet op de hoogte is. Vera vraagt zich af wat ze moet doen. De politie waarschuwen? Maar stel dat het toch om een grap gaat? En zo niet, zou ze dan degene die het berichtje had moeten ontvangen, daarmee niet in gevaar brengen?
Het laat haar niet los. Nadat ze heeft gegeten en de vaatwasser ingeruimd, maakt ze een kop koffie en gaat aan haar bureautje zitten. Ze schrijft haar mobiele nummer op een velletje papier: 06 35 67 89 25. Hoe zou de verzender zich vergist kunnen hebben? Misschien twee cijfers omgedraaid bij het intoetsen? Dus in plaats van 35, 53. De eerste twee cijfers (06) zijn goed. Dus er zijn 7 mogelijkheden om twee naast elkaar liggende cijfers om te draaien. Als ze nu die 7 nummers eens een sms’je stuurt?
Maar als ze nog een poosje naar haar nummer zit te kijken, bedenkt ze dat het ook anders kan zijn gegaan. Een van de cijfers is wellicht fout ingetoetst. En dan zijn er 8 maal 9, dus 72 mogelijkheden. Ze zou dan 79 sms’jes moeten verzenden. En wat zou de tekst moeten zijn? Ze besluit de zaak voorlopig te laten rusten. Hoe onbevredigend ook.

Drie dagen later ontvangt Vera opnieuw een sms’je:
Katja, nu heel snel reageren. Zo niet: R.I.P. Badboy
Vera is nu enigszins gerustgesteld. Het sms’je is inderdaad niet voor haar bestemd. Toch zit het haar niet lekker. Ene Katja moet reageren. Zo niet, dan loopt het slecht met haar af. Maar die vrouw weet van niets, dus reageert ze niet. En Vera kan niets doen om die Katja te waarschuwen. Toch de politie inschakelen? Maar meteen bedenkt ze dat ze daar Katja waarschijnlijk niet mee helpt.

Na twee dagen komt het volgende bericht:
Katja van Eijck, als je denkt dat ik bluf, heb je het mis. Badboy
Ha, eindelijk de volledige naam. Vera start haar laptop. Op detelefoongids.nl toetst ze Katja van Eijck in. Ze vindt een drietal personen met de naam K. van Eijck. Ze besluit ze te bellen met een smoes. Het blijkt om een Karel, een Karin en een Kevin te gaan. Geen Katja dus.
Vervolgens probeert ze de naam te Googlen. Maar ook dat levert niets op.
Vera voelt zich machteloos. Er staat misschien iets heel ergs te gebeuren, waarvan zij op de hoogte is. En ze kan niets doen. Hoe graag ze ook zou willen.

Badboy pakt het lijstje erbij. Het is weer tijd om een sms’je te verzenden. Naast de tekst, die nu wel heel erg dreigend is, meteen ook maar het huisadres van het slachtoffer toevoegen. En haar foto.
Net als bij het verzenden van de vorige sms’jes, is er weer die twijfel. Wát als het slachtoffer naar de politie gaat? Maar ach, wat kan er gebeuren? De berichtjes worden gestuurd vanaf een anonieme prepaid telefoon, dus de identiteit van de verzender is niet te achterhalen. En gezien de toon van de vorige berichtjes zal ze het wel uit haar hoofd laten. Ze kent de gevolgen. Haar zal dan hetzelfde overkomen als die Judith. Ze moest eens weten dat er helemaal geen Judith is. Nog niet. En het adres in dit laatste sms’je, daar kan de politie ook niets mee. Mochten ze er gaan kijken, zal de vrouw gewoon opendoen. En van niets weten, daarvan is Badboy overtuigd.
Na het berichtje nogmaals te hebben doorgelezen, drukt Badboy op ‘Verzend’. Het slachtoffer zal opnieuw schrikken, dat kan niet anders.
Nu nog een volgend vinkje achter het 06 nummer op het lijstje. In de voorlaatste kolom alweer.
Na het laatste vinkje zal alles achter de rug zijn. Tenminste, met dit slachtoffer. Degene die daarna de geluksvogel is, heeft inmiddels ook al de nodige vinkjes achter haar nummer staan. Eerst deze maar afwerken, daarna volgen de anderen. Badboy wrijft zich in de handen. Over een tijdje, als de hele lijst is afgewerkt, volgt eindelijk voldoening. En rust.

De volgende morgen, Vera is net op haar werk:
Katja van Eijck, ik geef je nog 24 uur. Dan bezoek ik je: van Rooyensingel 238, Amersfoort. Hierbij jouw foto. Zo zie je er nu nog uit. Daarna niet meer. Badboy
De foto toont een jonge vrouw met kort donker haar. Zo ziet Katja van Eijck er dus uit. En Vera kent haar adres nu. Opgelucht dat ze eindelijk iets kan doen, loopt ze naar haar chef. Ze wil graag vrij vandaag. Zojuist kreeg ze een telefoontje dat haar moeder is gevallen en met spoed naar het ziekenhuis moet. Haar chef heeft er gelukkig alle begrip voor.
Nu snel terug naar Amersfoort. Hopelijk zijn de files inmiddels opgelost.
Bij een benzinestation verlaat ze de A28 om een paar flesjes water te kopen. Terug in de auto pakt ze haar mobiel uit de tas en leest het berichtje nog eens. Ze begint te twijfelen of ze hier wel goed aan doet. Waar bemoeit ze zich eigenlijk mee? Het gaat haar toch niet aan? Misschien loopt ze zelf een groot risico. Maar aan de andere kant: stel dat die vrouw iets overkomt. Vera zal het zichzelf nooit vergeven. Ze besluit door te zetten. Wie A zegt, moet ook B zeggen.
Dan bekijkt ze de meegezonden foto nog eens goed. Ze heeft daarbij hetzelfde gevoel als daarnet op kantoor: het gezicht komt haar vaag bekend voor. Ze moet die vrouw eerder gezien hebben. Het korte donkere haar, maar vooral de ogen. Die zijn niet helemaal symmetrisch. Niet storend. Integendeel, het geeft het gezicht iets sensueels. Heeft ze de vrouw ergens ontmoet? Bij een vriendin? Of zakelijk? In de kroeg misschien? Ze kan het zich niet voor de geest halen.

Een paar honderd meter voorbij het bewuste adres vindt Vera een parkeerplek. Het huis dat ze zoekt, blijkt deel uit te maken van een appartementencomplex. In de hal staat bij nummer 238: Katja van Eijck. Vera knikt tevreden.
Nadat ze heeft gebeld, klinkt een vrouwenstem: ‘Wie daar?’
‘Vera den Hartog. Ik wil u graag even spreken.’
‘Waar gaat het over?’
‘Dat vertel ik u liever persoonlijk.’
‘Okay, kom maar boven. Derde verdieping.’ Op hetzelfde moment klinkt de zoemer van de deur.
Als Vera de lift uitstapt, herkent ze de vrouw met de tuinbroek, die in de deuropening staat meteen van de foto. Ze is groot en fors gebouwd. Een atletisch lichaam. Duidelijk iemand die regelmatig de sportschool bezoekt.
‘Vera den Hartog,’ zegt ze.
‘Katja van Eijck.’
‘Ik kom u waarschuwen.’
‘Mij waarschuwen?’
Juist als Vera begint te vertellen, gaat de deur van het aangrenzende appartement open. Een oudere dame met rollator komt naar buiten. Katja groet haar vriendelijk en zegt dan zachtjes tegen Vera: ‘Kom even binnen.’
Nadat ze in de woonkamer hebben plaatsgenomen, vraagt Katja nogmaals: ‘Dus je komt me waarschuwen? Hoezo? Waarvoor?’ Vera vertelt haar verhaal en laat Katja de sms’jes zien. Op dat moment gaat er een schok door haar heen. Opeens weet ze wie Katja is. Ze herkent haar door het lichte Brabantse accent. Ze begrijpt nu hoe die vrouw aan haar 06 nummer is gekomen. Het is helemaal geen vergissing. Er wordt een spelletje met haar gespeeld. Ze is hier gewoon naar toe gelokt. Door die Badboy. Om wat voor reden dan ook. En Katja speelt met hem onder één hoedje. Fungeert als lokaas. Het zweet breekt Vera uit. In paniek vliegt ze overeind van de bank en rent naar de deur. Ze moet hier weg, naar buiten!

Roel rijdt de auto het parkeerterrein op.
‘Het is nog niet druk,’ zegt Gerard, terwijl hij op zijn horloge kijkt. ‘We zijn vroeg, het is nog geen vijf uur.’
‘Dan hebben we een lange dag,’ bromt Roel, terwijl hij zijn auto achteruit de parkeerplaats indraait.
‘Altijd in de direct-rij-weg-stand hè?’ lacht Gerard.
Roel gaat er niet op in. ‘Eerst maar koffie?’ vraagt hij.
‘Natuurlijk, wacht maar, ik pak het wel even.’
Gerard stapt uit de auto en opent de kofferbak. Uit zijn rugzak haalt hij de thermoskan, plastic bekers, roerstokjes, melk en suiker.
Terwijl hij instapt, kijkt hij in de richting van de rivier, honderd meter verderop.
‘Zo te zien is ons stekkie nog vrij.’
‘Snel opdrinken dan,’ zegt Roel.
Nadat ze hun laarzen hebben aangetrokken, lopen de twee mannen met de hengelattributen over het smalle drassige pad dat vanaf het parkeerterrein naar de rivier leidt. Gerard is als eerste bij hun favoriete stek. Als door de bliksem getroffen, draait hij zich om. Zijn gezicht is spierwit. ‘Roel, daar ligt iemand. Een vrouw. Haar hoofd in het water. En er is bloed. Veel bloed.’
Roel drukt hem opzij en loopt naar de plek. Meteen draait hij zich om. Zijn maag keert zich binnenstebuiten. ‘Ik wil hier weg,’ roept Gerard. ‘We zoeken een andere stek.’
‘Ben je helemaal bedonderd,’ schreeuwt Roel. ‘Wie denkt er nu nog aan vissen? Daar ligt een dode vrouw!’
Gerard schrikt van Roels reactie. ‘Je hebt gelijk,’ stamelt hij. ‘We moeten 112 bellen. Ik wil hier geen minuut langer blijven.’
Binnen een kwartier is het een en al bedrijvigheid op het parkeerterrein. Eerst kwam er een motoragent, onmiddellijk gevolgd door twee politieauto’s en een politiebusje. Allen met loeiende sirenes en blauwe zwaailichten. Daarna een ambulance en een arts.
Alle vissers moeten zich verzamelen op het parkeerterrein, waarna de toegangspaden naar de rivier met rood-witte linten worden afgesloten. Ook het deel van het parkeerterrein waar de ambulance en de politieauto’s staan wordt tot verboden terrein verklaard.
Een vrouw van middelbare leeftijd toont haar politielegitimatiebewijs. ‘Mijn naam is Atsma en dit,’ zegt ze terwijl ze naar de jonge man naast haar wijst, ‘is mijn collega Vermeulen. Wie van u heeft 112 gebeld?’
‘Dat waren wij,’ antwoordt Gerard.
‘Loopt u even mee naar het politiebusje voor het afleggen van een verklaring.’
Roel en Gerard vertellen dat ze hier regelmatig komen om te vissen. Dat hun favoriete stek nog vrij was vanochtend. En over de verschrikkelijke vondst die ze daar deden.
‘Is u verder nog iets opgevallen, toen u hier vanochtend arriveerde?’ vraagt Vermeulen.
‘Nee, niets bijzonders,’ zegt Gerard. ‘Toen we aankwamen was het nog vrij rustig. Er stonden niet meer dan tien auto’s, schat ik zo. Her en der zag je vissers aan de waterkant zitten.’
‘Heeft u auto’s het parkeerterrein zien verlaten?’
‘Het is mij niet opgevallen. Jou, Roel?’
‘Nee,’ zegt Roel. ‘Tenminste niet toen wij nog in de auto koffie zaten te drinken.’
‘Op het pad naar de rivier ook niemand tegengekomen?’ vraagt Atsma.
‘Niemand.’
‘Dan denk ik dat we klaar zijn. Als we van u beiden nog even het adres en telefoonnummer mogen noteren, voor het geval we later vragen mogen hebben, dan kunt u wat ons betreft gaan.’
Dat doen ze maar al te graag. Ze hebben de schrik flink in de benen. Aan vissen denken ze niet meer.

Beide rechercheurs kijken toe terwijl de arts het lichaam onderwerpt aan een snel onderzoek. De vrouw ligt op haar buik. Het grootste deel van het lichaam ligt op het droge, het hoofd hangt in het water. Het korte blonde kapsel zit vol bloed.
Terwijl de arts zijn plastic handschoenen uittrekt, kijkt hij beide rechercheurs aan. En schudt zijn hoofd.
‘Doodsoorzaak verdrinking?’ vraagt Atsma.
‘Vermoedelijk wel. Vooraf is ze op het hoofd geslagen met een zwaar voorwerp. Ze moet meteen haar bewustzijn hebben verloren. Het kan hier gebeurd zijn, maar ook elders.’
Rechercheur Vermeulen trekt plastic handschoenen aan en pakt voorzichtig het tasje, dat de vrouw om haar nek heeft. Hij haalt er een kleine zakagenda uit en begint te bladeren. ‘Vera den Hartog,’ leest hij. ‘Zesendertig jaar.’ Hij zoekt verder in het tasje. Naast kassabonnen, papieren zakdoekjes, tampons, make-up spulletjes en een portemonnee, zit er een mapje met foto’s in. De rechercheur opent de portemonnee. Er zitten drie bankpasjes, vier vijftig euro biljetten en een hoeveelheid kleingeld in. ‘Ze is niet beroofd,’ zegt hij. Dan bekijkt hij de foto’s in het mapje. Een van de foto’s haalt hij eruit en geeft die aan zijn collega. ‘Dit is ze, hè?’
Atsma knikt. ‘Die zal van pas komen.’ Zij bergt de foto op in haar portefeuille. ‘Mag ik die agenda even zien?’
Vermeulen overhandigt haar de zakagenda.
Atsma bekijkt de persoonlijke gegevens. ‘Er is geen telefoon?’
Vermeulen onderzoekt nogmaals het tasje. Daarna voelt hij in de jaszakken van het slachtoffer. ‘Nee,’ zegt hij.
‘Mmm,’ bromt Atsma, terwijl ze Vermeulen de agenda teruggeeft. ‘Haar 06 nummer staat bij de persoonlijke gegevens. Laat meteen bij de provider een uitdraai opvragen van de nummers die ze de afgelopen week heeft gebeld en door welke nummers zij gebeld is. En oh ja, laat ze ook de verzonden en ontvangen sms’jes afdrukken.’

Atsma zit achter haar bureau rapporten te lezen, als rechercheur Vermeulen binnenkomt en een stapeltje papier voor haar neerlegt.
Atsma kijkt hem vragend aan. ‘Wat is dit?’
‘De uitdraaien van Vodafone over het 06 nummer van Vera den Hartog, de afgelopen week.’
‘En?’
‘Het belgedrag levert niet veel informatie, maar kijk eens naar de ontvangen sms’jes.’
Atsma begint door de papieren te bladeren. ‘Dat is niet mis,’ roept ze met opgewonden stem. ‘Daarmee kunnen we aan de slag.’
‘Meteen ook maar een soortgelijke uitdraai opvragen van het nummer van waar die bedreigingen zijn verzonden?’ vraagt Vermeulen.
‘Dat lijkt me een heel goed idee.’

De rechercheurs Atsma en Vermeulen drukken in de hal van het appartementencomplex op de bel van nummer 238.
Door de intercom klinkt een vrouwenstem: ‘Wie daar?’
‘Politie,’ antwoordt Atsma. ‘We willen graag even met u praten.’
‘Waar gaat het over?’ klinkt de stem.
‘Dat kunnen we niet via de intercom bespreken. Opent u alstublieft de deur.’
‘U bent mevrouw Katja van Eijck?’ vraagt Atsma als ze in haar flat zijn.

‘Ja, dat ben ik. Maar …’
Atsma onderbreekt haar: ‘Wie is Badboy?’
‘Huh?’ Katja kijkt de politievrouw verbaasd aan. ‘Ik ken geen Badboy.’
De rechercheur pakt het mapje met de Vodafone papieren uit haar tas en leest de tekst van het laatste sms’je voor:
Katja van Eijck, ik geef je nog 24 uur.
Dan bezoek ik je: van Rooyensingel 238, Amersfoort. Hierbij jouw foto. Zo zie je er nu nog uit. Daarna niet meer. Badboy.

Haar collega houdt ondertussen Katja scherp in de gaten. Haar gezicht verraadt echter geen enkele emotie.
Dan toont Atsma de vrouw de meegezonden foto. ‘Dit sms’je is aan u gericht. En die foto, dat bent u. Dat kunt u toch niet ontkennen.’
Het gezicht van de vrouw vertrekt geen spier. ‘Die foto, ja dat ben ik. Maar dat sms’je ken ik niet. Ik heb het nooit ontvangen.’
‘Kijkt u eens goed naar deze foto,’ zegt Atsma, terwijl zij de foto van Vera uit haar portefeuille pakt. ‘Kent u deze vrouw?’
Katja bekijkt de foto aandachtig. ‘Nee,’ antwoordt ze. ‘Ik heb deze vrouw nooit gezien.’
Atsma kijkt haar collega aan. Die knikt.
‘Voorlopig weten we voldoende. We danken u voor uw medewerking.’
Als ze even later in de lift staan, zegt Vermeulen: ‘Vreemd, dat ze niet heeft gevraagd waarom het ging.’
‘Dat is niet zo vreemd,’ antwoordt zijn collega. ‘Want dat weet ze donders goed.’ Meteen drukt ze weer op de knop naar de derde etage.
‘Wat nu?’ vraagt Vermeulen.
‘Even navraag doen bij haar buren. Met de foto van het slachtoffer.’
Op de derde verdieping bevinden zich zes appartementen. Bij de eerste drie waar ze aanbellen, blijken de bewoners niet thuis te zijn. Bij het vierde appartement wordt opengedaan door een Engels sprekende vrouw van middelbare leeftijd.
Atsma vertelt dat ze van de recherche zijn en toont de foto van Vera. ‘Did you ever see this woman?’
De vrouw schudt haar hoofd. ‘No, I am sorry.’
Nadat ze de vrouw hebben bedankt, gaan ze naar het appartement meteen naast dat van Katja. De deur wordt geopend door een oudere dame. Ze steunt op haar stok. ‘Dag mevrouw en meneer, wat kan ik voor u doen?’ vraagt ze vriendelijk.
Atsma toont haar de foto. ‘Heeft u deze dame wel eens gezien?’
De vrouw pakt de foto aan. ‘Even mijn bril opzetten, hoor.’ Met haar vrije hand pakt ze het brilletje dat aan een kettinkje om haar hals hangt en schuift het op haar neus. Ze houdt de foto vlak voor haar ogen. ‘Ja, die mevrouw heb ik eerder gezien. Het is nog niet zo lang geleden.’ De beide rechercheurs kijken verwachtingsvol naar de vrouw.
‘Ik weet het weer,’ zegt ze dan. ‘Gisterochtend wilde ik naar beneden om de krant op te halen. Toen ik met mijn rollator de deur uitkwam … ik loop nogal moeilijk nadat ik aan mijn heup ben geopereerd, weet u … maar toen ik dus mijn deur uitkwam, stond die vrouw te praten met mevrouw van Eijck van hiernaast. Ja, ik weet het zeker, want ik dacht nog, zal ze nu alweer een nieuwe vriendin hebben? Ze is namelijk … nou ja … ze valt op vrouwen. Dat moet kunnen tegenwoordig, hè? En haar vorige vriendin, Cora, heeft haar verlaten. En toen dacht ik nog … ik bedoel toen ik die vrouw aan de deur zag staan … ik dacht dus, ze lijkt wel wat op Cora. Tenminste dat haar. Cora had ook van dat mooie korte blonde haar. Veel mooier dan dat lange van tegenwoordig. Ik vond het wel jammer hoor, dat ze wegging. Ze was zo’n lieverdje. Maar ja. Oh … kan ik mevrouw en meneer een kopje koffie aanbieden?’
‘Nee dank u mevrouw,’ zegt Atsma. ‘Heel vriendelijk aangeboden, maar we moeten verder. Mag ik u bedanken voor de informatie?’

Op het politiebureau zitten de beide rechercheurs aan de vergadertafel op Atsma’s kamer.
Voor hen ligt de uitdraai van de verzender van Vera’s sms’jes. Het blijkt om een prepaid nummer te gaan. Bij de provider zijn geen gegevens van de eigenaar bekend. De uitdraai toont iets vreemds. Ten eerste blijkt dat de afgelopen week niet met het nummer is gebeld. En verder zijn er enkel sms’jes mee verzonden met dezelfde teksten als Vera den Hartog heeft ontvangen. De rechercheurs tellen buiten Vera’s nummer, achttien andere 06 nummers. Naar de meeste van die nummers is het eerste sms’je verstuurd, aan drie nummers de eerste twee en aan één nummer de eerste drie sms’jes.
Atsma uit een vloek. ‘Vera was pas het eerste slachtoffer,’ zegt ze. ‘We moeten zo snel mogelijk die Badboy te pakken zien te krijgen. En Katja kan ons daarbij helpen, dat is nu wel zeker. Maar eerst gaan we de overige achttien nummers van deze lijst bellen. We moeten de personen die erbij horen zo snel mogelijk hier zien te krijgen.’

De achttien vrouwen die zich melden op het bureau, zijn allen dertigers. Ze hebben stuk voor stuk kort blond haar. Een aantal van hen heeft inmiddels één of meer sms’jes ontvangen van de mysterieuze Badboy. De politiemensen dringen er bij de vrouwen op aan niet te reageren op de sms’jes en zeker geen adressen te bezoeken die in de berichtjes worden genoemd. Van de vrouwen blijkt overigens niemand een Katja van Eijck te kennen.

‘Ik weet hoe het in elkaar steekt,’ zegt Atsma als ze zich voor de zoveelste keer over de zaak buigen. Vermeulen kijkt haar verbaasd aan. ‘Jij weet …’
‘Inderdaad,’ onderbreekt Atsma hem en begint te vertellen. Als ze is uitgepraat, klapt Vermeulen in zijn handen.
‘Dank je,’ zegt Atsma. ‘En nu zien of mijn theorie klopt. We gaan Katja nogmaals een bezoekje brengen. En die Badboy.’

In de woonkamer pakt Atsma nogmaals de foto uit haar portefeuille. ‘U beweerde dat u deze vrouw nooit hebt gezien. We waren eerder deze week bij één van uw buren en die vertelde dat u de dag daarvoor met deze vrouw stond te praten. Bij uw deur.’
‘Dat mens van hiernaast waarschijnlijk.’
Atsma knikt.
‘Ach, die vrouw is zo dement als een deur. Toon haar de foto van een willekeurig ander persoon en ze zal beweren dat ze die ook bij mij aan de deur heeft zien staan.’
‘Mevrouw van Eijck, u werkt in een telefoonwinkel?’ vraagt Atsma.
Katja kijkt enigszins verbaasd, maar dan herstelt ze zich meteen. ‘U heeft navraag gedaan?’
‘Nee mevrouw, het is een kwestie van logisch denken.’
De vrouw lijkt nu duidelijk in verwarring. Ze kijkt van de een naar de ander.
‘Ik heb nog een vraag,’ vervolgt Atsma. ‘Wie is Badboy?’
‘Ik heb u al eerder gezegd: ik ken geen Badboy.’
‘Jawel mevrouw, u kent Badboy. Heel goed zelfs. Maar daar komen we straks ongetwijfeld op.’
Atsma staat op, loopt naar het raam en draait zich om. Leunend op de vensterbank zegt ze: ‘Als u het niet wilt vertellen, zal ik u zeggen hoe het allemaal is gegaan: Uw vriendin Cora, met wie u samenwoonde, heeft u verlaten. U was daar kapot van. En wilde zich wreken. Maar niet op Cora, daarvoor hield u nog teveel van haar. Regelmatig zag u vrouwen die op haar leken. U besloot dergelijke vrouwen in een val te lokken. Waarna Badboy ze zou vermoorden. Daartoe bleek hij bereid.
In de winkel, waar u werkt, selecteerde u de vrouwen die eraan moesten geloven. Ze waren half in de dertig en hadden kort blond haar. Net als uw ex. U noteerde stiekem het 06 nummer van het mobieltje dat u ze verkocht. Al die vrouwen zouden sms’jes van u ontvangen. Dezelfde als Vera den Hartog. Op een lijstje hield u keurig bij aan wie u welke berichtjes had gestuurd. Na het laatste sms’je zouden de meeste vrouwen, net als Vera, langskomen om u te waarschuwen. Vera was de eerste. En hoe tragisch haar lot ook was, gelukkig de laatste. Als de vrouwen eenmaal hier binnen waren, zou Badboy het afmaken.’
Katja is tijdens Atsma’s verhaal spierwit weggetrokken.
‘Zo is het gegaan,’ zegt Atsma.
Katja knikt.
‘Hoe kwam u erbij uzelf Badboy te noemen?’
‘Zo noemde Cora mij altijd,’ snikt de vrouw.

Kasper Kombrink

Kasper Kombrink (62 jaar) was tot 1 oktober 2008 docent ICT in het HBO. Om niet in het bekende ‘zwarte gat’ te vallen of achter de geraniums te geraken is hij vanaf die datum substantieel meer tijd gaan besteden aan zijn hobby: het schrijven van verhalen en gedichten.



Bezoekersreacties:
Tilly (63) op 31 december 2010:
pffff...wat een verhaal. Goed geshreven!

Ineke Kuijsten (49) op 4 juli 2010:
ik heb op het puntje van m'n stoel gezeten. Een spannend verhaal!!!

ineke venema (55) op 3 juli 2010:
Geweldig verhaal Kasper, tot de laatste zin spannend. Ik heb er van genoten en.............mijn stem heb je!

Ans (67) op 28 juni 2010:
Dat was even een spannend verhaal op deze warme maandagmiddag!

Cocky (33) op 4 juni 2010:
Hoi Kasper, Wat een heerlijke quiller weer. Eentje met een duizelingwekkende vaart! Goed gedaan. Ik hoop er snel weer eentje te lezen :-) Ben fan! Groetjes, Cocky

Website Security Test