De eeuwige geloften
Door: Aäron van Dijk op 25 juni 2012

'Ik geloof in God, de almachtige Vader, Schepper van hemel en aarde.
En in Jezus Christus, Zijn enige Zoon, onze Heer;
Die ontvangen is van de Heilige Geest, geboren uit de Maagd Maria;
Die geleden heeft onder Pontius Pilatus, is gekruisigd, gestorven en begraven;
Die neergedaald is ter helle, de derde dag verrezen uit de doden;
Amen.'

Ik sta op en loop de kapel uit, terwijl ik door de gangen van het klooster loop dwalen mijn gedachten alle kanten op. Sinds drie jaar ben ik verbonden aan deze kloosterorde. Ik kwam hier binnen als novice en heb toen mijn tijdelijke professie van de evangelische Raden gedaan.
Gelofte van kuisheid, van gehoorzaamheid en van armoede.
Die drie jaar zijn voorbij gevlogen. Ik heb mijn plaats gevonden in het klooster, maar er zijn scheurtjes ontstaan in mijn doel. Ik sta op het punt de Eeuwige geloften te doen. Ik twijfel. Er is twijfel in mijn hart ontstaan. Wil ik echt hier wel zijn en mijn leven slijten? Het ergste is de twijfel aan mijn geloof. Ik twijfel aan Hem en dat doet zeer, maar ik kan niet anders. Ik zie dingen gebeuren binnen de kloostermuren die Hij nooit zou goedkeuren, maar het ergste is dat ik deze dingen ook voel diep van binnen en dat maakt mij het meeste bang. Mijn intuïtie zegt me dat er iets niet klopt. De vraag of dit de juiste keuze is geweest komt de laatste dagen steeds vaker bij me op. Ik had me het kloosterleven heel anders voorgesteld. Het geloof is mijn houvast in het leven. Een leidraad om me aan vast te klampen en zo mijn medemens lief te hebben, maar het gevoel van ongeloof en kwaadheid neemt steeds vaker bezit van me. Een gevoel van diep gewortelde angst. Zou ik gevallen zijn voor de avances van Lucifer? Is het vlees dan toch zwak? Deze vele gedachten vermoeien me. Ik heb altijd geweten dat ik mijn leven aan Onze Lieve Heer wilde wijden, totdat zij zich bij ons voegde. Het kwaad is binnen.

Ik zit met mijn knieën op de houten bidstoel. Onze kapel is oud en de kussens zijn zo versleten dat je knieën rusten op de harde houten ondergrond. Ik ben alleen in de kapel. Zuster Gretha heeft net haar gebed afgerond en de kapel verlaten. Ik haal mijn rozenkrans uit de zak van mijn habijt. Ik begin met mijn Rozenkrans gebed. Ik wil in alle rust het hele gebed doorlopen. Vijftien maal het Onze vader en 150 maal het Weesgegroet. Ik heb dan mijn rozenkrans drie maal doorlopen.
Ik sluit mijn ogen.

'Onze Vader Die in de Hemel zijt,
Uw Naam worde geheiligd;
Uw Rijk kome;
Uw wil geschiede op aarde zoals in de Hemel.
Geef ons heden ons dagelijks brood;
En vergeef ons onze schuld,
Zoals ook wij aan anderen hun schuld vergeven
En leid ons niet in bekoring,
Maar verlos ons van het kwade.
Verlos ons Heer, van alle kwaad. Geef vrede in onze dagen.
Dat wij...
'

Ik ben helemaal in gedachte verzonken en ga helemaal op in mijn gebed. Ik weet niet hoe lang ik zo al zit. Mijn knieën beginnen pijn te doen. Mijn handen blijven de rozenkrans doorlopen, kraal voor kraal en gebed voor gebed. Ik heb mijn krans inmiddels bijna twee keer doorlopen en zit midden in een Weesgegroet.

'...van Uw schoot.
Heilige Maria,
Moeder van God,
bid voor ons, zondaars,
nu en in het uur van onze dood.
Amen.'


Ik hoor van achter uit de kapel voetstappen naderen. Ik herken ze uit duizenden. Alle spieren in mijn lichaam spannen zich aan. Ik bid snel mijn Weesgegroet af en sta op uit de stoel, buig mijn hoofd en vouw mijn handen in mijn habijt. Ik loop richting de uitgang van de kapel. Ik moet langs haar heen. Ze staat stil en bekijkt me. Ik kijk heel snel op en zie een misselijkmakende glimlach op haar gezicht. Ik loop snel door. Haar ogen blijven mij volgen en ik voel de priemende blik in mijn rug. Zo snel heb ik nog nooit gebeden. Door de gangen, de binnenplaats over en dan regelrecht naar mijn kamer. Zodra ik achter mijn bureau zit haal ik mijn dagboek te voorschijn. Mijn gedachten gaan weer terug naar het moment dat ik nog op de bidstoel zit. Nog voordat ik bij amen was in mijn laatste Weesgegroet had ik mijn ogen al open. Een onbehagelijk gevoel nam bezit van me. Op dat moment hoorde ik de kapeldeur open gaan. Dan dat bekende geluid, de hakken die een dwingend ritme maken op de stenen ondergrond.
Op het moment dat ik haar voorbij liep voelde ik een enorme kou. Verbeeldde ik me dit allemaal maar of slaat mijn fantasie op hol. Het lijkt wel of de werkelijkheid een loopje met me neemt, maar die duivelse glimlach staat in mijn geheugen gegrift. Dat heb ik me zeker niet verbeeld.

Het avondeten wordt opgediend. We zitten aan lange tafels in de eetzaal. Het is stil. Als iedereen zijn maaltijd voor zich heeft staan worden alle handen ineen gevouwen en begint het tafelgebed.

'Heer, laat Uw zegen komen over ons en over deze maaltijd.
UW zegen van mildheid en van vrede.'


Plots word ik uit mijn gebed gehaald door de voetstappen die ik zo goed ken. Weer dat zelfde ritme. Ik open mijn ogen net ver genoeg zodat ik de eetzaal kan overzien. Ik zie haar aankomen. Ik herken haar statige manier van lopen. Het vaste ritme van de voetstappen die als kanonslagen dreunen door de gewelven van ons klooster. Geen van mij medezusters lijkt zich hier aan te storen. Hun gebed klinkt als zacht gebrom. De voetstappen stoppen abrupt tegen over mij. Ik probeer mijn hoofd in de gebed stand te houden maar wel zo dat ik de hele zaal kan overzien. Ik til mijn hoofd een klein stukje op. Tegen over mij zit Zuster Angela. Ze is de oudste zuster binnen onze gemeenschap. Ze zit voorover gebogen, haar handen ineen gevouwen en ze mompelt haar gebed op. Dan zie ik hoe zij voorover buigt, en haar hoofd tot vlakbij het oor van de oude non brengt. Ik zie weer die afschuwelijk grimas. Ze opent haar mond en ik zie kleine donker gele verrotte tanden. Deze aanblik doet me huiveren. Ze fluistert. Zuster Angela gaat onverschrokken door met haar gebed. Dan ineens begint ze zachtjes te knikken. Dan klinken de harde voetstappen weer en zie ik de donkere habijt de eetzaal verlaten.
Wat heeft ze Zuster Angela ingefluisterd? En waarom reageerde de andere zusters niet?
Het is een duidelijke regel dat iedereen aan het avondeten verschijnt en er wordt zeker niet gefluisterd in gezelschap, en onder een gebed is helemaal uit den boze.
Waarom heeft zij speciale privileges?
Zelfs Moeder Overste reageerde niet. Mijn maaltijd wordt zonder dat ik er maar een hap van heb genomen weer opgehaald. De hele gebeurtenis heeft me mijn eetlust ontnomen. Terug op mijn kamer laat ik alles nog eens aan me voorbij gaan. Elke ontmoeting met haar boezemt me angst in. Ik vertrouw haar niet, en het enige wat me elke keer bij blijft van haar is die lach. Die duivelse grimas. Haar ogen lijken bijna altijd schuil te gaan in de kap van haar habijt.
Ik kan de slaap niet vatten. De beelden van het gefluister blijven me maar wakker houden.
Ik kijk op mijn wekker. De display geeft inmiddels kwart over twee aan. Ik moet nu echt zorgen dat ik nog wat slaap krijg. Om zes uur is het ochtendgebed. Dan hoor ik weer die voetstappen. Ze lijken van ver in de gang te komen, maar komen op het vaste ritme steeds dichterbij. Ik trek de deken wat hoger op. Ik voel hoe de angst zicht steeds meer meester van mij maakt. De voetstappen komen dreigend dichterbij. Vlak voor mijn kamer deur stoppen ze. Mijn hart bonst in mijn keel. Ik durf niet te kijken. Ik zie hoe de deurknop word omgedraaid. Gelukkig zit mijn deur op slot. De knop draait langzaam terug. Dan klinkt er gefluister. Ik voel een koude rilling over mijn hele lichaam gaan. Ik probeer mijn best te doen om te verstaan wat ze zegt maar het klinkt te zacht. Dan hoor ik de voetstappen weer langzaam verdwijnen.

Na het ochtendgebed zitten we weer in de eetzaal. De stoel tegenover me is leeg. Er bekruipt mij een naar gevoel. Ik kan het niet onder woorden brengen. De gebeurtenis van gisteravond staat mij nog helder voor de geest. Ik moet dit met Moeder Overste bespreken. Nog voor ik opsta klinkt er een harde gil. Zuster Margaretha komt de eetzaal in gerend. Ze is compleet overstuur en kan niet meer uit haar woorden komen. Het enige wat ze zegt is: ‘Binnenplaats, binnenplaats.’
Dan gaat het allemaal heel snel.
Stoelen worden omgegooid en alle zusters rennen achter elkaar naar de binnenplaats. Dan stoppen ze abrupt. Er klink nog meer gegil. Dan zie ik wat er aan de hand is. Zuster Angela zit in het midden van de binnenplaats op een houten bidstoel. Haar handen vroom gevouwen met daar in haar rozenkrans. Haar handen hebben een witte porseleinen kleur waardoor de blauwe aderen extra goed opvallen. Vanaf een afstand lijkt het op een plaatje uit een van onze rijk geïllustreerde Bijbels, maar er klopt iets niet aan dit plaatje. Dan dringt het tot me door. Haar nonnenkap hangt achter in haar nek. Het grijze haar hangt in lange slierten langs haar gezicht. Haar ogen zijn leeg en puilen uit haar kassen. Haar tong hangt uitgedroogd tussen haar donker verkleurde lippen. Maar het ergste is haar mond. Die vertoont diezelfde gruwelijke grimas. Ik voel een golf gal uit mij maag omhoog komen. Ik probeer de bittere smaak weg te slikken maar het lukt me niet. Ik kan niets anders doen dan braken. De hele dag kom ik niet meer van mijn kamer af. Ik voel me zo ellendig. Had ik dit kunnen voorkomen?
Na het middaggebed worden alle zuster bij elkaar geroepen in de eetzaal. De politie is er en het lijkt er op dat Zuster Angela door verstikking om het leven is gekomen. De ware toedracht wordt onderzocht en we moeten onze allemaal beschikbaar houden voor verhoor. Er gaan dagen voorbij zonder dat ik mijn kamer af kom. Ik verlaat alleen mijn kamer voor de maaltijden en mijn gebeden in de kapel. De voetstappen klinken elke nacht om dezelfde tijd. Ik blijf er voor wakker.
Er gaan weken voorbij. Het onderzoek is nog in volle gang, maar de frequentie van rechercheurs neemt wel af. We zijn niet belangrijk meer.

Het is nog vroeg. We zitten aan het ontbijt. Onze handen gevouwen, hoofden gebogen. Klaar voor het tafelgebed. De stoel tegen over me is niet langer leeg. Zuster Lucretia heeft de plaats ingenomen. Ik sluit mijn ogen en begin mijn gebed. Dan hoor ik de voetstappen. Ik durf niet te kijken. Ze komen dichterbij. Ik voel hoe mijn ademhaling zich versnelt. Ik open mijn ogen en zie haar staan achter Moeder Overste. Weer buigt ze zich voorover en begin te fluisteren. Moeder Overste lijkt er niets van te merken. Ze knikt alleen. Dan zie ik hoe de donkere kap mijn kant uit draait en verschijnt de grimas. Zo snel als ze gekomen is, zo snel verdwijnt ze weer. En weer reageert niemand op haar. Het gebed is afgelopen en alle zusters beginnen in alle stilte aan hun ontbijt. Weer krijg ik geen hap door mijn keel. Ik ben bang dat ik mezelf begin te verliezen. Mijn verstand neemt een loopje met me. Bestaat ze alleen in mijn gedachten? Haar voetstappen elke nacht voor mijn deur zijn echt, of toch niet. Ik ben bang. Heel bang. Ik laat hier in mijn kamer mijn tranen de vrije loop.
Dan besef ik dat ik met Moeder Overste moet praten. Ik ben er van overtuigd dat ze gevaar loopt. Ik zit in tweestrijd. Straks word ik voor gek verklaard, maar als ik niets doe...

Ik ben op weg naar de kapel. Ik moet eerst tot God bidden. Dit is Gods huis. Hij zal dit zeker niet toelaten. Ik moet dit met hem bespreken.
In de kapel aangekomen zie ik een zuster voor het altaar zitten. Ze is in een gebed verzonken. Ik neem achterin plaats op een bidstoel. Mijn gesprek met Hem zal zich toch in mijn hoofd afspelen. Ik kan dit niet hard op uitspreken. Ik vouw mijn handen en sluit mijn ogen.

Tijdens mijn gebed heb ik de moed gevonden om naar Moeder Overste te stappen en mijn verhaal te doen. Ik loop richting het altaar om een kruis te slaan. Terwijl ik langs de biddende zuster loopt voel ik die kou weer. Ik durf niet om te kijken. Haar habijt hangt op de grond en haar kap tot over haar ogen. Ik zie alleen de grimas. Ze mompelt iets. Ik kan de woorden niet verstaan, maar toch komt er een gevoel van angst naar boven. Ik kan niet meer logisch nadenken. Ik blijf gefixeerd naar haar mond staren die maar onverstaanbaar blijft door mompelen. Dan lijkt het langzaam zwart te worden in mijn hoofd. Ik kan niet meer helder nadenken. De angst neemt bezit van me. Ik moet iets doen. Zonder er bij na te denken pak ik het Mariabeeld van het altaar en laat het in volle vaart op haar schedel terecht komen.
Ze slaat voor over en smakt tegen de vloer. Ze blijft doodstil liggen. Van onder haar kap vloeit het bloed over de donkere stenen tegels. Overal liggen scherven. Ik sta als aan de grond genageld. Het altaar is bedekt met bloed daarvoor ligt haar levenloze lichaam. Ik ben alleen. Ik moet nu helder nadenken. Ik trek de kap van haar gezicht.
Moeder Overste kijkt me aan met een doodse blik, van de hele grimas is niets meer te bekennen. Haar schedel is verbrijzeld. Ik kijk naar mijn handen ze zijn helder rood. Heel langzaam vallen de druppels van mijn handen op een scherf die nog net het gezicht van Maria laat zien. Ik begin te gillen.

Het is nacht. Weer hoor ik die voetstappen dichterbij komen. Vlak voor mijn deur stoppen ze. De knop wordt opgedraaid en weer klinkt dat gefluister. Ik zie de deurknop naar beneden gaan. Ik trek de dekens ver op en begin zacht te huilen en wacht tot de voetstappen weer verdwijnen.
Ze laat de deurknop los. De deur zit op slot. Haar walkie talkie piept.
‘En?’ vraagt een krakerige stem.
‘Niets aan de hand, alles op slot. Ik maak mijn ronde af en kom dan weer terug. Zet de koffie maar vast klaar.’
Haar gedachten gaan terug naar de vrouw. Zo teruggetrokken in haar eigen wereld. Zo jong maar al geen toekomst meer. Ze leeft helemaal in het verleden. De bewaking en het verplegend personeel zijn er al aan gewend om haar met zuster aan te spreken. Ze is elke greep op de realiteit kwijt. Haar wereld speelt zich nog steeds af in het klooster waar ze drie jaar heeft gewoond. Intussen zit ze al weer zes jaar in deze inrichting. Er is nog steeds geen elke teken op verbetering. De schok zal pas goed komen als ze begrijpt dat ze twee moorden heeft gepleegd, maar in haar toestand lijkt er weinig hoop op. De uitslag luidde Ontoerekeningsvatbaar. Treurig geval, denkt ze. Maar daar zit het hier vol mee.
Tijd voor een bakje koffie.
Haar voetstappen klinken hol in de lange gang.

Aäron van Dijk

Aäron van Dijk werkt bij een grote uitgeverij op de klantenservice. In zijn vrije tijd schrijft hij graag korte verhalen en dan met name thrillers. In december 2010 verscheen de bundel De foute priester met daarin zijn korte verhaal Liefhebben. Eerder schreef hij de Quiller Uitzending gemist



Bezoekersreacties:
Monique (48) op 28 juni 2012:
Spannend verhaal volgens mij kun jij ook wel een heel boek schrijven i.p.v. een kort verhaal

hennie van dijk (65) op 26 juni 2012:
een goed verhaal en een heel spannend einde goed geschreven