Paspoort naar vrijheid
Door: Iris Houx op 15 januari 2011

Vrolijk zwaaiden we Peter vanochtend uit terwijl hij op weg ging naar zijn werk, Tim en ik. Zijn warme kinderknuistje kriebelde in mijn nek.
'Dag papa!' riep hij enthousiast. 'Tot vanavond!'
Peter kon het al lang niet meer horen. Aan het einde van de straat verdween hij de hoek om. Een nieuwe, saaie werkdag als registeraccountant tegemoet, in de vaste veronderstelling dat Tim en ik er ook vanavond weer zouden zijn, op onze vaste plek achter het keukenraam, bij het fornuis vol dampende pannen.
Hoe graag wilde ik dat het zo simpel was. Dat het leven dat Peter voor zich zag ook de werkelijkheid was. Niet alleen Peters werkelijkheid, maar ook de mijne. Was het niet vreemd dat je maandenlang kon samenwonen en zoveel met elkaar kon delen zonder elkaar werkelijk te kennen? Ik kon er in elk geval niet meer tegen. Mijn verleden zat onze toekomst in de weg en dat moest opgelost worden. Vandaag nog. Als Peter straks thuis kwam, zou alles zijn zoals het moest zijn. Het plaatje zou eindelijk kloppen.
Ik zette Tim neer, die direct naar zijn speelhoek in de woonkamer rende en pakte mijn mobiele telefoon om het bekende nummer in te toetsen.

'Miroslaw.'
'Miro, met mij, Svetlana. Ik ben er klaar voor.'
'Zeker weten? Je vent heeft niets in de gaten?'
'Nee, alles is in orde. Je kent de voorwaarden: mijn paspoort terug en daarna nooit meer contact.'
'Niet te bijdehand hè? Eerst zaken doen, dan krijg jij je paspoort terug. En wees maar niet bang dat ik daarna nog contact met je wil.' Hij snuift.
Ik walg van hem. Hoe is het mogelijk dat ik ooit de gladde praatjes van deze man geloofde? Ik had beter moeten weten. Ik klap het mobieltje dicht en loop de woonkamer in, naar Tim die braaf aan het spelen is met de nieuwe vrachtwagen die hij gisteren van me gekregen heeft. Ik aai hem over zijn wangetje en voel fysieke pijn en misselijkheid opkomen bij de gedachte aan wat ik hem ga aandoen. In de maanden dat Peter en ik bij elkaar zijn, ben ik echt van hen gaan houden, zowel van Peter als van Tim, het kind met de grote blauwe ogen, dat in zijn eerste levensjaar al een scheiding van zijn ouders moest doormaken. Zijn moeder ging er met een ander vandoor en heeft nooit meer naar hem omgekeken. Hij kan zich haar later waarschijnlijk niet eens herinneren. Flarden, hooguit. In zijn ogen ben ik zijn moeder. En zo moet het blijven. Daarvoor zijn offers nodig. Ik doe dit niet alleen voor mezelf, daar troost ik me mee.

Als Tim klaar is met zijn boterham zet ik hem op de onderste trede van de trap. Ik trek zijn schoenen aan.
Terwijl ik voorover hang om zijn veters te strikken, aait hij door mijn haar. 'Lana is heel lief'.
Ik kijk op.
'Lana moet niet huilen. Ik heb bammetje toch opgegeten?'
'Nee, gekkie, Svetlana huilt niet. Ik heb tandpasta in mijn ogen gekregen.' Ik geef hem een kus op zijn kruin en sta weer op. 'Zo mannetje, we zijn klaar voor de speeltuin.'
Dan klinkt mijn telefoon weer. Ik zie dat het Peter is. Trillend neem ik op.
'Hoi lieverd, hoe is het daar?'
Ik probeer het gesprek kort te houden zonder dat het te veel opvalt. Gelukkig moet Peter ook weer verder.
'Nou, tot vanavond dan. Geef Tim een dikke knuffel van me.'
'Dag schat.' Ik hoor zelf het Poolse accent, maar het is moeilijk af te leren.
Natuurlijk kan Peter niets aan me merken. Toch voelt het zo, alsof hij weet wat ik van plan ben met zijn enige zoon, zijn oogappel. Peter vertrouwt me, vanaf het eerste moment. Hij is net zo naïef als ik ooit was.

Toen Miroslaw me dit voorstel deed, dacht ik dat hij gek was. Krankzinnig. Ik had nog nooit van iets dergelijks gehoord. Logisch, dit soort dingen gebeuren niet in vol daglicht. Miro wist hoe wanhopig ik was. Een intelligente, jonge vrouw als ik hoorde niet in de prostitutie, maar zolang Miro mijn paspoort had, kon ik nergens heen. Ik was zoals zoveel naïeve vrouwen uit het voormalige Oostblok hierheen gelokt met mooie praatjes. Ik zou huishoudelijk werk gaan doen bij rijkelui, onderdak krijgen en voldoende geld verdienen om een studie te kunnen bekostigen. Onderdak kreeg ik inderdaad, met nog twee andere meisjes. Een Afrikaanse die geen enkele andere taal sprak dan haar moerstaal en een brutale Russische: Katerina. Met haar kon ik af en toe een gesprek voeren of we keken simpelweg tv. Geld zagen we nooit en onze paspoorten waren direct afgepakt; een mobiele telefoon of internet hadden we niet. Vier jaar lang leefde ik in een kamertje zonder daglicht, met alleen een bed, een tv, een klein tafeltje en een stoel. Het enige contact met de buitenwereld bestond uit mannen in allerlei soorten en van allerlei leeftijden. Fysiek contact. Het was altijd onduidelijk wanneer er diensten van ons verlangd werden en van welke aard. Vierentwintig uur per dag moesten we paraat staan. Of beter gezegd: liggen. Hoerig gekleed en zwaar opgemaakt. "Uitnodigend" noemde Miro het. Als we sliepen werden we gewoon wakker gemaakt. Als we ziek waren of ons maandelijkse ongemak hadden, ging het werk gewoon door. Zodra we het bekende geluid van zijn oude, rammelende auto hoorde, het rinkelen van een sleutelbos en Miro's stem, wisten we wat ons te doen stond. Nog steeds schrik ik 's nachts soms wakker. Dan denk ik dat ik die geluiden weer hoor, als aankondiging van een nieuwe vernedering.
Door veel televisie te kijken en te lezen, leerde ik de taal. Miro nam wekelijks Nederlandse damestijdschriften voor ons mee, die ik van voor tot achter las. Ik analyseerde elke tekst net zo lang tot ik de betekenis begreep. Op een dag las ik een reportage over vrouwenhandel. Ik schrok. Onvoorstelbaar! Pas toen begreep ik dat het een naam had, dat wij drieën niet de enige waren. Vreemd genoeg had ik daar nooit eerder over nagedacht. In een interview met een slachtoffer las ik hoe zij uiteindelijk wist te ontsnappen. Het was zo eenvoudig dat ik dagenlang kwaad op mezelf was dat ik het niet zelf had bedacht, jaren eerder. De vrouw had ziekte voorgewend, dusdanig ernstig dat medische hulp van levensbelang was. Haar pooier nam haar mee naar een arts, maar bleef uiteraard constant bij het onderzoek aanwezig. Toch wist ze op een zeker moment een briefje in de handen van de arts te spelen. Ze werd bevrijd.

Precies twee weken na het bezoek aan de arts die Miro bereid had gevonden mij te onderzoeken, werd er een inval bij ons gedaan door de politie. In de hectiek lukte het me om te ontsnappen. Toen ik aan het daglicht gewend was, zag ik voor het eerst waar ik al die tijd had gezeten: in een oude loods op een bedrijventerrein. Ik liftte naar de dichtstbijzijnde stad. Onderweg zag ik een vlak land met veel koeien, weilanden en overal mensen op fietsen. Dat vond ik heel grappig. Waren ze hier zo arm dat ze geen auto konden betalen? En ik maar denken dat Nederland zo welvarend was. Tegenwoordig weet ik wel beter en fiets ik ook als de beste, vaak met Tim in het kinderstoeltje. Alleen aan mijn lichte accent kun je horen dat ik geen Nederlandse ben. Mijn accent is onder andere waar Peter op is gevallen, zo zegt hij altijd schalks glimlachend. Erg sexy, noemt hij het. Hij moest eens weten.
Het probleem is mijn paspoort. Dat is nog steeds in bezit van Miroslaw. Zonder paspoort ben ik niemand, heb ik geen verleden, geen bestaansrecht en geen toekomst. Maar vandaag zal dat veranderen.

De eerste keer dat ik Miroslaw weer zag, was ik bang dat hij aan me zou zien of zou merken dat ik degene was die hem had verlinkt. Maar hij wist niets.
'Aha, mijn melkkoetje, ze kan de stal niet missen,' zei hij spottend. Het was waarschijnlijk de enige Nederlandse uitdrukking die Miro ooit had opgepikt. Het klonk belachelijk met zijn zware accent.
Ik was na al die tijd gewend om als melkkoetje aangesproken te worden en ik was steeds beter in staat om mijn diepe walging te verhullen bij zijn aanblik en zijn geur.
'Jouw melkkoetje is in de wei geweest Miro, en ze wil nooit meer terugkeren naar de stal.' Het lukte me zowaar om een flauwe glimlach te tonen. 'Ik heb mijn paspoort nodig.'
Een minuut lang lachte hij bulderend. Ik wachtte geduldig tot hij klaar was.
'Ik meen het Miro, zeg maar wat je ervoor wil hebben.'
'Zo gemakkelijk gaat dat niet. Maar deze keer heb je geluk. Toevallig ben ik met een nieuw project bezig. Misschien heb ik een klus voor je. Je laatste, in ruil voor je paspoort.'
Toen deed hij me dat krankzinnige voorstel. Nogmaals: ik was wanhopig. Ik wilde nooit meer terug naar waar ik vandaan kwam, noch naar Polen, noch naar het bordeel. Ik wilde leven, als een doodgewone vrouw, misschien studeren of trouwen. Ik stemde toe.

De auto hobbelt over het losse zand, af en toe voel ik hoe een wiel doorslipt. De oude jagershut in het bos, daar hebben we afgesproken. Ik ben het gisteren gaan verkennen. Het voelde alsof ik weer in mijn peeskamertje stond. Een muffe, kleine ruimte zonder ramen. Het is ideaal voor mijn plan. In elke hoek heb ik een klein cameraatje geplaatst, goed gecamoufleerd. Het móet gewoonweg lukken.
'Ik zie geen speeltuin,' klinkt Tims stemmetje vanaf de achterbank. Aan de uitspraak hoor ik dat hij zijn duim nog in zijn mond heeft.
'Het is een binnenspeeltuin lieverd, in een huisje. Er komen dadelijk twee meneren een spelletje met jou doen. Een spannend spelletje, een soort doktertje. Het duurt maar even en Svetlana blijft de hele tijd bij je.'
'Wil niet spelen met meneren.'
'Je vindt het vast leuk. Als we klaar zijn, gaan we naar een echte speeltuin, die met die lange glijbaan waar we altijd samen vanaf gaan. Misschien krijg je daarna ook nog een aardbeienijsje.' Spanning. Schuldgevoel. Het balt zich samen in mijn onderbuik en veroorzaakt misselijkheid en vlekken voor mijn ogen. Ik moet me concentreren op de slingerweg om te kunnen blijven functioneren. Als alles maar volgens plan verloopt. Ik wil niet nadenken over de mogelijke gevolgen van het mislukken van mijn plan, over wat er gebeurt als er één piepklein onderdeel faalt. Alles wat ik heb staat op het spel: Tim, mijn relatie met Peter, mijn leven, mijn vrijheid.

'Blijf jij nog maar even in de auto Tim,' zeg ik tegen de grote ogen. 'Ik kom je zo halen.'
Ik kijk om me heen in de benauwde ruimte. Ik zet de camera's aan. De schrik slaat me om het hart als ik de tafel zie met daarop de uitgestalde attributen. Tim, arme Tim. Het gaat draaien voor mijn ogen als ik een scalpel zie, wondklemmen en ander gereedschap dat ik niet ken. Miroslaw en zijn 'arts' hebben alles goed voorbereid.
De galblaas van een kind bevat zeldzame sappen die een medicinale werking hebben, zo verzekerde Miroslaw me. Er zijn landen waar rijke mensen er duizenden euro's voor betalen. Er wordt een middel van gemaakt dat werkt tegen hoofdpijn, nierstenen, een kater enzovoorts. De laatste tijd worden er ook shampoos en liefdesdrankjes van gemaakt. In het illegale circuit, vooral in Aziatische landen, gaan ze als zoete broodjes over de toonbank. Sinds dierenbeschermingsorganisaties het tappen van gal bij beren steeds verder weten terug te dringen, is men op zoek naar alternatieven. Gal van kleine kinderen, het liefst zo jong mogelijk, lijkt eenzelfde werking te hebben volgens Miroslaw. Hij zei ook dat Tim er weinig van voelt. Ik geloof er niets van. Ik geloof niet dat het pijnloos is of dat het niet gaat ontsteken. God mag weten wat voor medisch onderlegde malloot hij bereid heeft gevonden om deze klus te klaren. Ik zal voor Tim vechten, maar ik moet dit nu eenmaal doen.

Ik hoor Miroslaws auto naderen. Ik herken het geluid van de oude rammelbak uit duizenden. Miro wil niet in een opzichtige auto rijden, zoiets wekt alleen maar argwaan volgens hem. Misschien was dat ook wel de reden dat hij zo snel weer op straat stond na zijn aanhouding. Men kon het bewijs niet rond krijgen, zo zei hij met een grijns. Een ander vreemd trekje van Miro is dat hij zijn auto nooit op slot doet 'om als er stront aan de knikker is, direct weg te kunnen rijden.'
Katerina en ik moesten daar hard om lachen. 'Dan moet hij wel starten als je hem nodig hebt.'
We lachten ook om zijn verklaring om nooit spullen in zijn broekzakken te dragen: 'Maakt te veel geluid als je ongehoord en ongezien weg wil komen'.
'Hij denkt zeker dat hij Al Capone is', schamperde Katerina.
In de deuropening verschijnt het silhouet van Miroslaw. Hij knikt naar me, draait zich om en gebaart achter hem. 'Zapraszamy'. Een kale man met kraaloogjes volgt hem.
Miro komt direct ter zake. 'Waar is het kind?'
'In de auto.'
'Haal hem.' Met een kort armgebaar zet hij zijn woorden kracht bij.
'Eerst mijn paspoort zien.'
'Ligt in de auto.'
Dacht ik het niet. Ik haal mijn schouders op. 'Oké, ik haal het kind.'

Ik stel Tim voor aan de mannen die even door hun hurken gaan om een paar geruststellende woorden tegen hem te zeggen. Als ze overeind komen, knikken ze goedkeurend naar elkaar. Het contrast daarvan slaat me als een vlakke hand in het gezicht.
Tim wordt in de stoel gezet. Als de arts zijn T-shirt omhoog wil doen, raakt Tim in paniek. Mijn hart roffelt. Dat had niet veel langer moeten duren, anders had ik moeten overgaan op plan B. Ik voel aan het holster dat verborgen zit onder mijn wijde broek, voorlopig blijft het waar het is.
Ik stel voor om Tims knuffel te halen, daar wordt hij vast rustiger van. De mannen knikken afwezig, terwijl ze met elkaar blijven praten in het Pools.
Ik kijk nog even over mijn schouder als ik wegloop van de hut. Verschrikkelijk dat ik Tim moet achterlaten bij deze mensen, al is het maar voor een halve minuut, zo heb ik uitgerekend. Geruisloos ren ik over het vochtige zand naar de auto van Miroslaw. Ik voel aan het portier aan de bijrijderskant, zoals verwacht is deze niet afgesloten. Ik open het dashboardkastje. Er ligt een paspoort in! Snel sla ik het open. Ik kijk recht in mijn eigen ogen. Tijd om blij te zijn heb ik niet. Snel stop ik het onder mijn kleren en ik ren naar mijn eigen auto. Net als ik het achterportier heb opengetrokken en naar Tims knuffel reik, gaat de deur van de hut open. Gekrijs van Tim ijlt door de lucht. Angst overvalt me. Zouden ze toch begonnen zijn?
'Zeg, duurt het nog lang?'
'Nee, ik heb hem. Moest even zoeken.' Hijgend ren ik terug naar de hut.
Tim kijkt me doodsbang aan. 'Lana moet bij mij blijven'. Hij snikt.
Ik veeg zijn tranen weg. 'Rustig maar, knul. Ik laat je niet meer alleen. Kijk, hier is Nijn.' Ik duw hem de knuffel in zijn armen. Zijn bovenlichaam hikt nog een paar keer. Langzaam wordt hij rustiger.
'Zullen we dan?' De arts trekt zijn stoel dichterbij en tilt het T-shirt van Tim weer op. Opnieuw begint hij te krijsen. 'Wil nie, wil nie! Is geen leuk spelletje!'
De mannen raken geïrriteerd. De laatste fase van mijn plan breekt nu aan.
'Hij is bang omdat hij niet precies weet wat er gaat gebeuren,' leg ik uit. 'Vertelt u me nog een de procedure, dan breng ik dat in zijn woorden op hem over.'
De kale man vertelt me in het Pools zijn versie van het verhaal. Dat we er goed aan hebben gedaan hierheen te komen. Door het afstaan van gal zorgt Tim ervoor dat men medicijnen kan blijven maken voor hele zieke mensen. De procedure is nu nog erg omstreden maar straks zal het net zo gewoon zijn als een niertransplantatie. Tot die tijd moet het noodgedwongen in het geheim gebeuren. Hij pauzeert even een kijkt me spijtig aan, in een poging om medelevend over te komen. Walgelijk. Het liefst zou ik met al mijn kracht een vuist in zijn schijnheilige smoel slaan. In plaats daarvan knik ik begrijpend, waarop hij plaatsneemt op het krukje.
Ik praat tegen Tim, over de leuke dingen die we straks gaan doen en over zijn knuffel die hij stevig vasthoudt terwijl de arts voor de derde keer zijn T-shirt vastpakt.
Zoals ik Miro inmiddels ken, wil hij overal met zijn neus bovenop staan. Rustig doe ik een stapje opzij om hem erbij te laten. Ondertussen blijf ik tegen Tim praten. Vreemd genoeg blijft hij kalm, alsof hij weet wat er van hem wordt verlangd. Ik voel in mijn broekzak, raak blindelings de toetsen aan zoals ik sinds gisteren wel honderd keer heb geoefend. Gelukkig, in mijn andere broekzak gaat een telefoon over.
Geërgerd kijkt Miro op. Ik kijk verbaasd terug en reik naar mijn telefoon. Ik gebaar de mannen om even te onderbreken waar ze mee bezig zijn. Ik klap het toestel open en doe alsof ik een gesprek voer. Ik frons mijn wenkbrauwen. Dan klap ik het dicht.
'Snel, we moeten ervandoor. De politie is onderweg!'
Het woord politie mist zijn uitwerking niet, zoals ik had verwacht. De mannen vragen niet wie er belde. Ze willen niet weten hoe het kan dat de politie hier vanaf weet of wie hen geïnformeerd kan hebben. De kruk klettert op de grond, ze spurten naar de deur zonder nog een woord te zeggen. Blinde paniek. Miro's auto stuift weg.
Ik sluit Tim in mijn armen. 'Kom maar jongen, het spelletje is voorbij. We gaan nu naar de echte speeltuin.'
Dankbaar kijkt hij me aan.
Eerst haal ik de cameraatjes uit hun verborgen plekken. Het verhaal van de arts moet voldoende bewijsmateriaal leveren om de mannen minstens een paar jaar achter de tralies te krijgen. Ik neem Tim bij de hand en rustig lopen we naar de auto.

We zijn net thuis als Peter door de voordeur komt.
'Hé, waar zaten jullie?' zegt Peter. 'Ik zag niemand achter het keukenraam.'
Tim rent hem tegemoet. 'Ik ben naar de speeltuin geweest! 'Hele grote glijbaan!'
Peter geeft mij een kus en Tim een kneepje in zijn wang. 'Leuke dag gehad?'
'Ach, niets bijzonders,' antwoord ik. 'Gewoon een dag als alle andere.'

Iris Houx

Iris Houx (1975) woont in Brabant, is getrouwd en heeft twee zoontjes. Ze verdient haar brood als secretaresse maar droomt stiekem van een carrière als schrijfster. Iris werkt aan haar eerste roman (een chicklit), publiceert columns op haar eigen website Miss Moneypenny Blogs en is vaste columniste van online magazine Whoopsie Daisy.
Naast schrijven heeft Iris een passie voor voor Frankrijk, koken, lezen en… chocolade.



Bezoekersreacties:
Andrea Valkonet (39) op 19 april 2011:
Heel erg gaaf!

Ineke Kuijsten (50) op 19 april 2011:
Spannend verhaal met een gelukkig einde.

niencke (35) op 9 februari 2011:
Superspannend! hoe kom je er op? ben ook zeer benieuwd naar je eerste boek en qua genre kan jij volgens mij alles! als er niet binnenkort een grote vraag naar jouw boeken komt weet ik het ook niet meer :-)

Anita (41) op 24 januari 2011:
Heel spannend en geloofwaardig geschreven. Gelukkig een goed afloop!

Helmi (64) op 20 januari 2011:
In de eerste regel voel je de spanning al. Heel pakkend. Ik zat direct helemaal in het verhaal. Heel knap geschreven, Hoe kom je er op? Kijk nu al uit naar een boek van jou.

Ellen van Oorschot-F (44) op 17 januari 2011:
Verrassend een thriller van jou. Is er ook een genre waarin jij nog geen letter geschreven hebt? Blijf schrijven. Je komt er. Groetjes, Ellen

Kasper (63) op 17 januari 2011:
Met plezier gelezen. Spanning tot en met de laatste zin. Lekkere vlotte stijl van schrijven. Wat mij betreft een potentiële winnaar van de kwartaalprijs. Hoewel ... ik hoop binnenkort ook weer met een quiller te komen ;-)

Elianne van de Pas (36) op 17 januari 2011:
Vond het echt superspannend! Heb zelfs tijdens even gespiekt naar het einde of het wel goed afliep (slecht hè?). Ben benieuwd naar nieuw repertoire!

Jeanette (49) op 16 januari 2011:
Sterk, je wordt heen en weer geslingerd in je emotie tussen walging en spanning, vooral als ze met Tim op pad gaat. Even slaat de twijfel toe over haar motieven en kun je niet geloven wat je leest, want in een paar zinnen is ze neergezet als een oprecht persoon dus wat gaat ze doen? Mooi plot, eigenlijk kijk ik wel uit naar deel2: de aangifte, rechtszaak en de reactie van Peter hierop, zal hij begrip hebben voor wat ze heeft gedaan met zijn zoon?

Jeroen (41) op 16 januari 2011:
Goed doordacht en lekker spannend. Hoop snel meer thrillers van je te lezen!

Werner (36) op 16 januari 2011:
Met plezier lees ik de humoristische blogs die je schrijft. Knap dat je jouw talent ook kwijt kunt in spannende verhalen.

Gillian King (32) op 15 januari 2011:
Wat een perfect geschreven verhaal. Leest ontzettend vlot weg, mooie opbouw, origineel en last but not least: bijzonder spannend! Enige minpuntje: het was te kort! Ik had nog veel meer willen lezen!

Wondelgijn (44) op 15 januari 2011:
Je hebt geen woord teveel gezegd... Ik heb zitten griezelen en heb zelfs even getwijfeld of ik door wilde lezen, zo zat ik in angst om dat kleine ventje... Goed gedaan!