Gezichtsverlies
Door: Hedi Derijks op 16 oktober 2012

Met stijgende verbazing luistert Roos de Wel naar de ratelende stem uit haar telefoon. Anderhalf jaar werk voor niets! Ze heeft zich als beginnend rechercheur indertijd in die zaak vastgebeten. Omdat ze zichzelf wilde bewijzen maar ook omdat ze hem gewoon niet mocht. Die arrogante, gewelddadige ellendeling achter de tralies krijgen was maandenlang haar enige levensdoel. Nu meldt haar collega van justitie doodleuk dat hij gisteren vrij is gekomen vanwege een foutje tijdens het verhoor.
Ongelooflijk! Ze gooit de hoorn met een smak op haar bureau. Een uurtje of acht geleden zou het apparaat een zachte landing hebben gemaakt op de gestapelde papieren dossiers. Maar nu klapt het ding met flink wat herrie uiteen op het gladde opgeruimde tafelblad. Ook dat nog!

“De Wel! Hier komen, nu!”
Roos staat woedend op en ze loopt naar het glazen kantoortje.
De hoofdinspecteur staat voor zijn bureau. Voordat hij haar een uitbrander kan geven over de vernieling van overheidsmiddelen begint ze al te tieren. De inspecteur zucht en kijkt met een vreemde mengeling van begrip en ergernis neer op zijn donkerharige onderzoeksrechercheur.
“ Roos, ik weet het,” zegt hij.
“Het bevalt mij ook niet. We weten dat die klootzak schuldig is, maar het ondervragingsteam heeft een grove fout gemaakt om hem te blijven ondervragen als getuige. Hij was officieel al verdachte en had dus recht op een advocaat.”
“Vormfout, my ass!” schreeuwt Roos.
“Die klootzak heeft zijn vrouw jarenlang mishandeld en zijn maîtresse bijna vermoord. Hij heeft haar in ieder geval voor het leven verminkt alleen omdat ze te veel ging eisen. Hij wordt gewelddadig zodra iemand hem dwarsboomt. Zo iemand kan toch niet vrijuit gaan?”
 Ze kijkt naar het vertrouwde, doorleefde gezicht van haar baas en langzaam bedaart ze.
“Begrijp je hoe teleurgesteld ik ben. Mijn zaak komt nu niet tot een veroordeling omdat de verdachte toevallig een rijke zakenman is en zich een advocaat van de duivel kan veroorloven. Die hufter is mij trouwens ook nog twee keer aangevlogen, wist je dat?”
Haar baas knikt toegeeflijk, maar spreekt haar vermanend toe.
“Roos, je bent jong genoeg om nog een lange, glansrijke carrière tegemoet te gaan. Maar dan moet je wel leren jezelf te beheersen. Zijn vrijlating is echt niet bedoeld om jou dwars te zitten. Maak het niet zo persoonlijk. Jij hebt je werk gedaan. Jij hebt nu geen zaak meer maar hij ook niet. Zijn reputatie is volledig naar de knoppen, in zijn wereldje is dit soort gezichtsverlies hetzelfde als een faillietverklaring. Van vrouwen en kinderen blijf je af. Hij is ontmand, een nul zonder ballen en zonder toekomst. Dus op een andere manier heb jij toch het recht laten zegevieren. Ga naar huis, laad jezelf op en doe Jerry de groeten van mij.”
Dan neemt hij plaats achter zijn bureau en buigt hij zich over een dossier, als teken dat dit gesprek beëindigd is.
Roos mompelt beschaamd een excuus en loopt terug naar haar werkplek. Ze heeft zich wel erg laten gaan. Ze is doodmoe en net zo leeg als haar opgeruimde bureau. De kapotte telefoon schuift ze beschaamd in de prullenbak. Af en toe een dag op kantoor hoort erbij, maar ze mist dan altijd de adrenaline van de straat. Administratief binnenwerk vreet energie en het kleine beetje dat ze zonet nog had is opgebrand door haar boosheid over het onrecht dat is gebeurt. Ze houdt van haar werk maar misschien heeft haar man wel gelijk en is deze baan in de binnenstad van Utrecht niet goed voor haar. Ze besluit inderdaad vroeg naar huis te gaan om een keer eerder thuis te zijn dan Jerry, misschien gaat ze zelfs wel koken. Maar eerst gaat ze lekker lang ontspannen in een warm bad. Misschien kan Lewis daarna altijd nog even eten halen. Ze noemt hem eigenlijk nooit Jerry. Hij is ouder, bijna een ouwe snoeperd, net als Jerry Lee Lewis. Ze pakt haar jasje en denkt aan zijn grijzende krullen, de geur van hout die om hem heen hangt en zijn krachtige timmermanshanden. Ineens kan ze niet wachten om thuis te zijn.
“De Wel, kan je nog even hier komen?”
Heel even baalt ze, maar al snel verdrijven lugubere feiten in deze nieuwe zaak de gedachten aan het veilige thuis. Zoals zo vaak.

Onderweg naar de plaats delict stuurt ze Lewis een sms dat het laat wordt.
Een groot deel van de Mariaplaats is al afgezet. Roos tilt het rood/witte politielint op en loopt er gebogen onderdoor. Naast een stinkende vuilniscontainer ligt een gescheurde, grijze vuilniszak. Er steekt een stuk rafelig onderbeen uit. Als eerste trekt ze haar handschoenen aan en terwijl politieagenten bouwhekken met zeil om haar heen plaatsen om nieuwsgierige blikken buiten te houden en zo veel mogelijk sporen binnen, begint ze haar onderzoek. In een omtrekkende beweging werkt ze langzaam naar de vuilniszak toe. Ze spreekt al haar bevindingen duidelijk in op een voice-recorder. Aan het afgezaagde onderbeen blijkt nog een voet te zitten. Als ze voorzichtig het lichaamsdeel wil verplaatsen om te kijken wat er onder ligt, vallen er stukken huid en spieren van het gladde bot af. De stank is azijnachtig, niet de onmiskenbare geur van een lichaam in ontbinding.
De lichaamsdelen zijn waarschijnlijk overgoten met een nog onbekende bijtende stof waardoor het weefsel vreemd van kleur en vorm is. Achter haar hoort ze voorzichtige voetstappen en zonder zich om te draaien geeft ze opdracht de containerklep op vingerafdrukken te onderzoeken en de vuilniszak met inhoud voorzichtig naar het laboratorium te vervoeren. Als ze geen bevestigend antwoord krijgt draait ze zich geërgerd om. Daar staat niemand. Toch zou ze zweren dat ze iemand hoorde. Lang tijd heeft ze niet om daar over na te denken want van achter een bouwhek arriveert het onderzoeksteam en gaat haar telefoon over. Snel doet ze haar handschoenen uit en neemt op in de veronderstelling dat het Lewis is, maar ze hoort de barse stem van haar baas.
“Roos, er is nog meer gevonden.”

Op de parkeerplaats van de tippelzone heeft de politie van Utrecht een keet staan. Klein, onopvallend en meestal rustig. De bewakingscamera’s van het achterliggende industrieterrein aan de Europalaan zijn genoeg garantie dat er zich geen al te grote problemen voordoen in dit gelegaliseerde schemergebied van de stad. Nu is het druk, warm en lawaaierig in het hok. Een walm van zweet en rook, nauwelijks verhuld door goedkope parfum komt naar buiten als Roos de deur openrukt. Iedereen kijkt naar haar terwijl ze rustig haar orders uitdeelt, zich niets aantrekkend van de protesterende hoeren die door de afsluiting van het gebied tijdelijk zonder werk en dus drugs zitten. Ze vraagt de prostituee die de lichaamsdelen heeft gevonden binnen te wachten en de rest stuurt ze naar buiten, waar het ondertussen is gaan regenen. Ze moet opschieten anders spoelen eventuele sporen weg.
Ze loopt naar de meest afgelegen afwerkplek en ziet daar tussen smerige doekjes, spuiten en condooms een emmer staan. Het wordt al donkerder maar ze herkend duidelijk de omtrek van een verwrongen hand die boven de rand van de gele emmer uitsteekt. Ze observeert de ranzige, schemerige ruimte. Vaag ruikt ze weer die azijnachtige geur, die nu bijna verscholen gaat achter de opdringerige, penetrante lucht van goedkope en schuldige seks. Zonder verder te kijken weet ze dat deze hand bij het eerder gevonden onderbeen hoort. Ze sluit de plek weer af met het politielint en instrueert haar onderzoeksteam. Dan stapt ze het donker in, onderweg naar de keet waar het hoertje op haar zit te wachten. Voorzichtig loopt ze over de stoep.
De lichtkringen van de lantaarnpalen overlappen elkaar niet en op de heenweg heeft ze loszittende stoeptegels gezien. Ze heeft geen zin om met haar hand of knie in een besmette injectiespuit of een gebruikt rubber te vallen. Plotseling, nog voor dat ze het bewust heeft geregistreerd, voelt ze aan de haartjes die in haar nek overeind gaan staan dat ze wordt begluurd. Ze dwingt zichzelf tot nonchalant stilstaan terwijl ze haar mobiele telefoon uit haar broekzak opdiept. Een ijskoude rilling trekt langs haar ruggengraat naar beneden en terug.
Ze probeert zonder haperen zogenaamd wat toetsen in te drukken op het oplichtende schermpje. Ze ziet niets, maar haar oren zijn gespitst op ieder geluid achter haar. Op haar rug voelt ze ogen branden. Elke vezel in haar lichaam wil wegrennen, vluchten. Nog niet. Dan hoort ze een onderdrukte, zachte kuch. Of was het een lach? Ineens draait ze zich om, haar telefooncamera in de aanslag alsof het een wapen is. Flits! Een struik wordt even verlicht, maar verder ziet ze niets. Geen vluchtend of betrapt persoon. Daar staat ze, hijgend en met wilde ogen, starend naar een struik met daarachter drie onderzoeksassistenten die haar bevreemd aankijken.
Als ze zich omdraait schudt ze haar hoofd en probeert daarmee het onheilspellende gevoel van zich af te schudden. Het zal de moeheid wel zijn, die niet meer onderdrukt kan worden door de vele koppen koffie van vandaag. Misschien. Snel loopt ze door. Het door tl- verlichtte, afgebladderde politiehok lijkt ineens een vriendelijke, veilige buurtkeet. De hoer is al met de noorderzon vertrokken.

Terug op het hoofdbureau legt Roos haar benen gekruist op de tafel en haar handen achter haar hoofd. Het hoofdbureau is uitgestorven. Ze doet haar ogen even dicht en probeert de chaos in haar hoofd te ordenen. Eerst gunt ze zichzelf even een paar minuutjes Lewis. Ze houdt zielsveel van hem en kan zich geen leven zonder hem voorstellen. Hij ligt vast al te slapen. Waarschijnlijk is hij boos, anders had hij wel teruggebeld. In het weekend hebben ze tijd, dan heeft ze geen dienst. Ze kan rustig naast hem wakker worden en naar hem kijken terwijl hij zachtjes snurkt. Als hij wakker wordt van haar starende, liefdevolle blik hebben ze lome, stinkende ochtendseks en daarna strekt een lange vrije dag zich voor hen uit. Hij zou die graag als gezin willen besteden, maar zij kan nog niet kiezen tussen deze baan en het moederschap. Een combinatie is niet mogelijk. Maar nu de onvermijdelijke vermoeidheid zich definitief heeft genesteld in haar lijf en geest, lijkt de keuze niet meer zo moeilijk.
Het al jaren letterlijk en figuurlijk roeren in gruwelijkheden doen haar verlangen naar huiselijke rust en geborgenheid. Ze droomt van een gelukkige toekomst met Lewis. Haar ademhaling wordt dieper en ze voelt hoe haar ene gekruiste been van de andere afglijdt en met een ontspannen bonk op het bureaublad neerkomt. Met tegenzin doet ze haar ogen open, voordat ze te erg ontspant en in slaap valt. Met weer een nieuwe mok koffie sluit ze de gedachten aan thuis af.
Als ze naar het lab heeft gebeld om te proberen met zachte dwang snellere onderzoeksresultaten te krijgen zijn haar gedachten alleen nog maar bij de zaak.
Terwijl haar vingers ritmisch voortbewegen over het toetsenbord, geleid door haar eigen stem op de voice-recorder, denkt ze na.
Iemand wil dat de lichaamsdelen deze nacht worden ontdekt of het moet wel een onwaarschijnlijk domme moordenaar zijn. Waar is de rest van het lichaam? Roos weet zeker dat er deze nacht nog meer gevonden gaat worden. Waarom dat zure, bijtende spul op het lichaam? Plotseling schiet het bloed naar haar hoofd en gehaast spoelt ze de opname iets terug. Ze hoort zichzelf zakelijke en koele aanwijzingen geven. Nog een stukje terug. Daar hoort ze duidelijk voetstappen. Ze heeft het zich niet verbeeld! Ze gooit de koptelefoon van haar hoofd en pakt haar mobiele telefoon. De foto was ze helemaal vergeten. Zou ze zich dat ook niet verbeeld hebben. Ze opent het bestand met foto’s. Tot haar verbijstering ziet ze aan de zijkant van de foto, nog net verlicht door de flits, een korrelige gestalte haar richting op gedraaid staan. Zijn gezicht is half afgeschermd van het licht door de klep van een baseballcap. Hij maakt geen aanstalten te vluchten. Zijn lichaamshouding is eerder verwachtingsvol dan betrapt.
Waarom? Roos voelt een bekend kriebeltje achter haar borstkas, hij is niet alleen voyeur maar ook vast de dader. Hij geniet ervan om het effect van zijn afschuwelijke daad weerspiegeld te zien in de emoties van de ontdekkers, onschuldige ooggetuigen. Zijn nieuwsgierigheid komt waarschijnlijk voort uit het onvermogen zelf iets te voelen, maar dat is ook zijn valkuil. Bij de volgende plaats delict zal hij namelijk weer toeschouwer zijn, dat weet ze zeker. Nu eerst de baas bellen.
Ze schrikt als ze gehaaste, zachte voetstappen op de gang hoort naderen. Heel even heerst er een voor haar onbekende angst over haar ratio. Ze weet zeker dat de moordenaar hier is en het specifiek op haar heeft voorzien. Dan staat de hoofdinspecteur achter haar. “Ah, daar ben je dus! Praat mij maar bij in de auto, want er is weer een lichaamsdeel gevonden.” Roos schut het belachelijke paranoïde gevoel van haar af en loopt achter haar baas aan.

De nachtwinkel op de Amsterdamsestraatweg heeft de deuren gesloten en het personeel zit met wit weggetrokken gezichten bij elkaar in het keukentje annex kantine. De hoofdinspecteur praat met ze. Deze keer heeft de politie geen haast om de ontdekte lichaamsdelen zo snel mogelijk te onderzoeken. Waarschijnlijk is de dader in de buurt en blijft daar tot hij de voldoening heeft geproefd van het tonen van zijn gruweldaad aan zo veel mogelijk mensen. Het sporenonderzoek en het overbrengen van de lichaamsdelen naar het laboratorium moet dus zo lang mogelijk worden uitgesteld.
Roos speurt alleen en zo onopvallend mogelijk de omgeving af. Ze is al eerder uitgestapt en heeft haar mobieltje en mobilofoon, tegen het bevel van de baas in, uitgezet. Langzaam nadert ze via de achterstraatjes de vindplek van de met bloeddoorweekte kartonnen doos. Het is tochtig in de smalle straat en de wind draagt de azijnachtige geur met zich mee die ze al eerder heeft geroken. Al haar zenuwuiteinden staan op scherp als ze vanuit het donker langzaam naar het verlichtte deel achter de nachtwinkel sluipt. Niemand te zien.                            
Het politielint klappert en ze vangt geluiden op van de drukke straat voor de winkel. Daar! Ze hoort het eerder dan dat ze het ziet. Snel verstopt ze zich achter een groene glasbak. Een autodeur gaat zachtjes open en weer dicht. Er is iemand naar buiten geslopen. Voorzichtig kijkt ze langs de glasbak. Een man met een baseballcap kijkt behoedzaam rond en loopt zachtjes het donker in om daar tussen een geparkeerde auto en een vuilniscontainer stil te blijven staan. Hij is tien meter bij haar vandaan en twintig meter verwijderd van de doos met menselijke delen. Hij draait zich om, zodat hij met zijn zijkant naar Roos staat en met zijn voorkant richting het politielint. Ze is woedend, hoe durft die lul zich zo onaantastbaar te voelen!
Eigenlijk moet ze versterking oproepen, maar dan is het moment waarschijnlijk voorbij. Zonder verder na te denken trekt ze haar wapen en rent op de man af. Ze weet dat ze met haar tengere gestalte geen schijn van kans maakt hem te overmeesteren en daarom slaat ze hem met de kolf van haar pistool tegen zijn slaap. Ze schreeuwt dat hij onder arrest staat. Hij zakt door zijn knieën op de grond. Als Roos hem onder schot houdt en voorzichtig om hem heen draait, ziet ze zijn naar beneden geritste gulp. Zijn lid hangt eruit en zijn broek zit onder de natte plekken. Dan pas ruikt ze de doordringende geur van mannenurine en ze weet dat ze een fout heeft gemaakt. Haar undercover collega kijkt met een verbaasd en van pijn doortrokken gezicht naar haar op.
De agent in burger zit bleek en met een icepack op zijn slaap in het krappe keukentje van de nachtwinkel. Ze heeft hem goed geraakt, dat wel. Verder heeft ze de plank volledig misgeslagen. Roos biedt voor de tweede keer die dag haar excuus aan, hij kijkt haar niet meer aan. Straks moet ze ook nog sorry zeggen tegen Lewis voor alle terechte zorgen die hij altijd heeft over het gevaar van haar baan. Ze wil hem gelijk bedanken voor het geduld dat hij met haar heeft gehad en vertellen dat ze er eindelijk mee stopt. Waarschijnlijk is de baas niet meer zo blij met haar. Ze heeft een collega neergehoekt, de plaats delict vervuild met haar ondoordachte actie en ook heeft ze de eventuele dader hoogstwaarschijnlijk op de vlucht doen slaan. Ze had het protocol moeten volgen en de mobilofoon aan laten staan. Dan had ze geweten dat er extra manschappen rondom de nachtwinkel waren ingezet.
“De Wel, het lijkt mij beter dat je naar huis gaat om wat te rusten. Ik zie je morgen om acht uur, voor de teambespreking. Deze agent brengt je naar het bureau voor je auto, doe je voorzichtig met hem?” Dan draait de hoofdinspecteur zich om ten teken dat Roos kan vertrekken.

Het is tegen de ochtend als ze de straat inrijdt waar ze wonen. Een akelig schuldgevoel knaagt steeds nadrukkelijker aan haar vermoeide brein. Dat en nog iets anders, ze kan er de vinger niet precies opleggen en is te uitgeput om daar aandacht aan te besteden. Ze stapt uit en kijkt verlangend naar het domeintje van Lewis en haar. Niet groot, maar wel vrijstaand. Vijfhonderd vierkante meter geborgenheid, net buiten de stad. Ze loopt naar de houten voordeur. Dat is raar. De deur is al op slot gedraaid maar de gordijnen zijn nog open en de tv staat aan. Als ze binnen is schopt ze haar schoenen uit en gaat op zoek naar Lewis. Ze verwacht hem op de bank te zien zitten, in slaap gevallen voor de tv terwijl hij op haar wachtte. Maar hij is niet in de woonkamer en ook niet in de keuken. Hij ligt natuurlijk al op bed. Maar boven is het ook leeg. Roos zakt ineen op het onbeslapen bed.
Ze snapt er niets van, heeft ze hem te lang laten wachten? Een ijskoude hand grijpt om haar hart, heeft hij haar verlaten? Een gevoel van eenzaamheid overvalt haar. Ze staart in het niets, door het geopende raam. Haar telefoon? Een briefje? Ergens moet toch een berichtje van hem zijn? Een briesje bolt de gordijnen iets op. Roos loopt naar het geopende raam en kijkt de achtertuin in. De wind verdrijft haar sombere gedachten. Ze lacht van opluchting. Het licht in zijn werkschuur is aan! Hij is nog aan het werk, haar timmerman! Zo opgaand in een project dat hij niets hoort. Waarschijnlijk heeft hij zijn beschermende oordoppen ook nog op.
Roos kijkt in de spiegel, ze ziet er niet uit. Ze wast haar gezicht en haalt haar handen door haar korte haren. De smerige kleren verruilt ze voor een comfortabel maar toch leuk uitziend huispak. Een tandenborstel door haar mond, wat deo en een likje lipgloss zorgen ervoor dat ze zich weer een beetje mens voelt. Dan loopt ze de trap af, naar de keuken. Ze pakt twee biertjes uit de Amerikaanse koelkast en loop over het pad naar de werkplaats. De deur staat op een kier. Zachtjes hoort ze de radio spelen. Haar slippers voelen glibberig, ze heeft vast in een naaktslak gestaan. Als ze met haar elleboog de deur opendoet wordt de lichtstraal breder. Ze kijkt snel onder haar zool waar ze het uitgesmeerde beest verwacht.
De twee biertjes vallen uit haar hand, onder haar voet zit bloed, veel bloed! Langzaam kijkt ze op en ziet daar de zaagmachine van Lewis, rood gekleurd van het bloed. Ze ruikt de weeïge geur van de dood, vermengd met de vertrouwde geur van hout. Ze registreert maar voelt niets, alsof ze aan het werk is. Overal klodders, spetters en ondefinieerbare hoopjes vlees en bot. Weer die vreemde azijnachtige lucht. Automatisch zoekt ze naar haar handschoenen en dicteerapparaatje.
Pas als ze het hoofd van Lewis op de werkbank ziet staan beseft ze dat ze thuis is en dat haar leven nooit meer hetzelfde zal zijn. Nooit meer zijn warmte, nooit meer zijn strelende ruwe handen. Haar toekomst is verdwenen, haar leven is voorbij. Ze wil zijn gehavende gezicht strelen en loopt naar de werkbank. Hij staart de leegte in, zijn oogleden zijn weggevreten door de bijtende stof. Zijn huid lijkt wel een druipkaars. Ze wil troostend haar hand op zijn wang leggen. Maar zodra haar vingertoppen zijn huid aanraken valt zijn gezicht eraf, hoopjes vel en haren blijven liggen rond zijn glanzende schedel. Roos zakt op de grond. Als ze weer bij bewustzijn komt leest ze de bloedrode letters op de muur tegenover haar:
GEZICHTSVERLIES?
Door dit letterlijke gezichtsverlies is ze haar geliefde en haar toekomst kwijt. Het enige waar ze tot nu toe zeker van was in haar leven. Ze weet nu wie de dader is. Hij is degene die figuurlijk gezichtsverlies heeft geleden door zijn eigen daden. Hij houdt haar verantwoordelijk voor het verliezen van het enige leven wat hij kende. Dat heeft hij heel duidelijk gemaakt.
Als ze opstaat, neemt ze een besluit. Het nestelt zich definitief en allesomvattend in haar van verdriet doordrongen brein. Ze krijgt die hufter nog een keer te pakken, om deze keer definitief met hem af te rekenen. Al is dat het laatste wat ze doet in haar leven!

Hedi Derijks

Hedi Derijks schreef vorig jaar de Quiller Familiegeheim en won hiermee de Quiller-wedstrijd. Haar korte verhaal Bijna werd gepubliceerd in de bundel Live!.



Bezoekersreacties:
Evi (33) op 12 november 2012:
Wat een spannend verhaal. Ga je ooit een boek uitbrengen dan ga ik hem zeker lezen!

Anita de Jonge (41) op 26 oktober 2012:
Je korte verhalen zijn spannend, maar wanneer kunnen we een boek verwachten? Kijk er nu al naar uit!

Hennie van Hove (62) op 25 oktober 2012:
Wat een leuk geschreven verhaal en van begin tot einde spannend. Komt er nog een vervolg op? Als dit zo is wil ik dit graag horen want ik vind je een leuke schrijfstijl hebben.

Marjolijn (28) op 21 oktober 2012:
Van begin tot het eind was het spannend, mooi verhaal!

Myra (42) op 16 oktober 2012:
Verrasend einde, spannend verhalend geschreven. I LOVE IT