Kort verhaal - Een bijzondere tafel van disgenoten
Door: Nienke Pool op 13 mei 2016

Als historica schrijft Nienke Pool het liefst historische verhalen. Haar kinderverhaal over het Oude Egypte met de titel ‘En met de regen kwam de wind’, werd in het schooljaar van 2014-2015 uitgegeven als Vlaams Filmpje. Haar verhaal over de kinderoffers in het Oude Carthago schittert in het jaarboek voor fantasy Ganymedes-14. Onlangs publiceerde ze haar scriptie over de martelaren van de Vroegchristelijke kerk in prozavorm: Johannes 14:6. Verder zijn haar verhalen te lezen in talloze verhalenbundels, literaire tijdschriften en jaarboeken in Nederland, België, Polen en sinds kort zelfs in de VS. Een van haar meest dierbare verhalen staat in de verhalenbundel: Insomnia, Spannende verhalen tegen het slapen gaan, van uitgeverij LetterRijn die jaarlijks een geweldige schrijfwedstrijd uitschrijft.

Een bijzondere tafel van disgenoten

 ‘Laten we met de deur in huis vallen: is hij schuldig of niet?’ Kasparant schuift zijn fauteuil dichter bij de tafel, laat de koffie onaangeroerd staan en schenkt zich een portje in. ‘Het is hier verdorie geen Amerika,’ klinkt het naast hem. ‘We zijn gestudeerde mensen en geen lekenjury! Drie titels en een doctoraat heb ik voor mijn naam staan. Wat denk je wel? Rechtertje spelen aan een koffietafel, het moet niet gekker worden.’
Kasparant geniet van het effect die zijn woorden teweegbrengen en van de eerste slok die warm door zijn keelgat glijdt. ‘Jaja jonkheer prof. dr. mr. Van der Hövell tot Westerflier, je hebt het meest gestudeerd van ons allemaal, dat weten we nu wel. De rest van de wereld zet zijn titels tegenwoordig achter zijn naam, maar dat terzijde.’ Een tweede port op dit uur van de dag is niet zijn gewoonte, maar vandaag veroorlooft Kasparant zich deze kleine zonde.
‘Het is dat de rechters mij persoonlijk hebben geconsulteerd over dit onderhoud,’ bromt zijn collega terwijl hij aan zijn zegelring draait, ‘anders had ik hier nooit mee ingestemd.’ Kasparant ergert zich aan het ringgedraai van zijn collega die daarmee altijd en immer de aandacht op zijn adellijke afkomst vestigt. ‘Rustig maar, jij en ik, we staan aan dezelfde kant.’ De heren houden even stil en kijken toe hoe de koffiejuffrouw de ingewikkelde lunchbestellingen met een haast onhoorbare zucht serveert.
‘De dillesaus heb ik apart laten verpakken, meneer Kasparant; hier is de clubsandwich voor de officier van justitie; de warme lunch is natuurlijk voor de jonkheer en tenslotte de groenteshake voor mevrouw Van Bunschoten, die ik met artisjokharten heb laten verrijken.’
De mannen kijken met een vies gezicht naar de groene drab, die - alhoewel geserveerd in een kristallen longdrinkglas- er gruwelijk onappetijtelijk uitziet.
‘Waar is Constanze by the way?’ Kasparant kijkt om zich heen.
De deur zwaait open en het antwoord op zijn vraag stapt gracieus naar binnen. Ze neemt plaats tegenover hem. Zoals altijd snuift hij haar zoete walm van parfum op. Hij kijkt haar aan. Ze likt haar lippen af bij het zien van de lunch. ‘Heerlijk,’ zegt ze en gooit haar lange nek ver achterover waardoor haar glanzende haren bevallig over haar schouders vallen. Hij weet dat ze dit bewust doet en toch geniet hij intens. ‘Guilty as Hell,’ zegt ze tussen twee slokken door.
Kasparant verschuift op zijn stoel en nipt aan zijn port. ‘Confrère Constanze, een dergelijk statement geeft toch echt te weinig ruimte voor een goed debat. Laten we het hoofd koel houden.’ Hij kijkt verlekkerd toe hoe de rest van de shake in haar mond verdwijnt.
Constanze zet haar glas neer en richt haar blauwe kijkers strak op hem. ‘Je verdedigt een monster, kom nu niet aan met “debat”. De tijd van overleg, getuigenissen en bewijsvoering ligt achter ons. De bewijslast helt zover over naar onze kant, dat er geen rechter te vinden is die de klootzak nog vrij kan spreken. Het Openbaar Ministerie wint. Leg je erbij neer.’ Ze kijkt naar haar collega die ver weggedoken naast haar zit. ‘Heindrick-Pieter, wat doen we hier eigenlijk? Dit overleg is meer dan ongebruikelijk. Het riekt naar een Kasparant-trucjeuit-de-hoge-hoed. Wat heeft hij voor ons in petto?’
Kasparant geniet van haar wapengekletter en bezint zich op een scherp repliek.
‘Ahum.’ Een zacht kuchje smoort de titanenstrijd in de kiem. De twee advocaten kijken naar de kleine officier die bijna onzichtbaar naast de prachtig uitgedoste Constanze zit. Haar blonde haren en kunstmatig opgetrokken boezem zijn eenvoudigweg te verwarrend mooi. Ook nu kijkt Kasparant via haar naar het nietige mannetje. Toch vergist hij zich geenszins. Alleen het voorkomen van de officier van justitie is kleurloos, zijn brein daarentegen is jaloersmakend briljant. Kasparant kent zijn tegenstanders. Het is haar energie samen met de gehaaide vastbijtende dossierkennis van de kleine man, die deze zaak vooralsnog in het voordeel van de aanklagers lijken te beslechten.
Het had hem veel overredingskracht gekost om de rechters zover te krijgen dat zij uiteindelijk instemden met het beleggen van dit ongebruikelijke overleg.

Met een gevoel van triomf denkt Kasparant terug aan het onderonsje dat hij met beide rechters hierover had. Hij hield ze in de tang en hun pijnlijke bewustzijn hiervan deed hem nog altijd glunderen van overwinningsplezier.
‘Kasparant, de bewijzen en de bekentenis van de dader zijn afdoende om hem voor altijd achter de tralies te krijgen. Wat wil je bereiken?’ had één van de rechters gevraagd.
‘We begrijpen dat je niet graag verliest, maar het onderhoud dat je wenst tussen jou en het Openbaar Ministerie zou onze partijdigheid suggereren. Je hebt hier geen recht op,’ sprak de tweede rechter.
‘Ik praat niet over rechten,’ antwoordde Kasparant fijntjes, ‘ik praat over een wederdienst, laten we zeggen in de vorm van een lunch. Mijn confrères en ik moeten tenslotte eten, nietwaar? De één eet nu eenmaal wat uitgebreider dan de ander.’
De rechters hadden elkaar even aangekeken en wisten dat Kasparant niet aan zijn eigen maag refereerde, maar aan hun buitensporige snoepreisje naar de Antillen. ‘Een lunch kan geen kwaad,’ hadden ze geantwoord en de lunch werd verordend.
Samen met de jonkheer had Kasparant dit samenzijn tot in het kleinste detail voorbereid. Als hij de zaak tot een bevredigend einde wilde brengen, moest dat hier gebeuren en niet in de rechtszaal. Daar maakte hij geen schijn van kans.

En zo zat Kasparant samen met de jonkheer tegenover de aanklagers van zijn cliënt aan deze mahoniehouten koffietafel. Zijn cliënt was schuldig, daar twijfelde niemand aan. Dat de dader straf verdiende, stond buiten kijf; dat kon Kasparant geen sikkepit schelen. Maar dat hij dreigde te verliezen, zou hij niet laten gebeuren. Er was vals gespeeld, dat diende te worden rechtgezet. Hier, achter gesloten deuren, en niet ten overstaan van tientallen camera’s in de rechtszaal.
Het vals spel van de aanklagers was begonnen met de subtiel gemanipuleerde foto’s van het jonge slachtoffertje die per ongeluk door Constanze aan de pers waren gelekt. Ze had haar tas bij een toiletbezoek buiten de wc laten staan en een fotograaf van de Telegraaf had ze toevallig gevonden.
Nederland had op zijn kop gestaan. In de rechtszaal had Constanze zich met tranen in haar ogen verontschuldigd, waarbij ze heel onhandig de foto’s, met daarop de afgehakte vingers van het meisje, tot drie keer toe op het grote scherm projecteerde.
‘Hoe klik ik deze monsterlijke foto’s weg?’ had Constanze zich, op haar rode lippen verbijtend, afgevraagd. ‘Ik kan er niet van slapen. Oh, ik bedoel natuurlijk mijn onhandige toiletbezoek en de daaropvolgende diefstal.’
Op dat moment drukte ze nogmaals op een knop van haar computer en de uitgestoken ogen van het onfortuinlijke slachtoffertje verschenen dood in beeld. Een zucht van verontwaardiging klonk vanaf de openbare tribune.
Kasparant had aan de ogen van de rechters gezien dat de openbare aanklagers een punt hadden gescoord. Wat heet, het was een homerun.
‘Ahum,’ kucht de kleine officier nogmaals.
‘Wat is er, Heindrick-Pieter? Wil je een glaasje water?’ De boezem van Constanze valt bijna uit haar blouse als ze opstaat. Ze haalt voor de officier een glas water. Haar blik en die van Kasparant kruisen elkaar. Hij ziet dat ze hem taxeert. Goed zo, ze is op haar hoede, denkt hij. Een derde kuchje, nadrukkelijker deze keer. ‘Ik denk dat we rustig moeten luisteren naar onze gewaardeerde collega’s.’ Heindrick-Pieter haalt zijn ronde brilletje van zijn kromme neus en ademt op de brillenglazen waarna hij deze routineus begint te poetsen.
De advocaten van de Limburgse Mergelgrotmoord, zoals deze in de volksmond is gaan heten, kijken elkaar aan. ‘Is hij weer bezig met één van zijn gehaaide valkuilen die je weliswaar verwacht, maar pas waarneemt als je er lang en breed bent ingetuind?’ lijken ze tegen elkaar te zeggen. Kasparant laat zich niet zo gemakkelijk uit het veld slaan.
‘Dank je, waarde collega,’ antwoordt hij slechts.
Heindrick-Pieter zet zijn ronde brilletje weer op zijn neus en begint onsmakelijk aan zijn clubsandwich te pulken. Iedere lunch die Kasparant met de officier heeft genuttigd, bestelt de kleine man een sandwich met van alles erop-en-eraan en eet vervolgens alleen de slablaadjes op.
Het eerste stukje sla verdwijnt langzaam in zijn ingevallen mond, die hij niet sluit omdat de officier altijd begint te praten zodra hij aan het eten is. Hoogst irritant, vindt Kasparant. Onsmakelijk ook.
De stem van de openbaar aanklager klinkt lijzig. ‘Wat is tijdens het proces niet uitgebreid genoeg aan bod gekomen, collega? Willen jullie de ongelukkige jeugd van de verdachte nogmaals aanstippen of zijn aangeboren stoornis te berde brengen? Er lopen honderdduizend jongens in ons kikkerland rond die ergere tegenslagen in hun jonge levensjaren te verduren hebben gekregen, zonder moordenaar te worden.’ Een tweede blaadje sla wordt genuttigd en Kasparant kan de groene substantie tussen de tanden van de officier zien zitten. De advocaat schenkt zichzelf nog een portje in als de kleine man verder zijn val openzet.
‘Of willen jullie zijn onfortuinlijke congé van de dag daarvoor nogmaals tot in den treure aankaarten?’ gaat de officier onverstoorbaar verder. ‘Er worden in deze moeilijke tijden van crisis aan de lopende band mensen ontslagen. Laten we dat vooral niet als verdediging op gaan voeren. Werkloosheid als legitiem motief voor wangedrag; het moet niet gekker worden.’ De resterende blaadjes sla worden apart op het bord verzameld en één voor één aan de zilveren vork geprikt.
‘Smak Smak,’ klinkt het ineens naast Kasparant. Zijn collega zet, zoals afgesproken, de eerste tegenaanval in. ‘Confrère, nu drijf je de spot met ons. Ongelukkige jeugd? Dat is wel wat zachtjes uitgedrukt.’ Van der Hövell tot Westerflier veegt zijn vettige vingers af aan het servet dat hij onder zijn kin heeft vastgeknoopt. Hij neemt een grote slok melk en vervolgens een veel te gulzige hap van zijn hamburger Royale. Naast hem staat een megabucket kipkluifjes op hem te wachten. Constanze moet haar gestifte lippen verbergen achter haar smalle hand. Een misselijkmakend gevoel borrelt zichtbaar in haar op. De dikke jonkheer opent zijn nog volle mond; om iets te zeggen, deze keer. ‘Onze cliënt werd door zijn vader niet alleen gebruikt als boksbal, in talloze nachtelijke uren diende hij als bijslaap. Ik hoef de details hier toch niet nogmaals uit de doeken te doen? Onze cliënt zal door zijn ontberingen nooit meer een normale stoelgang kennen.’ De jonkheer pakt een kippenkluifje en likt aan het vet dat er vanaf druipt.
Constanze krijgt het er ogenschijnlijk warm van. Ze opent een knoopje van haar nauwsluitende blouse. ‘Dit is een zaak geweest met alleen maar verliezers. De ouders van het slachtoffer gaan door een dagelijkse hel, veroorzaakt door de steeds walgelijk wordende details die de dader met zichtbaar genoegen met zijn publiek deelt. De viezerik heeft zelfs een schare fans op Facebook verzameld. Het leed is voor de ouders gewoonweg ondraaglijk. Ook zij zitten hier aan tafel en oordelen mee.’ Constanze maakt een wijds gebaar en al weten de heren dat er naast hen vieren niemand aan de lange tafel zit, ze kijken toch. Constanze haalt diep adem. ‘Maar ook het Nederlandse volk zit hier aan deze mahoniehouten tafel. De verontwaardiging die wekenlang door het land is getrokken, dient genoegdoening te krijgen. Hier aan tafel wordt meer dan alleen recht gedaan aan het lijden van het slachtoffer en haar nabestaanden. Het volk lijdt. En omdat de verkiezingen naderen is ook Den Haag zich met deze zaak gaan bemoeien. Politici zitten eveneens onzichtbaar aan deze mooie tafel.’ Wederom wijst ze naar de lege plekken. Dan staat ze plotseling op en slaat hard op haar achterste. ‘Politici die zich met de rechtsgang bemoeien. Trias Politica, my ass!’
En wat een mooi gevormde, denkt Kasparant. Hij geniet van haar vuur.
Voordat hij het woord kan nemen doet de officier een duit in het zakje. ‘Als iedereen die in zijn jeugd geleden heeft ongestraft slachtoffers mag maken, dan leven we binnen de kortste keren in een rechteloze staat. Het is de rechtsstaat die hier op de weegschaal van Vrouwe Justitia ligt.’ Hij knipoogt vriendelijk naar Constanze. ‘Ook de edele Vrouwe heeft plaats genomen aan deze bijzondere tafel van disgenoten.’

De koffiejuffrouw komt binnen en serveert vier coupes met Irish Coffee Royale met geurige likeur. De shake van Constanze had blijkbaar niets met een dieet te maken, want deze calorieënbom vindt ook bij haar gretig aftrek. Even is het stil aan de lange tafel. Het is de stilte voor de storm.
‘Ik kan van deze zaak niet slapen,’ zegt Constanze met een akelig breekbare stem.
Kasparant weet niet zeker hoe oprecht hij haar op dit moment moet inschatten. Er trilt een spiertje bij haar slaap als ze zachtjes verder praat.
‘Hij heeft haar dagenlang verkracht en iedere keer als hij klaar was een vinger afgezaagd. Ze stierf pas toen ze nog maar drie vingers over had. Het ergste van alles vind ik het feit dat het niet zo ver had hoeven komen.’
‘Bedoel je het liefdesstelletje?’ Kasparant besluit met haar mee te gaan in haar inhoudelijke herinnering van de gruwelijke details. Onderwijl laat hij de cafeïne zijn verkwikkende werk doen. Hij moet scherp blijven.
Constanze knikt. ‘Als “the young lovers” niet zo benauwd waren geweest om een beetje straf te krijgen omdat ze in het verboden gedeelte van de grotten de liefde wilden bedrijven, dan had Marianne nog geleefd.’
Ze noemt haar naam, denkt Kasparant. Hiermee maakt ze het persoonlijk. Blijkbaar wil ze dat ik medelijden krijg met het slachtoffer. Waarom?
Constanze drinkt de likeur op en pakt haar kunstmatige sigaret. Ze sluit haar ogen en inhaleert diep voordat ze verder gaat. ‘Als die twee 112 hadden gebeld, dan was Marianne veel leed bespaard gebleven.’
De jonkheer eet de koffiebonen die de anderen hebben laten staan in één keer op. ‘Er zijn verzachtende omstandigheden voor de jongen te noemen, en dan bedoel ik niet zijn eigen verleden. Hij had simpelweg niet het beoordelingsvermogen om in te zien dat hij te ver ging. Dat heeft het Pieter Baan-centrum eenduidig vastgesteld. Ze had hem gejend, hem uitgelachen. Hij ging eenvoudigweg door het lint.’ Constanze snuift. Haar neusvleugels worden vacuüm gezogen en haar ogen spuwen vuur. ‘Door het lint? Vier dagen lang? En hoe verklaar je de rugzak met eten? Dat is voorbedachte rade!’
De officier legt een geruststellende hand op de arm van zijn collega. ‘Er zijn precedenten in zaken als deze,’ zegt hij rustig maar zeer nadrukkelijk. ‘Levenslang zonder uitzicht op vrijlating is hier een redelijke eis. Dat is toch waar je het over wilt hebben, Kasparant? Dat is toch jouw stokpaardje en je drijfveer in deze zaak?’
Kasparant zwijgt. Nu is het erop of eronder, maar hij heeft geen pijlen om mee te schieten. Onderzoek naar de geest van zijn cliënt heeft aangetoond dat kans op recidive zeer groot is. De jongen had al eerder een meisje gemarteld, maar toen was zijn cliënt nog minderjarig geweest. De dood van de kat was gelukkig eveneens buiten beschouwing gelaten, maar ook daaraan kon afgelezen worden dat de zieke geest van zijn cliënt zich ontwikkelde en een gevaar voor de samenleving vormde. ‘Levenslang zonder kans op vervroegde vrijlating’ bezorgde Kasparant echter een vlekje op zijn smetteloos blazoen van ongeslagen advocaat. Zover mocht het eenvoudigweg niet komen. ‘Geen uitzicht op vervroegede vrijlating is pure marteling, dat kan en mag de Nederlandse Staat niet willen,’ zegt hij resoluut.
‘De Nederlandse Staat wil veiligheid. Haar bevolking wil rustig kunnen slapen.’ De officier staat op, zet een raam open en steekt een sigaartje op.
Constanze pakt een zakdoek en snuit haar neus. Even denkt Kasparant dat ze echt gaat huilen, maar dan ziet hij dat ze vanonder haar zijden doekje naar de officier een waarschuwende blik stuurt. De officier negeert haar blik. Kasparant weet niet welk detail hij mist, maar beseft dat de ingeslagen weg de juiste is. Hier valt te scoren.
‘Wat moet iemand volgens jou doen, Heindrick-Pieter, om levenslang te krijgen, zonder uitzicht op vervroegde vrijlating?’ De officier neemt een haal aan zijn sigaar. ‘Dagenlang martelen en verkrachten lijkt me een goed begin. Het is de macht die hij over zijn slachtoffer uitoefende, wat onze eis uiteindelijk heeft bepaald. Hij heeft haar een aantal keren vrijgelaten en als een kat die met zijn muis speelt hoop gegeven. Dan ving hij haar weer, verkrachtte haar om vervolgens voor haar neus te gaan eten en drinken. Zij verhongerde en had ondraaglijke dorst. Op enig moment heeft hij zelfs in haar mond gepist. Het is allemaal te gruwelijk. Ik wil je cliënt nooit meer op straat tegen kunnen komen, dat is mijn plicht als officier.’
Waarom spreekt hij zo nadrukkelijk van een kat? denkt Kasparant. Zweet breekt op zijn voorhoofd uit. Verdorie.

Hij kijkt naar de jonkheer. Over dit punt in het dossier hadden ze een paar weken geleden intensief overleg gevoerd. De dader was overduidelijk een sadist. Beide topadvocaten waren er weliswaar van doordrongen dat iedereen recht had op een rechtvaardig proces, ‘maar,’ had Kasparant tegen zijn dikke vriend gezegd, ‘niet iedereen heeft recht op een topadvocaat.’ De jonkheer had aan zijn zegelring gedraaid en de toverwoorden uitgesproken. ‘Ze eisen levenslang zonder uitzicht op vervroegde vrijlating.’
Het leek alsof het Openbaar Ministerie hem uitdaagde. En Kasparant had toegehapt.
Nu zat hij dus met een kansloze zaak waarbij zijn cliënt voor eeuwig de bak in ging. Dat laatste was niet zo erg; zijn cliënt was ronduit een verschrikkelijk mannetje dat geen enkel teken van berouw toonde. Erger nog, hij leek te genieten van het hele proces en alle media-aandacht. Het was gruwelijk wat hij het meisje had aangedaan. Vijftien jaar was ze pas en dat uitlachen had Kasparant er tijdens het proces bij verzonnen. De dader was Marianne tegengekomen in de Aldi, waar ze voor het eerst van haar leven mocht vakkenvullen. Hij had haar gevraagd waar de dagaanbiedingen lagen en zij had hem vriendelijk glimlachend de weg gewezen. Dat die minkukel dat lieve kinderlachje aanzag voor uitlachen, zei alles over zijn verdorven karakter en nog meer over haar grenzeloze onschuld.
Kasparant had zijn cliënt herhaaldelijk geadviseerd om niet meer bij de rechtszittingen aanwezig te zijn, maar de jonge man had ervan genoten om de schare bakvissen op de publieke tribune te zien zitten. Het gegiechel van de meisjes had Kasparant meer gestoord dan wat dan ook. Hoe konden ze zo stom zijn?

Hij dacht terug aan het dossier. Iedere keer als hij het las, dacht hij, nee, wist hij dat er iets niet klopte, maar hij kon niet achterhalen wat het was. Hij besloot om het punt waar hij het gevoel het sterkste had (dat er iets mis was met de feiten) bij de officier aan te kaarten.
‘Haar dood, daar kon mijn cliënt toch niets aan doen? Het was een ongeluk.’
‘Een ongeluk?’ Constanze stikt bijna in haar nepsigaret.
‘Hij schoot uit terwijl hij haar vinger wilde afzagen,’ antwoordt Kasparant.
De officier loopt bij het raam vandaan en slaat met zijn vuist op tafel. De koffiekopjes rinkelen. ‘Die cliënt van je zaagde na iedere daad een vinger van haar af. Hij had hiervoor een elektrische zaag in zijn rugzak meegenomen. Na drie dagen waren de batterijen bijna leeg en ging het niet meer zo gemakkelijk. Hij deed een oude sok in haar mond tegen het gillen. Die laatste keer kon ze het niet meer verdragen en had ze de zaag met haar bloedende hand gepakt en haar halsslagader -’
Kasparant laat de fles met port vallen. Zijn mond valt open. ‘Ze heeft zelf de zaag bij haar nek gehouden? Maar dat is zelfmoord.’
De jonkheer springt in de benen. Kasparant slaat zich tegen het hoofd. ‘Dat was het wat er fout was in het dossier: er is gerommeld met de feiten van het autopsierapport! Hoe heb je dat voorelkaar gekregen?’
Constanze snikt. De officier vloekt.
Kasparant maakt in gedachten een vreugdedansje. ‘Dat wordt twaalf jaar, hooguit,’ roept hij triomfantelijk. ‘Met goed gedrag betekent dat negen jaar, met aftrek van het voorarrest is hij over acht jaar een vrij man.’
Van der Hövell tot Westerflier haalt een foto uit het dossier die al die tijd onaangeroerd op de tafel heeft gelegen. Het is een foto van de gemartelde kat van hun cliënt. Kasparant slikt, hij is een kattenmens, dat weet zijn vriend. De details over de kat maakten hem keer op keer ziedend van woede. Iedere keer als hij zijn cliënt zag, moest hij denken aan de snorharen die de vuilak er langzaam had uitgetrokken. De kleine kussentjes onder de pootjes had hij afgesneden. Dit laatste had hem vele malen meer aangegrepen dan de urenlange martelingen van het onschuldige tienermeisje. ‘Waarom’ kan hij niet uitleggen, maar de foto van de dode kat draagt hij al weken in zijn binnenzak. Onprofessioneel.
Kasparant kijkt naar de drie mensen in de kamer. Zijn hersens werken op volle toeren.
‘Wat wil je zeggen? Wist je hiervan?’
Zijn vriend knikt.
Dan is er alleen stilte.
‘Niet iedereen verdient een topadvocaat, mijn beste confrère Kasparant.’
Kasparant aarzelt. Minutenlang kijkt hij naar de foto die voor hem op de tafel ligt. Zijn blazoen of zijn geweten?
Hij schenkt zich een koffie in.

Nienke Pool

Auteursrechten en intellectuele eigendomsrechten


Het auteursrecht van bovenstaande tekst berust bij Nienke Pool of bij derden welke bij toestemming dit materiaal beschikbaar hebben gesteld aan VrouwenThrillers.nl. Vermenigvuldiging in wat voor vorm dan ook is alleen toegestaan door voorafgaande toestemming door Nienke Pool.



Bezoekersreacties: