Pestprotocol
Door: Nynke van Dijk op 5 juni 2012

Het was de eerste mooie lentedag van het jaar. Zo’n dag waarop je winterjas aanvoelt als een zwaar juk, maar waarop het zonder op de fiets net te koud is. Toch stopte ik om ‘m uit te doen. Ik wilde dat het kippenvel in mijn hoofd correspondeerde met kippenvel op mijn lichaam. Met mijn ogen tot spleetjes geknepen, zag ik in de verte de stadsrand opdoemen. De Olle Grieze, het cruiseschip, Brander, Stoker: een skyline vol bijnamen.

Met mijn jas onder de snelbinders hervatte ik mijn tocht. Bijna thuis. Niet meer aan werk denken. Maar als je ergens niet aan wilt denken, denk je er juist aan. Ik had de roze olifant weer geactiveerd. Ik voelde hoe mijn keel zich dichtkneep, de tranen prikten in mijn ogen. Het voelde alsof de woede vanuit mijn tenen naar boven steeg. ‘Niet huilen. Niet wéér huilen!’ sprak ik mezelf toe. Bijna thuis. Schoenen uit. Glaasje wijn, sigaretje, de laatste zonnestralen meepikken.

Mijn gedachten gingen terug naar eerder die dag. Mijn baas die me voor het blok zette: hetzij terug naar de baan waarin ik vorig jaar overspannen raakte of verder met mijn tijdelijke werk, mits ik tekende voor ontslag. Een mooi aanbod, zei de mevrouw van personeelszaken. Want het was nu toch wel tijd om een keuze te maken. En kijk eens wat mijn baas allemaal al voor me gedaan had! Maar dit was geen keuze. Ik werd domweg onder druk gezet.

Als ik straks thuiskwam, zou ik mijn vader bellen. Ik voelde de geruststelling door mijn lichaam vloeien. Papa was mijn rots. Hij wist altijd raad. Bij hem kon ik ongegeneerd het kleine meisje zijn. Vorig jaar had hij zelfs aangeboden met mijn baas te gaan praten. Dat was me toch echt te ver gegaan: ik was godbetert 28, ik moest nu mijn eigen boontjes doppen. Maar stiekem leek het me heerlijk: mijn vader die mijn problemen voor me oploste, net als vroeger. Die net als vroeger tegen de pestkoppen zei: ‘Nú ophouden. Durven jullie wel, met z’n allen tegen één?’.

Lange tijd had ik gedaan of er niks aan de hand was. Mijn collega’s waren nu eenmaal grapjassen. Alle telefoons doorschakelen naar mijn toestel. De taalinstelling van mijn computer wijzigen van Nederlands in Chinees. Mijn stoel losdraaien als ik naar de wc was, waardoor ik bij terugkomst met een plof op de grond belandde. Voor iedereen koffie halen behalve voor mij. Mijn lunch verstoppen. En later zelfs weggooien. En dan de opmerkingen. Over mijn haar, mijn kleren. Over wat ik zei en hoe ik het zei. En over mijn privé-leven. Niet dat mijn collega’s daar veel van wisten, maar wel meer dan me lief was.

Tussen alle collega’s die mij het leven zuur maakten, was er namelijk één die in het begin wel aardig voor me was. Anja. Zij zei af en toe: ‘Hee jongens, hou daar nou mee op. Nu is het niet leuk meer.’ In de lunchpauzes gingen we af en toe samen buiten een eind wandelen. Anja leek aardig en in mij geïnteresseerd. Ook vertelde ze me over haar leven: haar kinderen, haar man die advocaat was, haar liefde voor tuinieren. Ik begon voorzichtig te denken dat ik mijn eerste vriendin had gemaakt op het werk.

Tot ik op een maandag op kantoor kwam en Anja mij totaal negeerde. Toen een collega ‘per ongeluk’ een kop koffie over mijn toetsenbord gooide, lachte ze volop mee. Haar er op aan spreken durfde ik niet, dus stuurde ik haar een e-mail. Haar reactie volgde binnen een minuut: ze wilde niks met me te maken hebben en vroeg of ik niet meer in haar buurt wilde komen. Kort daarna begonnen mijn collega’s me te pesten met dingen die ik alleen aan Anja had verteld. Ik besefte dat ik er in was getrapt. Haar aardigheid en interesse waren alleen maar bedoeld om munitie te verzamelen zodat ze mij het leven nog zuurder konden maken.

Intussen sliep ik steeds slechter en werd werken bijna een onmogelijke opgave. Om de haverklap stond ik huilend op het toilet. Toen ik op een dag op kantoor kwam en mijn hele bureau en alles wat er op stond verdwenen bleek, meldde ik me ziek. Mijn baas reageerde verbaasd: waarom had ik niet eerder aan de bel getrokken? Ik had het gevoel dat hij me niet serieus nam, maar hij werkte wel mee aan het vinden van ander werk. Na een paar maanden kreeg ik een baan op een andere afdeling en het ging beter, veel beter. In de wandelgangen hoorde ik dat mijn oud-collega’s na mijn vertrek letterlijk slingers hadden opgehangen. En nu kwam mijn baas dus met dit voorstel. Volgens hem was de sfeer in de groep enorm verbeterd. De grootste pestkop was bovendien overgeplaatst, dus het zou wel loslopen. Het was een financiële kwestie, dat snapte ik ook wel. Maar ik wilde niet terug en ik wist dat mijn collega’s al helemaal niet op mij zaten te wachten.

Ik trapte verwoed door en veegde intussen de tranen uit mijn ogen. Om me heen blikkerde het groen en ik hoorde autogeraas. Ik naderde de stad. Bijna thuis. Ik stak het spoor over en sloeg rechtsaf mijn straat in. De zon was verdwenen en ik had het koud gekregen. Ik zette mijn fiets vast aan het tuinhekje en deed de voordeur open. Ik raapte de post van de deurmat. Belastingdienst, zorgverzekering, reclamefolders. Ik opende de deur naar de woonkamer en verwachtte daar mijn kat te zien die me altijd opwachtte. Ze was er niet. Dan zou ze wel ergens buiten in de zon liggen te slapen. Ik legde de post op tafel en hing mijn sleutels aan het haakje bij de deur. Ik snoof. Het rook anders. Een zoete vanillelucht. Het was een bekende geur, maar ik kon niet bedenken wat het precies was.

Ik zag een stukje poezenstaart onder de bank vandaan komen. ‘Hee Siep!’’, zei ik. ‘Kom daar eens onder vandaan!’ Schichtig om zich heen kijkend kroop de kat tevoorschijn. Ze verstopte zich achter mijn benen. Ineens zag ik bloeddruppels op de grond. Siep had vast gevochten, zoals wel vaker. Het zag er meestal erger uit dan het was. Ik tilde haar op en zag dat haar pootje bloedde. Eerst maar eens de wond schoonspoelen, dan kon ik de schade beter bekijken.

Met de tegenstribbelende kat in mijn armen liep ik naar de keuken. Ik bleef stokstijf staan. Er lag glas op de grond. Geschrokken keek ik om me heen. Het raam van de keukendeur was ingeslagen. Ik dacht aan alle afleveringen van CSI die ik had gezien: niks aanraken en de politie bellen. Maar de politie wilde vast weten wat er was meegenomen. Ik keek de keuken rond. Daar leek niks te ontbreken, maar er viel behalve een Senseo van 6 jaar oud ook niet veel te halen.

Met Siep nog in mijn armen liep ik terug naar de woonkamer. Ik keek om me heen. Stereo-installatie: check. Tv: check. Laptop: check. Ik zette Siep neer en liep de gang in en ging de trap op naar boven. Ergens voelde ik me bang maar ik was ook vol van adrenaline. Ik gooide de badkamerdeur open. Niks. Ik rukte het douchegordijn opzij. Leegte. Ik liep naar de overloop.

Alleen de slaapkamer was nog over. Ik deed de deur open. De vanillegeur die ik bij binnenkomst had geroken, drong mijn neus binnen. Ik had de gordijnen die morgen dichtgelaten, dus mijn ogen moesten wennen aan de donkere kamer. Ik keek om me heen. Ook hier leek alles in orde. Ik trok de gordijnen open en keek nog eens goed rond. Ineens zag ik dat het portret van mijn grootvader weg was. Waarom zou iemand al die moeite doen om een oude foto te stelen?

Toen herinnerde ik me een gesprek met Anja. Ze vertelde een keer dat ze op tv naar dat medium Char had gekeken. Ze had het griezelig gevonden, zei ze. Of ik in dat soort dingen geloofde? Ik had haar verteld van mijn opa, wiens portret ik op mijn nachtkastje had staan. Opa was een paar jaar daarvoor een nare, pijnlijke dood gestorven en ik had het feit dat hij er niet meer was nog steeds niet helemaal verwerkt. Door zijn foto dichtbij te hebben, voelde ik me beschermd. Niet dat ik hem ooit als geestverschijning aan mijn bed had gezien, grapte ik tegen Anja, maar zijn foto stond eigenlijk symbool voor mijn veiligheid. En nu was het portret weg. De boodschap was duidelijk: ik was niet langer veilig, het getreiter was weer begonnen.

Ik zette een raam open, die vanillelucht moest weg. Ik voelde me licht in mijn hoofd en ging op het onopgemaakte bed zitten. Wat moest ik doen? Misschien de politie bellen, maar er was niks weg behalve de foto. En ik verwachtte niet dat ze mijn verhaal over wraakzuchtige collega’s zouden geloven. Bovendien wilde ik liever niet denken aan de dingen die Anja en consorten met me wilden doen na een urenlang politieverhoor. Bij papa kon ik ook niet terecht. Die stond dan binnen de kortste keren met een paar vrienden voor de deur, die dit soort dingen op hun eigen manier oplosten.

Ik stond op. Misschien moest ik gewoon wat eten. Ik ging de trap af en liep naar de keuken. Hoewel ik wist wat ik aan zou treffen, schrok ik toch weer van het ingeslagen raam. Ik liep naar een keukenkastje en pakte een vuilniszak en een rol tape. Provisorisch probeerde ik het gat dicht te plakken. Ik deed de koelkast open en pakte het restje Chinees van gisteren. Terwijl het plastic bakje ronddraaide in de magnetron dacht ik na. Struisvogelpolitiek was de beste oplossing, besloot ik. Net doen of het niet gebeurd was, dan ging het vanzelf weg.

Na een half bord opwarm-Chinees, rookte ik een sigaret in de tuin. Vermoeidheid overviel me en ik besloot een dutje te doen. Niet boven, maar beneden op de bank. Met mijn Iphone binnen handbereik. Nadat ik alle sloten gecontroleerd had en de lichten had uitgedaan, installeerde ik me op mijn Klippan. Siep kwam spinnend bij me liggen. Maar verder was het oorverdovend stil. En donker. Ik zette de tv aan en viel midden in het journaal van half 8. De stem van de nieuwslezer werkte kalmerend. Ik voelde hoe ik langzaam wegdommelde.

Plotseling werd ik wakker van een geluid. Ik zette de tv uit. De deurbel ging. Ik merkte hoe ik verstijfde en bleek doodstil liggen. De bel ging opnieuw. En voor de derde keer. Voetstappen verwijderden zich van de voordeur en ik haalde opgelucht adem. Ik sloop de gang in en haalde een hockeystick uit de gangkast. Kwam mijn kortdurende hockeycarrière van drie maanden toch nog van pas. Toen ik weer op de bank zat, hoorde ik gemorrel bij de keukendeur. Zo zacht als ik kon sloop ik er heen.. De klink van de gehavende keukendeur ging op en neer. Een hand reikte langs de vuilniszak naar de sleutel die aan de binnenkant van de deur in het slot stak. Stom dat ik de sleutel had laten zitten! De deur zwaaide open en een donkere gestalte stapte de keuken binnen. In een soort roes hief ik de hockeystick en ik sloeg. En nog een keer. De gestalte zakte in elkaar. Toen ik er zeker van was dat de insluiper voorlopig uitgeschakeld was, deed ik het licht aan.

Op de keukenvloer lag Anja. En ze lag heel stil. Doodstil. Wat deed ze hier? Zeker een vervolg van haar eerdere bezoek van vandaag. Ze wilde vast haar bedreiging omzetten in actie. Ik zakte door mijn knieën en voelde haar pols. Afwezig. Ik legde de twee vingers in haar hals. Geen hartslag. Langzaam raakte ik in paniek. Ineens vulde de bekende Nokia-tune de keuken. Het geluid kwam uit Anja’s jaszak en hield na een halve minuut weer op. Degene die haar probeerde te bellen was echter vasthoudend en belde direct nog een keer. Voorzichtig reikte ik naar de jaszak en viste de mobiel eruit. ‘Henk’ stond in het schermpje. De man van Anja. Toen de tune voor de vierde keer klonk, drukte ik in een opwelling op het groene hoorntje.

‘Hallo? Anja?’ hoorde ik in mijn oor.
‘Nee, je spreekt met Amber’, antwoordde ik. Een korte stilte.
‘Oh, dus Anja is al bij jou? Je spreekt met Henk, haar man’, verduidelijkte hij.
‘Ja, ze is even op de wc’. De leugen kwam er moeiteloos uit,
‘Nouja, ik belde alleen maar om te zeggen dat ze iets vergeten was. Ze wilde je een foto teruggeven maar die ligt nog hier op tafel. Ik dacht: misschien is ze nog onderweg, dan kan ze nog even terugkomen om ‘m op te halen’, zei Henk opgewekt.
Ik humde iets dat door moest gaan voor een antwoord. Kennelijk nam Henk er genoegen mee, want nadat hij ons een gezellige avond had toegewenst, hing hij op. Verward keek ik naar het zwijgende toestel. Eerst een foto stelen en hem dan dezelfde dag weer terugbrengen? Ik begreep het niet.
Anja had intussen nog steeds niet bewogen. Bloed liep uit een wond op haar achterhoofd. Een plastic tasje lag half onder haar lichaam, zag ik nu. Ik trok het onder haar vandaan en haalde er een platgedrukt gebaksdoosje uit. Er zaten twee klef geworden koffiebroodjes in. De herinnering kwam scherp als een lichtflits: Anja en ik, in de lunchpauze bij de V&D om koffiebroodjes te halen, die we vervolgens in de Prinsentuin opaten. Ineens besefte ik dat haar onaangekondigde bezoek van vandaag toch echt een poging moest zijn geweest om het goed te maken. Ik kon slechts raden naar de reden, maar kennelijk had Anja in de loop van de dag second thoughts gekregen. Ze had me de foto van mijn opa terug willen geven, de broodjes waren bedoeld als zoenoffer. En als dank had ik haar hersens ingeslagen.

Wat een puinhoop. Ik liet mezelf op de grond zakken en leunde met mijn achterhoofd tegen de koelkast. Anja moest hier weg. Ik haalde mijn Iphone uit mijn broekzak. Papa, die zou raad weten. Bovendien stond hij bij me in het krijt. Ik had hem immers ook geholpen toen we opa een zeemansgraf gaven.

Nynke van Dijk

Nynke van Dijk (32) woont en werkt in Groningen. Ze rondde onlangs een opleiding Journalistiek af en wil het liefst met schrijven haar brood verdienen. Dol op alles wat retro is en fervent aanhanger van het motto 'Je kunt geen veldslag winnen als je denkt dat je er belachelijk uitziet op een paard'. Pestprotocol is haar eerste verhaal.



Bezoekersreacties:
Kasper Kombrink (65) op 8 juni 2012:
Leuk verhaal. Lekkere stijl van schrijven!