Nachtduik
Door: Monique Milder op 3 april 2011

Haar oor doet vreselijk pijn. Het is net of iemand er met een mes in steekt. Ze doet haar rechterduim toch maar omhoog, hoe vervelend ze dat ook vindt. Ze zijn tenslotte net pas beneden. Joris kijkt niet of nauwelijks naar haar om en zwemt alweer voor haar uit. Hij is ook zo gretig. Het vertedert haar hoe gek hij is op deze sport. Hij had niet kunnen wachten tot ze in Eilat waren. Tijdens hun rondreis door het beloofde land had hij over niets anders gesproken dan de schoonheid van de riffen hier. En over de enorme hoeveelheid exotische vissen die ze konden gaan zien. Intussen probeert Aafke Joris aan zijn zwemvlies te trekken, maar hij zwemt net iets te hard langs het rif weg. Zou hij iets gezien hebben? Joris is natuurlijk een ervaren duiker. Hij beschikt al heel lang over zijn Advanced en heeft alle benodigde cursussen doorlopen. Daarom mag ze ook alleen met hem op pad als onervaren duiker. Dat had ze anders nooit zonder instructeur gekund. Ze heeft per slot van rekening de hele week alleen nog maar in het ondiepe zwembad gelegen voor haar duiklessen.

Ze had het zich allemaal heel anders voorgesteld, toen Joris haar vertelde over hoe geweldig duiken is. Gelukkig hebben ze drie weken vakantie, want anders had ze nauwelijks nog gebruik kunnen maken van alle kennis die ze deze week heeft opgedaan. Joris mag wel wat meer aandacht aan haar schenken, vindt ze. Volgens de theorie hadden ze eigenlijk ook een buddylijn moeten gebruiken, maar hij vond dat natuurlijk weer overdreven. Dan had ze nu ook niet zo achterlijk hard achter hem aan hoeven zwemmen. En hadden ze automatisch aan elkaar vastgezeten. Zo’n lijn bedenken ze niet voor niets, lispelt Aafke tegen zichzelf. De luchtbelletjes komen daarbij uit haar mond. Ze moet haar best doen om de ademautomaat niet uit haar mond te verliezen. Want dat dat kan gebeuren, vindt Aafke wel een eng idee, ook al heeft ze dat al verschillende keren geoefend in het zwembad. Ze moesten elkaars ademautomaat dan onder water uittrekken en hem daarna zelfstandig proberen terug te vinden, uiteraard zonder boven te komen. Dat bleek best lastig, want er lopen meer slangen vanaf je rug. Zoals die van je buddy-ademautomaat en die van je dieptemeter. Op de laatste staat vaak ook hoeveel bar je nog aan lucht hebt in je fles. Dat is immers van levensbelang onder water: geen lucht, geen leven.

Gelukkig houdt Joris nu in. Met zijn glimmende blauwe ogen kijkt hij haar vanachter zijn duikbril aan. Vervolgens gebaart hij met zijn linkerhand dat ze naar hem toe moet zwemmen. En als ze dichter bij hem is, trekt hij haar plotseling aan haar arm vlak naast hem. Hij steekt zijn hand uit en wijst met de wijsvinger van zijn in het zwart gehandschoende hand naar beneden. Hij gebaart haar te kijken door twee vingers te spreiden en tegen zijn bril aan te houden. Ze hangen nu beiden horizontaal naast elkaar langs het rif in het diepblauw gekleurde water. Verder omhoog is dat nog turkoois gekleurd, maar op deze diepte is dat veranderd in diepblauw. Maar nog steeds kun je hier enorm ver van je afkijken. Dat verbaasde Aafke wel. En dan ziet ze hem. Een reus van een murene komt zijn spelonk uit. De spelonk bevindt zich vlak boven het witgekleurde zand. Natuurlijk heeft ze foto’s gezien van deze wezens in alle fotoboeken bij de souvenirshops hier. En natuurlijk weet ze dat hier murenen leven. Maar om ze hier nu in werkelijkheid in levenden lijve te kunnen aanschouwen is van een heel andere orde. Ze rilt gewoonweg bij de aanblik van dit lelijke dier. Het monster is grijzig, lijkt slechts uit bek te bestaan en beweegt zich als een slang op het land in het water voort. Op het moment dat hij Joris zijn hand ziet blijkt de murene echter banger te zijn voor het bezoek dan het bezoek voor hem. Snel duikt hij terug de spelonk in. Even was Aafke haar oorpijn vergeten, maar nu keert het gevoel weer in alle hevigheid terug. Daarom beweegt ze haar hand vervolgens vóór Joris zijn duikbril. Ze wil niet het risico lopen dat hij haar niet ziet, dus steekt ze snel haar duim voor hem op, om te voorkomen dat hij weer verder weg zwemt. Hij probeert naar haar te lachen van achter zijn ademautomaat vandaan. Daarbij maakt hij het gebaar of alles OK is. Zijn wijsvinger drukt hij daarbij op zijn duim. Op die manier vormt hij een grote letter O. Als antwoord wiebelt Aafke met een vlakke hand met uitgestrekte vingers, om aan te geven dat ze zich niet helemaal goed voelt. Daarna steekt ze haar duim weer op om aan te geven dat ze toch echt naar boven wil, naar de oppervlakte. Joris doet hetzelfde en wijst op zijn dieptemeter. Ze zitten op achttien meter ziet ze, dus ze zullen maar langzaam naar boven kunnen gaan. Blijven uitademen en rustig naar boven zwemmen, nadat je alle lucht uit je zwemvest hebt laten lopen. Bart kon het niet vaak genoeg zeggen. Ze had beter naar hem moeten luisteren en ook eigenlijk niet moeten gaan duiken vandaag. Door de airco in alle hotelkamers op deze reis is ze per slot van rekening wat verkouden geworden en dan wordt duiken ten sterkste afgeraden. Uiteindelijk haalde Joris haar vanochtend toch over, ondanks de waarschuwingen van Bart. Intussen realiseert ze zich dat ze zich langzaam, hand in hand, naar boven bewegen, naar het licht toe. En als ze op drie meter nog een tussenstop maken snuit Aafke nog eens haar neus, om zo de verstopping kwijt te raken. Als ze na de veiligheidsstop verder omhoog zwemmen, knijpt Joris in haar hand, als om duidelijk te maken dat hij het hier naar zijn zin heeft met haar. Ze krijgt er een kriebel van in haar buik.

Als ze weer op het strand terugkeren en alle spullen goed hebben uitgespoeld in zoet water, besluiten ze voor de lunch een broodje falaffel te nemen aan de hotelbar.
Als de donkere ober hun het broodje aan de bar voorzet, begint Joris weer enthousiast te praten: ‘Wat zijn ze groot, die murenen, hè! Vond je het niet schrikken, Aaf?’
‘Wat dacht je, ik had werkelijk geen idee dat ze zó groot waren. Ik wil ze eigenlijk ook niet meer zien, moet ik je zeggen.’
Als Joris verschiet van kleur, voegt Aafke daar snel aan toe: ‘Maar ik wil nog wel met je duiken hoor en dan de volgende keer graag langer. Morgen maar even niet, want die verkoudheid speelt me toch wel parten. Dus overmorgen ben ik de jouwe weer.’
‘Ha, dan ga ik toch lekker mee, Bart zit ook al te klungelen met zijn oor, hè Bart?’ horen ze achter zich. Vervolgens knijpt Marieke Joris in zijn nek. ‘Zo, hoe was het vanochtend? Hoop gezien?’ vraagt ze belangstellend.
Marieke en Bart zijn Joris zijn beste vrienden, al jaren. Door Bart is hij ook met het duiken in aanraking gekomen. Marieke is destijds ook aangestoken door het duikvirus en is inmiddels een echte crack. Een klein beetje jaloers is Aafke daar eigenlijk wel op. Dus toen Aafke en Joris hun vrienden vertelden dat ze een rondreis door Israël wilden gaan maken, stuurden Bart en Marieke er al gauw op aan dat ze elkaar nog in Eilat zouden treffen om te duiken.
‘Nee, ik meen het, ik ga graag morgen met je naar de Japanse tuinen!’ benadrukt Marieke nog eens bij Joris.
Aafke vindt het wel prima: ‘Bart, dan ben jij morgen de mijne op het strand’. Liefkozend haalt ze haar hand door zijn wilde krullen.
Als antwoord lacht Bart zijn tanden bloot naar haar: ‘Maar eten jullie nu eerst maar lekker je broodje op, want zo’n ochtendduik maakt hongerig, niet?’

Het hotel waar ze zijn is spierwit en staat, net als vrijwel alle andere hotels hier, vlak aan zee. Niet dat het uitzicht nu echt mooi is, want Eilat ligt midden in de woestijn, dus om het hotel ligt een grote zandvlakte. De gehele baai bestaat eigenlijk alleen maar uit zand, maar wordt wel omringd door bergen, waarvan de hellingen hier en daar worden opgefleurd met een palmboom. Vóór het hotel staat iedere ochtend een man in een lang gewaad met een rood-wit geblokte hoofddoek op, naast een in alle kleuren van de regenboog versierde kameel, waarop je rondjes kunt rijden. Waarschijnlijk stamt de man oorspronkelijk uit de stad die aan de andere kant van de baai ligt: Aqaba, in Jordanië. Eilat ligt immers strak aan de grens met dit land. Verderop naar het centrum zijn er wat terrassen waar je wat kunt drinken of eten. Toen ze daar na hun aankomst hier de eerste dag naartoe liepen hebben ze samen hard gelachen om de sproeinstallaties die hier bij voortduring de toeristen nat spuiten. Eerst dachten ze inderdaad dat het een grap betrof, maar al snel bleek dat het hier om een serieuze aangelegenheid ging. Geen gek idee eigenlijk, als je bedenkt dat de temperatuur hier ’s zomers overdag vaak wel boven de 40 graden uitkomt. Ze hebben alle vier dus ook al een lekker tintje opgedaan.

‘You, beautiful lady’ had de ober tegen Aafke gezegd toen ze hier de eerste keer gingen eten. En dat had hij tot nu toe alle dagen volgehouden. Met een ‘you, beautiful lady, you like diving?’ was hij haar vanmiddag ook alweer tegemoet gekomen. Daarna had hij haar weer van top tot teen opgenomen. Aafke wist niet waar ze kijken moest. En nu begon Joris een gesprekje met de man over hoeveel vissen ze hadden gezien en hoe ze de bootduik moesten regelen. Want ook dat wilde hij deze week nog doen. Aafke zag dat helemaal niet zitten, want vanaf de kant de zee inlopen en op enig moment afdalen beviel haar wel. Het leek haar ook een stuk prettiger dan achterstevoren van een boot in zee te vallen, zoals Joris haar had verteld. In gedachten verzonken riep ze de afgelopen twee weken nog eens voor zichzelf op. En dan wordt ze uit haar dagdromen gewekt door een angstaanjagend woord: sharks. Hoorde ze dat nu goed? ‘Yes, you’re sure they are here?’ hoort ze Joris de man met uiterste verbazing in zijn stem vragen. En vervolgens begint de ober breedsprakerig uit te weiden over de gevallen van jaren geleden, waarin mensen door haaien werden aangevallen. Als ze vervolgens voor de siësta teruglopen naar hun kamer en Aafke zich wat zorgen begint te maken over dit verhaal, sust Joris haar. ‘Schatje, je denkt toch zeker niet dat ze ons hier bij dat rif laten zwemmen als daar levensgevaarlijke haaien rondzwemmen?’
Aafke schudt met haar hoofd van nee, maar inwendig voelt ze heel iets anders.

Na hun schoonheidsslaapje, zoals Joris het zo mooi noemt, staat Aafke onder de douche. Uiteraard kon Joris de slaap niet direct vatten. Ze hebben toen samen eerst heerlijk gevreeën op het boxspring hotelbed. Dat hebben ze thuis niet, dus hier nemen ze het ervan. Het douchegordijn plakt aan haar lichaam, dus zal ze de blazende airco aan het plafond even moeten uitzetten. Misschien scheelt dat. Als ze daarna, behoorlijk afgekoeld, weer onder de douche springt, voelt ze kort daarna dat Joris bij haar komt staan. Wat lacherig beginnen ze elkaar met gel in te smeren, waaruit al snel een soort van sneeuwvlokken ontstaan, die in korte tijd de hotelkamer bevolken.

Ze hadden besloten om ’s middags samen met Bart en Marieke naar het strand te gaan en daar aansluitend ook wat te eten. Ze blijken al ongeduldig onderaan de trap te staan wachten.
‘Waar blijven jullie’ roept Bart.
Marieke staat achter hem te knipogen: ‘Lekker hè, zo’n boxspring’.
Aafke vraagt zich af of haar rode wangen door haar tintje heen te zien zijn. Als ze zich geïnstalleerd hebben op het rustige strand, constateert Bart dat die ‘duffe dagduikjes’ maar slaapverwekkend zijn: ‘No offense, Aaf, maar een nachtduik is pas echt je van het. Dat moet je gewoon een keer gedaan hebben.’
‘Ja Joris,’ antwoordt Marieke, ‘als wij nou eens het goede voorbeeld gaan geven? Hoef je niet tot morgen te wachten. Wat vind je?’
Joris durft naar Aafke toe nauwelijks te laten blijken hoeveel zin hij hierin heeft, maar Aafke redt hem gelukkig: ‘Ja, Joris, wat let je?’

Het is stil aan de bar. De meeste mensen zijn zich aan het opknappen voor de avond, maar Aafke zit alleen aan de bar. Joris is met Marieke zijn nachtduik, of eigenlijk avondduik, aan het maken en zij verveelt zich wat. Al haar boeken zijn uit en op haar kamer is verder ook niets te beleven. Bart zit wel op zijn kamer waarschijnlijk, maar ja, die heeft ook net een nieuwe ereader aangeschaft. Ze heeft zich dus maar hier geïnstalleerd. De donkere ober is net naar huis, gelukkig. Er staat nu een andere man achter de bar. Ze neemt zich voor, dat als ze haar drankje op heeft, ze maar gewoon teruggaat naar haar kamer. Tv kijken of zo.
‘Hey Aaf, verveel je je?’ Bart komt toch ook aangelopen. Gelukkig, dan is ze de komende uren gered. Bart is tenslotte goed gezelschap. Al gauw begint hij weer enthousiast uit te weiden over al zijn duikbelevenissen.
‘Kun je je voorstellen, Aaf, dat je door die grot daar bij de Japanse tuinen heen moet en dat je dan dwars door honderden oranje vissen doorzwemt? Onvoorstelbaar toch?’
‘Aan de bar zitten is ook niks mis mee hoor,’ knipoogt ze. En dan tikt Aafke met haar glas bier de zijne aan: ‘Cheers Bart! En op een mooie laatste week nog!’

Elf uur. Joris had toch al lang terug moeten zijn onderhand. Ze snapt niet waar hij blijft. Ongerust besluit ze toch nog even naar beneden te lopen. Misschien zitten ze samen gezellig aan de borrel. En vergeten ze haar gewoon. Waarom zouden Joris en Marieke anders zolang weg moeten blijven samen? Aan een andere reden kan en wil Aafke immers niet denken. Maar de grote ronde bar ziet er verlaten uit. Er zit niemand meer. Alleen Bart, die kennelijk net op het punt van vertrek staat. Hij draait zich om als ze haar keel schraapt: ‘Wil je dat niet meer doen Aaf, ik schrik me rot!’ Zijn stem klinkt hard door de stille avond.
‘Bart, ik maak me eerlijk gezegd een beetje ongerust dat ze nog steeds niet terug zijn... Joris en Marieke’ vult ze - bijna overbodig - aan.
‘Hoe laat is het dan?’ Tegelijkertijd pakt Bart haar pols om op haar horloge te kijken.
‘Elf uur geweest.’ Aafke probeert neutraal te klinken, maar in werkelijkheid gieren de zenuwen inmiddels door haar heen.
‘Dat is wel raar, ja, zo lang duurt het niet en bovendien: waar moet je hier verder heen? Zeker met zo’n heerlijke vriendin hier. Dan weet je toch niet hoe snel je terug moet komen,’ knipoogt hij. We zouden natuurlijk een kijkje kunnen gaan nemen, of zeg je van: we nemen er samen nog één en ze komen zo wel?’
‘Ik, uh, weet het niet, maar ik ben het niet zo gewend dat Joris zomaar wegblijft, zonder iets te zeggen…’
‘Nou, kom dan maar, niet aarzelen, we rijden wel even naar ze toe, ik weet zeker dat er een reden voor is.’ Als Bart opstaat, duwt hij haar met zijn hand in haar rug, al richting de parkeerplaats. En met een ‘nemen-we-daarna-met-z’n-allen-nog-een-afzakkertje’ probeert hij haar nog een keer gerust te stellen.

Zwijgend zitten ze naast elkaar in het kleine huurautootje van Bart. Dit geeft Aafke de tijd om nog meer te piekeren. Maar gelukkig zijn ze al snel bij de duikstek. De huurjeep van Joris staat verlaten op het stenen strand. Afgesloten en wel. In de verre omtrek geen teken van leven te bespeuren. Aafke voelt haar maag omdraaien en praten gaat haar ook wat moeilijk af, nu er een dikke brok in haar keel zit: ‘Wat denk jij, Bart?’
‘Geen idee, misschien zijn ze gewoon nog onder water…’ Bart draait in de rondte alsof hij verwacht dat ze zo ergens opduiken. ‘Wat kun je doen? Ik neem aan dat ze richting Japanse tuinen zijn gedaan, daar is het in het donker toch het mooist.’
‘Ja, uiteraard, maar daar ben je toch geen uren druk mee?’ Aafke krijgt een gevoel alsof er een riem om haar borstkas wordt aangetrokken: ‘Of wel dan?’
‘Nee, maar waar moeten ze anders heen hier? Een avondwandeling in de bergen lijkt me ook niet echt voor de hand liggen, nietwaar?’
Ondanks haar zenuwen moet Aafke lachen. ‘Klopt. Maar wat stel je dan voor?’
‘Dat we zelf een kijkje gaan nemen, Aaf. En als het voor niets is, dan heb je in ieder geval de tuinen bij nacht gezien, want het is echt gruwelijk mooi!’ Zijn ogen beginnen al te glanzen bij de gedachte. ‘Achter in mijn auto staat de bak met duikspullen, dus wat let ons?’ en gretig loopt Bart alweer terug naar de auto.

Gelukkig is het hier aardedonker, denkt Aafke, als ze achter de auto het duikpak staat aan te trekken. Eigenlijk wel gênant zo, met Bart hier. Maar het doel heiligt de middelen, dus vastberaden trekt ze de rits van het strakke pak in één keer omhoog.
‘Let goed op mij, dan kan je niets gebeuren. Ik doe je gewoon aan de buddylijn.’ Bart lijkt aan haar te merken dat ze toch wat zenuwachtig is voor deze onverwachte nachtduik. ‘Je zult niet weten wat je ziet zo, echt, geloof me, Aaf.’
Ze besluit hem het voordeel van de twijfel te geven.

Bart heeft niets teveel gezegd, moet Aafke bekennen. Wat een ongewone wereld zo. Ze wordt ook rustiger van het regelmatige in- en uitademen via haar automaat. En ze besluit zich maar gewoon over te geven aan deze serene stilte. Het enige geluid dat ze hoort is dat van haar eigen ademhaling. Hier en daar ziet ze in de lichtbundel van haar lamp blauwgroene vissen heel stilletjes vlak boven de rotsen hangen. Zouden ze slapen? Ze had Bart vooraf weer meer moeten vragen, maar daar hadden ze natuurlijk de tijd niet voor. Ze is benieuwd of ze Joris en Marieke nog zullen treffen. Joris zal niet weten wat hem overkomt als hij haar ziet. Om eerlijk te zijn heeft haar bezorgdheid ondertussen al bijna plaatsgemaakt voor lichte euforie, die ogenblikkelijk omslaat als ze nog eens goed op haar dieptemeter kijkt: ze heeft namelijk niet extreem veel lucht meer. Hoe kan Bart als ervaren duiker zo’n risico nemen? Ze heeft zelf ook helemaal niets gecontroleerd, realiseert ze zich nu, want ze vertrouwt Bart.

Als ze weer opkijkt, ziet ze een licht aan de andere kant van het rif heen en weer gaan. Ze zijn er dus nog! Aafkes hart begint sneller te kloppen en ongeduldig trekt ze aan de lijn om Bart sneller mee te krijgen. Die blijft zich echter op hetzelfde rustige tempo voortbewegen wat hij de hele tijd al doet. Bart straalt enorme rust uit. Ze wilde steeds dat zij onder water ook zo kon zijn, maar nu wordt het haar echt te gortig. Driftig begint ze steeds harder aan de lijn te trekken, totdat Bart naar haar opkijkt en haar bijlicht. Koortsachtig tikt ze op haar lamp en begint hem onrustig te bewegen zodat de straal in de richting gaat vanwaar ze de andere lamp ziet bewegen. Bart begrijpt haar direct en zwemt in de richting van het onrustig moverende licht. Zouden ze daar zijn? Aafke staat intussen op knappen.

Als ze over de rand naar de andere kant van het rif zwemmen, ziet Aafke al snel de zwemvliezen van Joris. Fluorgeel zijn ze. En dan, in plaats van sneller richting Joris te zwemmen, begint Bart tegen haar aan te duwen. Hij gebaart haar terug te zwemmen. Is hij gek geworden soms? Wat denkt hij wel niet? Dat hij haar bij Joris kan weghouden? De idioot. Aafke knapt zowat van boosheid. En dan koppelt hij haar los en gebaart haar dat ze hier moet blijven. Niets daarvan. Ze gaat mee. Onbeheerst probeert ze haar evenwicht te behouden. Haar ledematen gaan dan ook alle kanten uit. Rustig blijven, niet gaan flippen nu, spreekt ze zichzelf bemoedigend toe. Daar is niemand bij gebaat. Gewoon blijven ademen, in en uit, in en uit. Zo min mogelijk lucht gebruiken, voorzichtig, Aaf. En zo rustig mogelijk probeert ze weer richting Bart en Joris te zwemmen. En dan ziet ze het: het lijkt wel of Joris een arm mist. Achter Joris beweegt Marieke in het water. Ze herkent haar aan haar fluorroze fles. Als Aafke daarna dichterbij zwemt, lijkt het erop dat Marieke geen benen meer heeft. Maagzuur komt in haar keel naar boven. En snel daarna moet ze braken. Als in een flits herinnert ze zich wat de duikleraar daarover tijdens de les had gezegd: Je kunt zelfs braken in je ademautomaat. Maar dat risico neemt ze maar niet. Dus trekt ze hem uit. Vervolgens leegt ze haar maag in de donkere zee.

Bart kijkt intussen driftig om zich heen. Aan Joris zijn hand hangt zijn lamp. En die beweegt met de golfbeweging, hier tegen het rif aan, mee. Vandaar dat ze het licht zagen bewegen. Bart draait Joris om: zijn ogen kijken hem levenloos aan. En hij mist niet alleen een arm, maar ook een stuk uit zijn schouder. Marieke mist haar beide benen. Onderaan lilt wat vlees en verder is het één groot gat daar beneden. Ook Bart kan het bijna niet meer aanzien en laat Joris al snel los. En dan zien ze het, de reden waarom ze hier nog hangen: Joris zit klem aan de draden van een net. Zijn lamp zit aan een koord, dat verstrikt zit in de draden van het net. En hij heeft het koord van de lamp een paar maal om zijn pols gedraaid. Daarom hebben ze niet snel genoeg kunnen ontsnappen. Anders waren ze allang naar bovengedreven waarschijnlijk. Aafke schijnt de lamp op haar hand en gebaart dat ze naar boven wil. Maar dat blijkt al te laat, want voordat ze zich weer aan de buddylijn van Bart kan vastmaken, ziet ze achter Bart een grote bek met witte tanden verschijnen. En als in een flits is Bart verdwenen. Hyperventilerend probeert ze haar automaat weer terug te vinden, want die is ze in de schrik verloren. Onstuimig slaat ze met haar armen om haar heen: die slang zal toch ergens moeten zitten! Als ze eindelijk de automaat weer in haar mond kan doen, voelt ze ter hoogte van haar knieën een ondraaglijke pijn, die onmiddellijk wordt gevolgd door een aanval op haar armen. En dan zakt ze weg. In het duister.

Monique Milder

Monique Milder (47) woont met man en kids in het oosten van het land. Zij schreef als kind al, maar heeft het schrijven ruim een jaar geleden weer actief opgepakt. Een ander verhaal van haar hand is op 1 december 2010 verschenen in de bundel De foute priester. Verder hield zij een weblog over reizen, haar grote passie, bij. Op dit moment werkt zij aan een een vrouwenthriller.



Bezoekersreacties:
Hedi (42) op 22 september 2011:
superspannend!

Phil (59) op 21 juni 2011:
Geweldig verhaal Monique, heb er van genoten!

D Scholten (32) op 25 april 2011:
Ja, in een keer uitgelezen; dus met de uitgewerkte spanning zit het zeker wel goed!

Carina van Marken (49) op 18 april 2011:
Hoi Mo, wat een spannend verhaal! De hoofdpersoon zal het wel niet overleven maar ben toch heel benieuwd hoe een en ander eindigt!! Grtz Carina.