Verliefd
Door: Kasper Kombrink op 25 mei 2011

Met een zucht pakt Iris de volgende enveloppe met tentamenuitwerkingen uit haar tas. Gelukkig, de laatste van de vier. Mocht ze ooit gedacht hebben dat ze als lerares een relaxed baantje zou hebben met veel vrije middagen en lange vakanties dan weet ze inmiddels wel beter. Meteen na haar afstuderen kon ze aan de slag als lerares wiskunde op het Marnixcollege. Acht maanden werkt ze er nu. Misschien dat ze het makkelijker krijgt als ze wat meer ervaring heeft, maar voorlopig is ze bijna al haar vrije tijd voor school bezig. Lessen voorbereiden, tentamens opstellen en corrigeren. Gelukkig gaat het eigenlijke lesgeven haar goed af. Geen ordeproblemen en ze weet de leerlingen te boeien.
Nadat ze de papieren uit de enveloppe heeft gepakt, besluit ze eerst een kop thee te maken. Ze klapt het bakje met de theezakjes open. Wat zal ze nemen? Minty Morocco? Rooibos? Nee, toch maar de Green Oriënt. Een soort die ze onlangs bij een vriendin heeft ontdekt. Beetje anijsachtig.
Als ze weer achter de werktafel voor het raam heeft plaatsgenomen, kijkt ze, genietend van haar thee, naar buiten. In het park tegenover is duidelijk te zien dat de lente in aantocht is.
Ze heeft geluk gehad dat ze, meteen nadat ze Paul had verlaten, hier zo snel terecht kon. Vrienden van haar ouders werden voor twee jaar uitgezonden naar het buitenland. Zij mocht gedurende die periode een deel van het huis huren. Ze bewoont drie kamers op de eerste verdieping. Met vrij gebruik van badkamer, keuken en bijkeuken. De resterende kamers zijn afgesloten en worden slechts één keer per week geopend door Ludmila, de werkster.

Paul leerde ze kennen toen ze nog aan de universiteit studeerde. Ze ontmoette hem in het vliegtuig toen ze terugkwam van een symposium in Lausanne. Hij was daar voor zaken geweest. Ze kwamen naast elkaar te zitten. Gedurende de vlucht raakten ze gezellig met elkaar aan de klets. Later op Schiphol hadden ze samen wat gedronken en gegeten.
Zij vertelde over haar studie, hij over zijn baan als verkoopmanager en over zijn kinderen die hij maar eens per veertien dagen zag. Zijn huwelijk was twee jaar daarvoor gestrand. Of ze haar auto op Schiphol had staan? Ze had het uitgeproest. Zij een auto? Ze was een arme student die met wat bijbaantjes net kon rondkomen. Hij bood aan haar met zijn auto bij huis af te zetten, maar onderweg wist ze al dat ze de nacht niet in haar studentenkamer zou doorbrengen. Ze was daar nog één keer geweest: om haar spulletjes te halen en de huur op te zeggen.
Haar ouders waren fel tegen hun relatie. En niet alleen vanwege het leeftijdsverschil: Paul was vijftien jaar ouder dan zij. Maar ze vonden Paul een blaaskaak. Een praatjesmaker die alles mooier voorstelde dan het in werkelijkheid was. Iris wilde toen niet naar ze luisteren. Ze was volwassen en wist zelf wel hoe ze haar leven moest indelen. Toen ze anderhalf jaar later bij hem wegging, begreep ze dat haar ouders gelijk hadden gehad. Paul zelf heeft zich nooit bij haar vertrek willen neerleggen. In het begin belde hij haar regelmatig, hij had spijt, zou zijn leven beteren. Hij wilde graag met haar praten. Daar was ze toen nog niet aan toe.
Als hij op dit moment zou bellen, weet ze niet of ze dan nog zo afwijzend zal zijn. In haar hart is ze nog steeds stapelgek op hem. De laatste weken heeft ze verschillende keren met haar telefoon in de hand gestaan en zijn nummer ingetoetst, maar voordat hij kon opnemen, drukte ze de oproep weg.

Ze schrikt op uit haar overpeinzingen. Zo komen er nooit cijfers op de tentamens uit de vierde enveloppe te staan.
Marie de Jongh. Iris kan er echt geen voldoende van maken. Het arme kind doet zo haar best, maar het lukt haar niet om cijfers hoger dan vijf te scoren. Iris weet zeker dat het niet aan haar ligt. Op allerlei manieren heeft ze geprobeerd om de achterstand van het meisje weg te poetsen. Tentamens van voorgaande jaren om te oefenen, extra hulp na schooltijd, het meisje is zelfs een paar middagen bij Iris thuis geweest. Maar het kwartje wil niet vallen.
En opnieuw zit Iris naar buiten te staren. Dit schiet niet op. Dan opeens ziet ze hem in de verte langzaam aan komen fietsen. Mark Janssen, een van haar betere leerlingen uit 5 Havo. Een wat verlegen jongen. Tot nu toe weinig succes bij de meisjes. Tenminste, de meisjes uit zijn klas. Het lijkt of hij niet toevallig voorbij fietst. Hij kijkt opzij naar de huizen of hij de huisnummers leest. Voor haar huis remt hij af. Hij stapt van zijn fiets en loopt met de fiets aan de hand richting haar voordeur. Wat wil die nu hier? Iets vragen over het huiswerk? Ze zucht, hier heeft ze helemaal geen zin in. Privé en school scheiden. Als ze naar de stapel tentamens kijkt, schiet ze in de lach.
Even later rinkelt de trekbel beneden. Iris staat op en loopt de trap af. De voordeur doet ze op een kier open. Ze is niet van plan de jongen binnen te laten. ‘Dag Mark,’ zegt ze op niet al te vriendelijke toon.
‘Dag mevrouw,’ zegt de jongen met beverige stem.
Iris ziet de rode vlekken in zijn hals en heeft meteen medelijden. ‘Je hebt vast een vraag,’ zegt ze terwijl ze de voordeur uitnodigend opent. ‘Kom maar binnen, dat praat wat makkelijker dan hier bij de deur.’
‘Graag,’ hakkelt de jongen, terwijl hij naar binnen stapt. Bij de trap blijft hij staan. Hij wil haar voor laten gaan. Maar dat lijkt Iris niet zo’n goed idee gezien het korte rokje dat ze draagt.
‘Wil je thee?’ vraagt ze even later als hij op haar bank heeft plaatsgenomen.
‘Nee, dank u.’
‘Ik kan ook een kop koffie voor je maken. Ik heb een Senseo.’
‘Nee, dank u.’
Iris slaakt een zucht, die gelukkig niet door de jongen lijkt te worden opgemerkt. ‘Nou vertel maar. Iets onduidelijk met het huiswerk dat ik heb opgegeven?’ ‘Nee, dat is het niet.’
‘Oh? Waarover dan? Je snapt iets niet? Je bent het niet eens met een cijfer?’
‘Nee, dat is het ook niet.’
Iris begint haar geduld te verliezen. ‘Luister eens Mark. Ik ben druk aan het werk. Je komt heel ongelegen. Wat is de reden van je komst?’
Mark haalt een paar keer diep adem voordat het hoge woord eruit komt. ‘Ik ben verliefd.’ Hij heeft nu een hoofd als een boei.
‘Je bent verliefd. Ja, dat kan gebeuren op jouw leeftijd. Maar waarom kom je dat mij vertellen?’ Iris heeft de woorden nog niet uitgesproken of er gaat een schok door haar heen. Nee hè? Dat niet! Ze vloekt in zichzelf.
‘Op u,’ zegt de jongen.
Iris is perplex. ‘Op mij?’
De jongen, veel rustiger opeens. ‘Ja, op u. Smoorverliefd ben ik op u, op jou. Dag en nacht denk ik aan je.’ Iris weet niet hoe ze moet reageren. Al die studiedagen op school over zinloze zaken. Waarom geen studiedag Hoe te reageren als een leerling bekent verliefd op je te zijn?
‘Dat kan niet, Mark.’
‘Het is zo, dus het kan.’
‘Nee, ik bedoel: dat mag niet. Een docent mag nooit iets met een leerling beginnen. En afgezien daarvan: verliefdheid moet van twee kanten komen. Ga dus maar gauw naar huis en vergeet het allemaal. Op school lopen genoeg leuke meisjes van je eigen leeftijd rond.’
Van je eigen leeftijd. Deze jongen is pakweg 7 jaar jonger dan zij. Het leeftijdsverschil tussen haar en Paul was meer dan twee keer zo groot.
Als de jongen opstaat en zijn jas van de stoel pakt, kan ze wel janken. Wat heeft ze het met die arme knul te doen. Maar dat mag ze niet laten blijken.
Bij de voordeur pakt ze zijn hand. ‘Mark, ik beloof je dat niemand ooit zal horen van dit bezoek. En morgen zit jij weer gewoon bij mij in de klas. En dan ben ik de lerares en jij de leerling. Zoals het altijd is geweest.’ Ze knipoogt naar hem.
Een vage glimlach. ‘Dag mevrouw,’ zegt de jongen terwijl hij zijn fiets van het slot doet. Hij voelt zich duidelijk ongemakkelijk. Maar zodra hij op zijn fiets is gestapt, steekt hij een vuist omhoog en roept: ‘Hier krijg je spijt van!’ Iris moet in zichzelf lachen. De held.

Badend in het zweet wordt Iris wakker uit een angstige droom. Ze droomde dat haar huis in brand stond. Ze hoorde het gerinkel van de deurbel. Iemand sloeg op de deur en riep: Brand!
Opeens schiet Iris recht overeind. Ze hoort het gebons en geroep nog steeds. En ze ruikt een brandlucht. In het schijnsel van de straatlantaarn die pal voor haar huis staat, ziet ze rook vanonder de deur haar slaapkamer binnenkomen. Ze hoort nu ook geknetter. In paniek springt ze uit haar bed. Als ze uit haar raam naar buiten kijkt, ziet ze vlammen onder zich. Ze rent naar de deur, trekt hem open en wil de overloop oprennen. Ze loopt tegen een muur van rook. Vlammen lekken langs de muren. De trap af kan ze niet meer. Het is daar één grote vuurzee. Door de rook kan ze zich nauwelijks oriënteren. Ze heeft het gevoel dat ze stikt. Ze trekt haar nachthemd helemaal omhoog en doet een prop van de stof in haar mond. Dan ontwaart ze vaag de omtrekken van een deur. Een van de kamers aan de achterzijde? Misschien kan ze daar … Kut! … ja natuurlijk, die deuren zijn op slot. De badkamer. Die ligt ook aan de achterkant. Op de tast loopt ze in de richting van de badkamer. Als ze de deur bijna bereikt heeft, valt ze. Ze probeert te gaan staan, maar zakt weer door haar knieën. Op dat moment dringt de verschrikkelijke realiteit tot haar door. Haar hart begint te bonzen. Ze kan nauwelijks nog ademhalen. Het lijkt of haar keel in brand staat. Nee, nee, nee! Ze wil niet dood. Nu nog niet. Met een uiterste krachtsinspanning probeert ze nogmaals overeind te komen. Op haar knieën bereikt ze, hevig hoestend de deur van de badkamer. Aan de klink hangend, krijgt ze de deur open. Daar gelukkig nog geen vlammen. Dan zakt ze in elkaar, haar hoofd op de koele tegels.

‘U hebt veel geluk gehad, mevrouw van Dongen.’ De jonge arts die zich heeft voorgesteld als Willem van Laar heeft plaatsgenomen op de rand van haar bed. ‘De eerste dagen was uw toestand zeer kritiek. Als u vijf minuten later was gevonden, dan had u hier nu niet gelegen.’
Iris kan zich nog herinneren dat er gebonsd, gebeld en geroepen werd. En ook de vlammen, die de overloop al hadden bereikt. Maar wat er verder gebeurde voordat ze hier in een helderwitte ziekenkamer wakker werd, is een zwarte vlek in haar geheugen.
‘U hebt een zware rookvergiftiging opgelopen,’ vervolgt de arts. ‘Maar het lijkt allemaal goed te komen. Zoals het zich nu laat aanzien, mag u over een dag of drie naar huis.’ Hij schrikt zichtbaar van zijn eigen woorden. ‘Oh, neemt u mij niet kwalijk. U hebt geen huis meer. Is er al onderdak voor u geregeld?’
‘Voorlopig kan ik terecht bij mijn ouders,’ zegt Iris. ‘Daarna zien we wel verder.’
‘Dan is er nog iets,’ zegt de arts, ‘De politie wil met u praten. Ik heb dat tot nu toe afgehouden, maar ik denk dat u het nu wel aankunt.’
‘De politie?’ vraagt Iris aan de verpleegster nadat de arts de kamer heeft verlaten.
De vrouw in het wit knikt. ‘Ze wilden meteen nadat u was bijgekomen al met u praten, maar dat heeft de arts afgehouden. Gisteravond stond er trouwens over de brand een heel stuk in de krant. Ik zal hem even voor u gaan halen, dan kunt u het zelf lezen.’
Als Iris het regionale dagblad openslaat, schrikt ze. Naast de foto van het brandende huis staat een foto van Paul afgedrukt. Daaronder leest ze: Met gevaar voor eigen leven … Dan komen de tranen, verder lezen is onmogelijk. Als ze enigszins tot bedaren is gekomen, leest ze het hele artikel. Paul was die avond, op weg van zijn stamkroeg naar huis, door haar straat gereden. Hij zag dat de benedenverdieping al brandde. Hij heeft meteen 112 gebeld. Omdat hij de bewoonster kende en die vrijwel zeker thuis moest zijn, drukte hij op de bel en bonsde op de deur. Omdat er geen reactie kwam, is hij met een ladder die achter het huis lag, naar de eerste verdieping geklommen. Het raam, dat later van de badkamer bleek te zijn, heeft hij ingeslagen. De bewoonster vond hij op de overloop, in de deuropening van de badkamer. Eerst dacht hij dat ze dood was, later bleek ze gelukkig slechts bewusteloos te zijn. Omdat de vlammen de achterzijde van het huis nog niet hadden bereikt, was ze waarschijnlijk die kant op gelopen of gekropen. Hij heeft haar naar het raam van de badkamer gesleept, over zijn schouder gelegd en zo de ladder afgelopen. Op dat moment arriveerden de eerste brandweerauto en de ambulance.

De politieagente die achter de verpleegster de ziekenkamer is binnengekomen, geeft Iris een hand. ‘Femke Smeets, recherche politie Gelderland Zuid. Fijn dat het inmiddels een stuk beter met u gaat. De arts gaf toestemming met u te praten.’
‘Hooguit een kwartiertje,’ zegt de verpleegster.
‘Ik zal me er keurig aan houden.’ Terwijl de agente op de stoel naast het bed gaat zitten, verlaat de verpleegster de kamer.
‘Het was brandstichting,’ zegt de agente.
Iris’ mond valt open. ‘Wat?’
De agente knikt. ‘Een jongeman. De brandweer vond hem in de garage. Een zware balk was op zijn hoofd terechtgekomen. Hij moet op slag dood geweest zijn.’
Iris, die hevig geschrokken is, krijgt een bang vermoeden. ‘Is al bekend wie hij is? Was?’
‘Daar zijn we inmiddels achter,’ zegt de agente. ‘Hij was een leerling van u, Mark Janssen.’
Iris voelt zich wit wegtrekken. Mark Janssen. Maar dat kan toch niet. Eerder die dag kwam hij nog bij haar om te zeggen dat hij … Had hij op die manier wraak willen nemen op haar afwijzing? Ze kan het nauwelijks geloven.
‘Wanneer hebt u Mark voor het laatst gezien?’
‘’s Middags, op de dag van de brand, bij mij thuis.’
‘Bij u thuis?’
Dan vertelt Iris over Marks liefdesverklaring en het dreigement bij zijn afscheid.
Nadat de agente alles in haar boekje heeft genoteerd, staat ze op. ‘Sterkte, mevrouw van Dongen. We houden u op de hoogte.’

De deur van haar ziekenkamer gaat langzaam open. Verbaasd kijkt Iris naar de grote bos rode rozen die om de deur gehouden wordt. Daarna verschijnt Paul in de deuropening.
‘Een bloemetje voor de patiënt,’ zegt hij, terwijl hij op haar bed af komt lopen.
Iris begint onbedaarlijk te huilen.
Paul strijkt over haar voorhoofd. ‘Huil maar, lieverd. Het is ook niet niks, wat er allemaal is gebeurd.’
‘Je hebt mijn leven gered,’ snikt Iris. Ze trekt Paul naar zich toe en zoent hem hartstochtelijk.
Paul vertelt dat hij op de bewuste avond langs haar huis was gereden in de hoop dat ze nog op zou zijn. Hij wilde zó graag met haar praten. De hele benedenverdieping brandde toen al.
Hij blijkt inmiddels ook te hebben gehoord wie de vermoedelijke brandstichter is. Hij vraagt of ze enig idee heeft waarom die jongen dat gedaan zou kunnen hebben.
Dan vertelt Iris over het bezoekje en de liefdesverklaring. En van het dreigement.
Paul kijkt haar ongelovig aan. ‘Dus het was wraak?’
Iris knikt. ‘Daar lijkt het op.’
‘Onvoorstelbaar, dat iemand zoiets kan doen. Als ik niet toevallig was langsgereden, was je nu waarschijnlijk dood geweest.’
‘Dat zei de arts gisterochtend ook.’
‘Weet je al wanneer je het ziekenhuis mag verlaten?’
‘Waarschijnlijk morgenochtend. Ik krijg voorlopig onderdak bij mijn ouders. Intussen kan ik rustig naar wat anders uitkijken.’
Paul pakt haar hand. ‘Zou je niet bij mij terug willen komen?’
Iris begint opnieuw te huilen. ‘Zou je dat willen?’
‘Niets liever dan dat.’

Het is prachtig weer als Iris van school naar huis fietst. Twee weken geleden is ze opnieuw bij Paul ingetrokken en het voelt goed. Heel goed zelfs. Ze heeft Paul vergeven toen hij beloofde nooit meer ‘domme dingen’ te doen. Samen in dat riante huis is toch heel wat prettiger dan in je eentje op die bovenkamers.
Voorlopig ziet ze het leven weer helemaal zitten: een lieve zorgzame man, een fijn huis, een leuke baan en … het is vrijdagmiddag, dus ze hoeft geen lessen voor te bereiden. Ze hoeft vanmiddag helemaal niets te doen. En dat met dit mooie weer.
Maar dan opeens, en dat gebeurt de laatste tijd vaker als zich prettig voelt, verschijnt er een zwarte wolk voor haar zonnige humeur: Mark Janssen. De verliefde jongeling, die wraak nam. Vanwege haar afwijzing. Maar Mark is niet meer. En zij wel, ternauwernood aan de dood ontsnapt. Gered door haar Paul.
Paul zou proberen vanmiddag op tijd thuis te zijn, maar als ze bij huis aan komt fietsen, ziet ze de auto nog niet voor de garage staan.
Iris besluit wat in de tuin te gaan werken. Nadat ze zich heeft omgekleed loopt ze naar het schuurtje achter in de tuin. Terwijl ze het tuingereedschap pakt, ziet ze de broek en het fleecejack hangen die Paul droeg op de avond dat hij haar uit het brandende huis redde. Vol scheuren en brandvlekken. De aanblik bezorgt haar, net als de vorige keren dat ze hier was, hartkloppingen. Iris besluit daarom de kleren in de afvalcontainer te gooien, nu meteen. Voor de zekerheid voelt ze nog even de zakken na. In de linker broekzak vindt ze een geel, dubbelgevouwen post-it briefje dat ze in de prullenbak onder de werkbank gooit. Dan bedenkt ze zich en pakt het er weer uit. Als ze het heeft opengevouwen, leest ze: M.J. 15/4 23:00 06 45 78 99 04.
Op dat moment komt Paul het schuurtje binnenstappen. ‘Wat doe je?’ Als hij het briefje ziet dat Iris in haar hand houdt, krijgt hij een kleur.
‘Ik ga die kleren weggooien. Elke keer als ik hier binnenkom word ik geconfronteerd met de brand.’ Dan houdt Iris hem het briefje voor. ‘Wat betekent dit?’
Paul bekijkt het papiertje. ‘Geen idee. Zal wel een afspraak met iemand geweest zijn. Vast opgeschreven op een moment dat ik mijn agenda niet bij me had.’
‘Vijftien april is de dag dat mijn huis afbrandde.’
‘Dat moet toeval zijn,’ zegt Paul. Zweetdruppeltjes parelen op zijn voorhoofd.
‘Dus jij had die dag om elf uur ’s avonds een afspraak met ene M.J.’
Paul is nu wit weggetrokken. ‘Ja, met Monique. Wat was haar achternaam ook alweer? Oh ja, Monique Jongsma. Daar sprak ik in die tijd wel eens mee af. Ze werkt in de verpleging en zou die avond na haar avonddienst, zo tegen een uur of elf, naar me toekomen.’
‘Die avond was jij tegen elven in de buurt van mijn huis. Ik denk dat het anders is, Paul. De letters M.J. staan voor Mark Janssen, de brandstichter. ’s Avonds tegen elven brak de brand uit.’
Paul trekt zijn stropdas wat losser. Met uitdrukkingloze ogen staart voor zich uit. Het zweet loopt in straaltjes van zijn hoofd.
‘Paul, je gaat me nu alles vertellen. Daarna gaan we samen naar de politie.’
Paul begint hevig te beven. Met trillende stem zegt hij: ‘Op een avond, het zal een week voor de brand geweest zijn, besloot ik, nadat ik de vaatwasser had ingeruimd, meteen te beginnen met het verslag van de vergadering met mijn verkoopteam die middag. Mijn laptoptas lag nog op de achterbank van mijn auto. Toen ik die middag uitstapte, belde mijn secretaresse. Al bellend was ik het huis binnengelopen en had niet meer aan die tas gedacht. Ik pakte mijn autosleutels en liep naar buiten. Op dat moment hoorde ik glasgerinkel. Mijn auto? Ik rende om het huis heen en zag een donkergekleed figuur door het zijraampje van mijn auto de laptop pakken. “Hé, wat moet dat daar?” riep ik terwijl ik naar de auto rende. Voordat de dief zich uit de voeten kon maken, had ik hem al vastgegrepen. Ik rukte de onverlaat de zwarte bivakmuts van zijn hoofd. Terwijl ik de jongen, die hooguit een jaar of zeventien was, met mijn rechterhand bij de arm hield, probeerde ik met de andere hand mijn mobieltje uit de zak te pakken. Afwerken. Meteen de politie bellen. Shit, mijn telefoon lag nog op de eettafel. Ik sleepte de jongen, die hevig tegenspartelde, mee naar binnen. De jongen, die minstens zo geschrokken was als ikzelf, beefde over zijn hele lichaam. Ik kreeg medelijden met hem. Ik vroeg of hij dit vaker deed en waarom? Was hij verslaafd aan drugs? Dat bleek niet het geval, maar hij had gokschulden, 15.000 euro. Die probeerde hij op deze manier af te betalen. Ik vroeg of hij nog op school zat. Ja, op het Marnix College. Dan had hij vast ook les van mevrouw van Dongen. Ja, jij was zijn wiskundedocente. En toen bedacht ik een plan. Ik wilde je zo graag terug, Iris. Ik bood de jongen 5.000 euro als hij mij wilde helpen. Hij keek me met grote ogen aan. Ik vertelde hem dat hij niets anders hoefde te doen dan naar jou huis te gaan om te vertellen dat hij smoorverliefd op je was. Logischerwijs zou jij hem afwijzen. Bij het weggaan moest hij zeggen dat je daar spijt van zou krijgen. Dat was alles. De jongen begreep hij er niets van. Ik stelde hem voor de keus: óf ik belde meteen de politie, óf hij ging akkoord met mijn voorstel. Hij koos voor het laatste. Ik vertelde hem wanneer hij jou moest bezoeken. Dezelfde avond kon hij bij mij thuis het beloofde geld komen ophalen. Die middag heb ik hem onopvallend gevolgd en wist dat hij bij jou binnen was geweest. Niet die jongen heeft het huis in brand gestoken, maar ik heb het gedaan. Het ging allemaal heel snel. Sneller dan ik had gedacht. Het huis moest afbranden, maar jij moest er wel levend uitkomen. Dus ik heb als een gek op de deur staan bonzen en “Brand!” geroepen en aangebeld. Daar moest je wel wakker van worden. Maar je kwam niet naar buiten. De rest weet je.’

Het wordt Iris zwart voor de ogen. Ze staat te trillen op haar benen. Met moeite weet ze zich aan de werkbank vast te grijpen. Het zweet breekt haar uit. Ze kijkt naar Paul. Naar zijn ogen. De ogen van een bezetene. Waarom heeft ze dat niet eerder gezien? Toen het nog niet te laat was. Ze moet eruit. Naar buiten. Ze heeft frisse lucht nodig. Slingerend loopt ze naar de deur. Maar Paul is haar voor. Draait de sleutel om en stopt hem in zijn zak. Hij gaat vlak voor haar staan. ‘Die jongen mocht natuurlijk niet gaan praten. Dan zou het hele plan mislukken. Toen hij die avond bij me kwam op het geld op te halen, heb ik hem met een koevoet uitgeschakeld. Op zijn achterhoofd. Hij zakte meteen in elkaar.
Nauwelijks bloed. Ik heb hem in de kofferruimte van mijn auto gelegd. En later in de brandende bijkeuken, met zijn hoofd onder een balk. Maar hij was toen al dood. Die zou niet meer praten.’
Die zou niet meer praten, denkt Iris. En zij dan? Zij weet nu toch ook alles. Iris raakt in paniek als tot haar doordringt dat ze in groot gevaar is. Meteen weet ze zichzelf weer enigszins gerust te stellen. Nee, hij zal háár niets aandoen. Hij aanbidt haar immers. Ze legt haar hand op Pauls schouder. ‘Kom mee Paul, we gaan samen naar de politie. Jij gaat het ze allemaal vertellen.’
Paul schudt zijn hoofd. Terwijl hij zijn stropdas lostrekt, komt hij wankelend op haar toelopen.

Kasper Kombrink

Kasper Kombrink (63 jaar) was tot 1 oktober 2008 docent ICT in het HBO. Om niet in het bekende ‘zwarte gat’ te vallen of achter de geraniums te geraken is hij vanaf die datum substantieel meer tijd gaan besteden aan zijn hobby: het schrijven van verhalen en gedichten.



Bezoekersreacties:
Danielle (33) op 21 maart 2012:
Tot het einde een goed verhaal.

Cocky (34) op 28 mei 2011:
Kasper, je hebt jezelf overtroffen. Dit is de beste ooit. Geweldig!

Anaïd Haen (45) op 28 mei 2011:
Geweldig om dit verhaal op Vrouwenthrillers te mogen lezen, Kasper. Goed gedaan!