Licht ontvlambaar
Door: Merel van Merle op 13 januari 2013

De politieagent zei dat ik geluk had gehad. Als de brandweer iets later was gekomen, was ik er niet meer geweest. Toch voelde het echt anders. Na één nachtje in het ziekenhuis mocht ik naar huis. Naar huis. Waarheen dan?

Ik zat net een week in dat huisje op het bungalowpark. Van daaruit ging ik mijn nieuwe leven starten. Dat huisje was mijn thuis, maar inmiddels dus volledig uitgebrand. De spullen die ik meegenomen had, waren er niet meer. Opnieuw beginnen werd echt compleet opnieuw beginnen.

Toch vond ik dat ik wel een beetje geluk had gehad. Ik lag op bed te slapen op het moment de brand uitbrak. Ik was zo moe geweest, dat ik me niet eens uitgekleed had. Ik wilde heel even gaan liggen om vervolgens mijn tandenborstel en pyjama op te zoeken. Dat was natuurlijk een suffe gedachte geweest, maar na vier wijntjes was ik ook niet bepaald helder meer. In mijn spijkerbroek zaten mijn autosleutels en ook nog wat geld. Ik realiseerde me hoe belangrijk het was dat ik dat nog had. Ook was het een redding dat mijn auto ver genoeg geparkeerd stond. Ik moest er niet aan denken dat ik werkelijk alles kwijt zou zijn. Dan zou ik met hangende pootjes terug zijn gegaan.

Ik had er lang over gedaan om de stap te zetten om weg te gaan. Door de jaren heen verlegde ik mijn grenzen in wat ik nog acceptabel vond. In het begin ging ik er tegen in als ik het ergens niet mee eens was. Daarna dacht ik steeds vaker ‘laat maar gaan’. Stevig taalgebruik, schelden, schreeuwen. Ook daarover zei ik in het begin wat, maar dat had juist een averechts effect. Nergens meer tegen in gaan, maakte wel dat het eigenlijk nog erger werd. Niemand deed een poging om Tom te corrigeren. Aanleidingen voor zulke uitbarstingen waren in mijn ogen steeds vaker kleine futiliteiten. Uiteindelijk werd ik thuis een teruggetrokken hoopje ellende. Ik ging me ergeren aan mezelf en dat maakte dat er iets in mij veranderde. Dit liet ik me niet meer overkomen.

Met een taxi ging ik terug naar het bungalowpark om mijn auto te halen. Uiteindelijk stond ik echter bij de receptie en vroeg ik opnieuw naar een huisje. Ik snapte de bedenkelijke blik van de receptioniste wel, maar kreeg toch de sleutel van een huisje aan de andere kant van het park. Ditmaal niet in het bos, maar aan de waterrand.

Alsof ik een automatische piloot, gericht op overleving bezat, stapte ik de auto in om inkopen te doen. Zo zat ik eind van de dag weer in een vakantiehuisje. Met het geld dat ik nog had, had ik de boodschappen gehaald en ook nog wat nieuwe kleding gekocht. Ik zapte de tv kanalen af en nipte van een wijntje. Morgen ging ik echt opnieuw beginnen na deze valse start.

De volgende dag kreeg ik bezoek van twee politie agenten.
‘U bent mevrouw de Ruiter, Sanne de Ruiter?’ vroegen ze.
‘Ja, dat ben ik. Het gaat goed hoor, jullie hadden echt niet langs hoeven komen.’
‘Fijn om te horen dat u er zo goed vanaf bent gekomen, maar daarvoor zijn we hier niet,’ vervolgden ze. Er was een onderzoek ingesteld naar de brand. Op zakelijke toon werd gevraagd waarom ik zo alleen hier verbleef. Niet verwonderlijk, maar ik werd alsnog overdonderd door de vraag. Dachten ze nou dat ik dit zelf had gedaan?
‘Kan het geen kortsluiting zijn geweest?’ vroeg ik.
‘Ook dat gaan we na, maar daar lijkt het niet op, mevrouw,’ was de reactie.
‘Hoezo dan?’
‘In het belang van het onderzoek kunnen we daar op dit moment niet verder op ingaan.’
Het leek wel of ik in een foute politie tv-serie terecht was gekomen.

Al vrij snel gingen de vragen over mijn niet al te beste privé-leven. Het was overduidelijk dat Tom als mogelijke dader werd beschouwd. Ik vond dat overdreven, maar gaandeweg snapte ik wel dat mijn verhaal er steeds meer op wees. Als het geen ongeluk was geweest, wat zou er dan gebeurd zijn?
Met een brok in mijn keel sloot ik de deur achter de agenten. Ze gingen naar Tom. Zou hij hier echt toe in staat zijn geweest? Waarom dan? Hij had niet gewild dat ik wegging. Hij had zelfs nog op me staan inpraten, terwijl ik aan het inpakken was. Toen hij doorhad dat het niet meer uitmaakte wat hij zei, kon hij het niet meer aanzien en ging weg. Op mijn gemakje kon ik zo nog een laatste keer het huis doorgaan en alles meenemen wat ik wou. En dat was inmiddels dus allemaal weg.

Tom werd meegenomen naar het bureau en aangehouden. Dat hoorde ik bij het volgende bezoek van de agenten. Ze vonden dat hij raar reageerde op het verhaal van de brand. Na een eerste blijk van verbazing, werd hij opeens heel terughoudend over wat hij nog wist over die avond. Verder waren er ook verklaringen van andere bungalowgasten dat ze een man alleen hadden zien rondlopen.
‘Klopt het dat hij u geslagen heeft?’ was de volgende vraag.
‘Nja,’ kwam er wat twijfelachtig uit me. Ja, hij had me geslagen. Het was voor mij de bekende laatste druppel geweest. Het bleef eerder altijd bij woorden, of soms ergens op slaan. Een maand geleden moest hij nog zijn laptop laten repareren. Hij had het toetsenbord stukgeslagen toen het ding niet deed wat hij wilde. Daar kon ik nog wel om grinniken. Ik voelde mij totaal niet aangesproken. Hier kon hij mij de schuld niet van geven.
‘U bedoelt ja?’ haalde mij uit mijn overpeinzingen.
‘Ja, ja. Ja.’
‘En u dacht niet dat het belangrijk was dat aan ons te vertellen?’
‘Ik had er niet bij nagedacht. Echt niet.’ Waarom moest ik er nou nog ‘echt niet’ achteraan zeggen? Dat maakte het alleen nog maar erger.
‘Mevrouw, u begrijpt dat u het ons zo niet makkelijker maakt?’
‘Ja, ja. Het is wel door me heen gegaan. Maar ik geloof echt niet dat Tom hier iets mee te maken heeft.’
‘Mevrouw, laat het onderzoekwerk nou maar aan ons over.’
Jeetje, dit was echt een hele verkeerde aflevering uit een politieserie aan het worden. Maar ik realiseerde me ook dat Tom dus echt vast zat. Onvoorstelbaar. Zou hij zo ver kunnen gaan? Was het een opwelling?

De agenten stonden weer op om te gaan.
‘Mocht u meer te melden hebben, belt u dan vooral.’
Wat wilden ze nou? Mij een trauma aanpraten? Ze waren inmiddels aardig op weg. Het liefst had ik Tom gebeld, maar ja, hij zat vast en mocht dan vast zijn telefoon niet bij zich houden.
Ik rommelde wat aan in het huisje. Vervolgens gaf ik mezelf een schop onder mijn kont om een wandeling te gaan maken. Mijn gedachten zaten in een kringetje gevangen. Zou het echt Tom zijn geweest? Het liet me niet los.

Bij terugkomst zag ik de agenten opnieuw voor de deur staan.
‘Wat nu weer,’ was mijn eerste reactie. Ze wilden echter eerst mee naar binnen.
‘Hoe is uw relatie met uw zoon?’
‘Wat? Wat heeft Boris hiermee te maken?’ Tot mijn schrik moest ik toegeven even helemaal niet meer aan hem gedacht te hebben. Blijkbaar was ik toch meer van de kaart dan ik had gedacht. ‘Goed, zoals moeders een relatie met hun puberzoon hebben, ook soms wat gedoe.’
‘Mevrouw, met achttien jaar mag het puberen toch wel wat voorbij zijn. Was er gedoe, zoals u dat zo mooi zegt, de laatste tijd?’
‘Nee, niet anders dan anders. Maar waarom vraagt u dit allemaal?’
‘Uw zoon hebben we ook meegenomen.’
‘Wat? Dit meent u niet.’
‘Mevrouw, we weten inmiddels zeker dat het brandstichting is geweest. Tegen het huisje aan is iets in brand gezet. Tevens is er een man gezien, dus wij sluiten niets uit. Uw zoon doet net als uw man erg vaag over zijn herinneringen over die avond. Wij denken dat zij elkaar de hand boven het hoofd willen houden. Ze beschermen elkaar in ieder geval. Wij kunnen ze niet veel langer meer vasthouden. Vertelt u dus vooral wat u weet. Een volgende keer loopt het voor u wellicht minder goed af.’
Ik stond perplex.
Ja, Boris had het karakter van zijn vader. Die was ook snel buitensporig geïrriteerd. Ze konden ook heftig tegen elkaar ingaan. Als ze beiden hun gelijk wilden halen, was er van enige toeschietelijkheid geen sprake meer. Maar als het dan weer goed was, dan kon ook niemand tussen hen komen. Ook ik niet. Het idee dat ze elkaar in bescherming namen, ook al wisten ze niet eens wat de ander had gedaan, verbaasde me zo niets. Maar het ging hier wel over mij. Het boeide hen blijkbaar niet wat er door wie met mij gebeurd was. Niet te geloven. Ik hoefde ze allebei even niet meer te zien. Nou ja, daar hoefde ik me ook geen zorgen over te maken. Ze zaten vast.

Na een week afwezigheid, ging ik weer aan het werk. Toen ik me ziek meldde, werd er niets gevraagd. Ze zullen wel gedacht hebben dat het een griepje was. Inderdaad, besteedde ook bij terugkomst niemand er aandacht aan. Misschien was het ook wel goed om in de oude vertrouwde routine terug te vallen.
John vroeg of ik mee ging lunchen. Daar had ik wel zin in. John was een leuke, echt geïnteresseerde collega. Wij vertelden elkaar ook wat er in ons privé leven speelde. Hij gaf aan mij de laatste week wel gemist te hebben.
‘Ziek geweest?’ vroeg hij.
Ik twijfelde of ik meer zou vertellen. Hij wist tenslotte dat ik mijn leven totaal overhoop lag en dat ik in een vakantiehuisje woonde. Toch antwoordde ik slechts met ‘Ja, goed ziek geweest.’ Ik kon het nog niet opbrengen om er over te praten.
We zaten beiden onze soep weg te lepelen. Er viel duidelijk een stilte.
‘Ik ben nog bij je langs geweest,’ zei John opeens.
‘Bij mij langs geweest?’ reageerde ik verbaasd.
‘Het klopt dat je er niets van weet. Ik ben vorige week vrijdag avond in het bungalowpark geweest. Toen ik jouw huisje had gevonden, zag ik net hoe je van de bank kwam en alles opruimde om naar bed te gaan. Ik vond het al een bedenkelijke actie van me, om zomaar bij je langs te gaan. Maar toen durfde ik al helemaal niet meer aan te kloppen. Ik heb nog even staan dubben wat ik zou doen. Ik heb zelfs nog een sigaretje staan roken. Het erge was, ik durfde haast niet meer weg te lopen. Al die dorre bladeren maakten zoveel herrie, dat ik bang was dat je daar wakker van zou worden. Nou ja, je had er dus niets van gemerkt.’
‘Jij hebt vrijdag naast mijn huisje staan roken?’

Merel van Merle

Merel van Merle (1974) ontdekte het plezier in schrijven tijdens haar studie en in het werk. Verhalen, gedichten en persoonlijke belevenissen, zijn te vinden op: merelvanmerle.wordpress.com



Bezoekersreacties: