Een dag in het leven van een seriemoordenaar
Door: Monique Hoolt op 21 juni 2016

In het schemerdonker trekt het licht van de lantaarns strepen door de steeg. Van achteren knelt een arm haar keel af, een borstkas zet haar klem tegen de muur. Een geur van oud zweet en mottenballen dringt haar neus binnen. Ze opent haar mond maar een natte doek met een chemische lucht belemmert haar om te gillen. In de verte klinken de geluiden van de stad, steeds verder weg. De bakstenen in de muur zweven voor haar ogen. Achter haar spreekt een hese stem: ’Rustig blijven, dan overkomt je niets.’ Een hete adem blaast in haar haar. De spanning op haar strottenhoofd neemt toe, ze probeert te trappen. Haar voeten reageren niet. Met haar handen tast ze links en rechts in het luchtledige. Ze ademt moeizaam alsof ze door een rietje inhaleert. Diep vanuit haar binnenste verzamelt ze alle kracht die ze bezit. Ze worstelt, er zit nauwelijks beweging in. De ijzeren greep is onverzettelijk. Warm vocht stroomt langs de binnenkant van haar benen. In haar hoofd wordt het ijzig koud en daarna is alles zwart.

Met een boog gooit hij de vuilniszakken achterin de vrachtwagen. Ze belanden ploffend bovenop andere plastic zakken. Hij registreert de stank van verrotte eieren amper. Kort masseert hij met beide handen zijn onderrug. Nog een jaar volhouden, dan mag zijn afgepeigerde lichaam met pensioen.
De ochtendkrantbezorger fietst voorbij als hij een container naar de achterlader rolt. Twee hefvorken tillen de stalen bak op en kiepen de inhoud in de vrachtwagen. Hij staart naar de berg afval. Een arm, omhuld door een rood netshirt, steekt boven de blauwe vuilniszakken uit. Als een drenkeling in de oceaan. De lange nagels aan de uiteinden van de bruine slanke vingers zijn roodgelakt. Hij kan zijn ogen er niet vanaf houden.
Pas als hij een schel repeterend geluid opmerkt, komt hij in beweging. Het lijkt op de wekker die hem iedere morgen om zes uur uit bed dwingt. Dit alarm geeft aan dat er een obstructie is, het gaat wel vaker af. Hij drukt op een knop aan de binnenwand van de laadbak. Het vuil trilt en verschuift. De hand wuift naar hem. Vijf vingers zijn gespreid. Vijf maal twee is tien. Tien vrouwen. Tot nu toe. De eigenares van de arm is vijftien jaar, drie maal vijf.
'Kan ik je helpen, Frank?' brult de chauffeur door het zijraam vanaf de bestuurdersstoel.
'Nee, ik red me wel!' Hij trekt de lege container van de achterlader af en klautert in de vrachtwagen. Een druppel rolt langs zijn slaap naar zijn hals. Hij tilt een paar zakken op, rukt en sjort. Er klinkt protesterend geronk. De vuilniszakken worden samengeperst en doorgeschoven. Het geloei stopt. De blokkade is opgeheven, het vuil wordt vermalen, de verwerking kan weer verder. Hij klimt gauw over de rand naar buiten en draait zich om. De hand zakt naar beneden en zegt hem gedag. Alleen de vingertoppen zijn nog zichtbaar. Dan verdwijnt het laatste afval achter de ijzeren plaat.
Hij steekt zijn duim op naar de chauffeur die hem via een zijspiegel in de gaten houdt. De vrachtwagen trekt op. Een frisse wind waait in zijn gezicht en droogt het zweet op zijn voorhoofd. Hij sluit zijn ogen en glimlacht.  

Met een vochtige lap veegt hij resten motorolie van zijn handen en laat de brug, waar een Ford Crown Victoria op staat, dalen. Zijn werkdag zit erop. Hij trekt zijn overall uit en hangt hem aan een kapstok naast de garagedeur. Op de rug staat het logo van het Los Angeles Police Department, to protect and to serve. Hij zwaait naar enkele collega’s die met elkaar staan te praten: 'Tot morgen.' Via een zijuitgang verlaat hij de politiegarage. In het westen kleurt de lucht aan de horizon oranje. Met zijn vingertoppen wrijft hij door zijn ogen. Houdt hij dit nog een jaar vol? Lang leve de Amerikaanse droom, zelfs met twee banen kan hij nauwelijks het hoofd boven water houden. 
Naast hem remt een zwart-witte wagen. 'Stop, politie! U bent aangehouden,' roept een zware mannenstem. 
Roerloos blijft hij staan.
'Hallo Frank, alles goed?' grijnst een agent terwijl zijn arm uit het raam hangt. 
Het is zijn neef die sinds vorig jaar bij het korps werkt.
Hij knikt, lacht terug en slentert door naar de bushalte. 
Zijn gedachten gaan naar zijn zoon, Lenny was betrapt bij een inbraak. Na de arrestatie hadden ze wangslijm bij hem afgenomen. Gisteren stond in de krant dat de recherche een connectie tussen meerdere moorden had gevonden via dna. De pers had al een bijnaam bedacht voor de dader: Los Angeles Ripper. Zouden er overeenkomsten kunnen zijn met Lenny’s dna-profiel? Kan een forensisch onderzoek naar hem leiden? Zover zullen ze niet gaan, hier besteden ze weinig tijd aan. Zijn vrouwen hebben geen blond haar en blauwe ogen. 

Het laatste stuk naar huis neemt hij de route via Compton Avenue. De eerste meisjes flaneren langs de kant van de weg. Billen in shorts, borsten in strakke hemdjes. Het is nog rustig. Rond middernacht zal het hier drukker zijn dan op de boerenmarkt. Opeens ontdekt hij haar. Hij weet intussen dat ze Shirley heet. Vanavond draagt ze haar kroeshaar in tientallen vlechten met gekleurde elastiekjes. Ondanks de overdadige make-up ziet ze eruit als een schoolmeisje. Ze buigt naar voren aan de passagierskant van een Toyota Camry. Haar gevulde achterwerk in een te korte rok naar achteren, een holle rug. Het gesprek ontaardt in een discussie maar hij kan niet verstaan wat er wordt gezegd. Ze zullen het niet eens zijn over de prijs of over de handelingen die de klant verlangt. Daar gaan de ruzies meestal over. Met een welgemikte schop raakt ze met de punt van haar voet het achterportier als de Toyota vlug optrekt. Op haar stilettohakken wiebelt ze terug naar de straatgoot. 
Shirley staat hier iedere avond. Daarna haalt ze drugs bij haar vaste dealer, waarschijnlijk crack. Haar flat deelt ze met meerdere vrouwen. Hij zag haar voor het raam, vanuit een portiek aan de overkant. Ze had hem ook gezien en met een verleidelijke blik de gordijnen gesloten. Vanavond heeft hij andere plannen, eigenlijk andere verplichtingen. Morgen is het haar beurt. Of overmorgen.

Overal hangen slingers met vlaggetjes en klinkt het geroezemoes van geklets. Zijn iPhone licht op. 22.30 uur. Is het te vroeg om weg te gaan? Hij had zijn buurman gefeliciteerd en obligate praatjes gehouden met een paar mensen uit de buurt. Het was een lange dag. Hij zou thuis op de bank naar honkbal kunnen kijken totdat hij in slaap valt. Of toch teruggaan naar Compton Avenue? En Shirley volgen als ze naar huis gaat. Zijn hartslag en ademhaling versnellen. Nog een drankje, dan stapt hij op.
Midden in de keuken staan schalen met hamburgers op een ronde tafel. Hij heeft net al een stuk pizza gegeten. Bij het aanrecht schenkt hij zich een whisky in. De buitenverlichting beschijnt de tuin tot aan de openstaande poort. Naast de achterdeur rommelt iemand met handschoenen in de vuilnisbak en houdt een afgekloven stuk deeg omhoog. Een zwerver? De man kijkt kort om zich heen, stopt behoedzaam een transparant plastic bestek in een zakje en steekt het in zijn rugzak. Dat spitse gezicht komt hem vaag bekend voor. Hij neemt een teug whisky en graaft in zijn geheugen. De branderige vloeistof glijdt door zijn keel. Waar heeft hij het lichtblonde haar met die opgeschoren nek eerder gezien? Door zijn hoofd schiet een beeld van dezelfde man. In een donkerblauw uniform. Het whiskyglas glipt uit zijn zwetende handen, valt op de keukentegels en spat uit elkaar.

Monique Hoolt

Monique Hoolt (1965) is freelance copywriter en woont sinds acht jaar in Le Marche, Italië. Ze heeft samen met een vriendin en schrijfster Siba Shakib een Engelstalige roman geschreven, Gigolo Monleone del Monte (zelfpublicatie op Amazon en Brave New Books). Sinds vijf jaar werkt ze aan de oorlogsroman Tamar en is nu op zoek naar een uitgever.



Bezoekersreacties: