Kort verhaal - Fenikso
Door: Nienke Pool op 27 mei 2016

Als historica schrijft Nienke Pool het liefst historische verhalen. Haar kinderverhaal over het Oude Egypte met de titel ‘En met de regen kwam de wind’, werd in het schooljaar van 2014-2015 uitgegeven als Vlaams Filmpje. Haar verhaal over de kinderoffers in het Oude Carthago schittert in het jaarboek voor fantasy Ganymedes-14. Onlangs publiceerde ze haar scriptie over de martelaren van de Vroegchristelijke kerk in prozavorm: Johannes 14:6. Verder zijn haar verhalen te lezen in talloze verhalenbundels, literaire tijdschriften en jaarboeken in Nederland, België, Polen en sinds kort zelfs in de VS. Een van haar meest dierbare verhalen staat in de verhalenbundel:Insomnia, Spannende verhalen tegen het slapen gaan, van uitgeverij LetterRijn die jaarlijks een geweldige schrijfwedstrijd uitschrijft.

De grens is bereikt

Dorst, mijn hemel, wat heb ik een dorst.
Mijn knie doet zeer en mijn hoofd bonkt. Waar ben ik in godsnaam? Anne, denk na.
Waar was je gisteravond en waar ben je nu? Ogen open, oriënteer je -au! Snel weer dicht. Ik lig in de gloeiend hete zon. Shit, ik verbrand hier levend. Ik voel aan mijn hoofd en gestold bloed blijft achter op mijn vingers. De hele rechterkant van mijn gezicht zit vastgekoekt. Oh, en een behoorlijke buil prijkt op mijn hoofd. Verdorie, ik moet echt ophouden met drinken.
  Glimpen van het bruisende feest van gisteravond schieten door mijn hoofd: sierlijke bootjes kabbelend in smalle kanalen; muziek die vrolijk speelde en vooral veel bubbelende champagne. Ik lachte en had duidelijk plezier. Dan niets meer, ik herinner me niets meer dan dat.

Mijn linkerarm zit ergens aan vastgeklemd. Een hand? Waarom voel ik een hand? Van schrik schiet ik overeind. Alles tolt voor mijn ogen. De hele wereld draait. Ik zie zand, heel veel zand. Oh nee, dit is niet goed. Ik lig in de woestijn! En wie is in godsnaam die kerel, waar ik aan vastgeketend zit? Ik draai zijn gezicht naar me toe, zodat ik hem beter kan zien. Nog nooit eerder gezien. Knap, dat wel. Waarom draagt hij make-up? Zo’n vent zou ik me toch moeten herinneren?
  Vertwijfeld kijk ik nog eens om me heen, hopend dat ik antwoorden zal vinden. Geen punt van herkenning. Ik heb werkelijk geen idee hoe ik hier verzeild ben geraakt. Even verderop zie ik een kleine boom. Ik zeul, zo goed en zo kwaad als het gaat, de bewusteloze man achter me aan naar de betrekkelijke koelte. Ik plof neer in de schaduw en overzie de eindeloze vlakte van de woestijn. Mijn blik blijft rusten op de onbekende man die naast me ligt. Wie is hij? Waarom zit ik aan hem vast met gouden handboeien? Gouden handboeien? Er gaat een schok door me heen en mijn hand samen met mijn blik schieten naar mijn kruis. Gelukkig, ik denk niet dat ik seks heb gehad. Tenminste geen onvrijwillige, zover ik dit kan beoordelen. Jeetje, wat was ik dronken.
  Meer beelden van gisteravond dringen zich aan me op: ik bewonderde mijn reflectie in de spiegeling van de ruiten. Ik zag er sexy uit in mijn strakke kanten bodystocking en zwarte netkousen. Mijn gezicht zag ik niet. Dan een volgende flits: ik zat in een gondel en dronk te snel. Het was feest en ik genoot. Gondelbootjes met live muziek voeren door de knusse kanalen. Henry kuste me en ik kuste hem terug. Ik voelde me goed en was zeker niet bang op dat moment.
De omgeving staat me nu helder voor de geest. Tientallen bootjes varen door de kanalen van The Venetian, het mooiste hotel van Las Vegas. Ik hou van dit Italiaanse deel van de stad. Ik herinner me nu iets meer van gisteren.
  Henry had, zoals gewoonlijk, de hele dag gegokt in het casino van het hotel en was uitgenodigd voor een feest. Niet zomaar een feest; nee, iedereen die wat betekende in Las Vegas zou op deze party aanwezig zijn.
  Ik weet nog hoe een prachtig kostuum voor mij op onze hotelkamer werd bezorgd. ‘Die mannen waar je zaken mee doet, hebben zeker smaak,’ heb ik tegen Henry gezegd terwijl ik de oceaanblauwe bodystocking omhoog hield. Veren in de meest uiteenlopende blauwe tinten zaten vakkundig aan de achterkant bevestigd. En dan, het mooiste van alles: het helgroene Venetiaanse masker omringd door tule, rijkelijk versierd met bloemen. Ik zie mezelf het masker mysterieus voor mijn gezicht houden, denkend dat Henry niet meer aanmoediging nodig zou hebben dan dat. Hij draaide zich echter om en vertrok.

Nu zit ik hier met een vreemde kerel in de woestijn. Ik kijk naar mijn besmeurde bodystocking en gerafelde kousen. De veren op m’n achterste zien eruit als die van een dooie struisvogel. Mijn hoofd gaat als een razende tekeer en mijn knie voelt trouwens ook flink gekneusd. Leeft die vent eigenlijk nog wel? Met een dode kerel aan me vastgekleefd, kom ik niet ver. Ik pak zijn pols en voel zijn hartslag. Goddank. Ik bestudeer zijn gezicht. Hij ziet eruit als een degelijke vent. Wakker maken dan maar?
  Ik schud zachtjes aan zijn arm. Geen beweging. Ik sjor wat harder aan zijn hele lichaam. Niks, geen enkel teken van leven. Ik geef hem een flinke schop in zijn zij. Oei, vergeten, ik draag naaldhakken. Hij komt bij, dus ik hoef hem niet nogmaals te trappen. De man opent zijn reebruine ogen. ‘Oh nee, niet jij weer,’ kreunt hij.
‘Sorry, kennen wij elkaar?’ vraag ik.
‘Kennen wij elkaar? Natuurlijk, wat een stomme vraag. We hebben gisteravond de hele tijd-,’
‘Wát hebben we?’ Ik roep harder dan mijn bedoeling is. ‘Zeg me niet dat je me gezoend hebt, viezerik.’
Hij kijkt me verward aan. Ruw pakt hij mijn hand, die aan hem vastgeketend zit, hij neemt de gouden handboeien en met een vloeiende beweging haalt hij ze van onze polsen af. Ik kijk verbaasd naar mijn hand en wrijf de stekende pijn weg. ‘Hoe deed je dat?’
  ‘Je weet echt niet meer wie ik ben, hè? Ik ben Longdini, de illusionist van het The Venetian.’ - Ik staar hem aan.
  ‘Iedere avond geef ik een show in het hotel en jij was gisteravond mijn lieftallige hulpje.’ De toon waarop hij ‘lieftallig’ zegt, doet me vermoeden dat ik het behoorlijk heb verknald. Hij staat voorzichtig op. ‘In de act keten ik mezelf vast aan een willekeurige vrouw uit het publiek. Ik geef het sleuteltje van de handboeien aan een assistente die het in een afgesloten kistje stopt. Dan verdwijnen mijn hulpje en ik in het niets. Even later verschijn ik weer. Het hulpje komt iets later terug: in een grote kooi met om haar nek het sleuteltje. Als ik een doek over de kooi haal, is het hulpje in rook opgegaan en zit er ineens een witte tijger in. Mooie act, al zeg ik het zelf.’
‘En gisteravond?’
‘Zelfde als altijd. Ik koos jou uit het publiek en klemde de handboeien om onze polsen. We verdwenen, zogenaamd in het niets.
‘En toen? Waar kwamen we toen terecht?’
Hij maakt een weids gebaar om zich heen. ‘Hier.’
Met grote passen loopt hij weg. Even staat hij stil en grijpt naar zijn zij. ‘Ik vraag me af, hoe ik hier aan kom,’ kreunt hij en kijkt naar de felrode plek, waar mijn stiletto een gaatje in zijn vel heeft geboord. Ik haal mijn schouders op, terwijl ik achter hem aan strompel. ‘Niet zo snel, ik draag hakken.’
  Met dezelfde snelle beweging als waarmee hij de handboeien afdeed, breekt hij nu de mooie leren hakken van mijn schoenen. Hoe doet ie dat? Hij loopt alweer door en ik ga snel achter hem aan. Ik moet toegeven dat de schoenen zonder stilettohakken verbazingwekkend comfortabel lopen. ‘Hé, Longdini, waar gaan we heen?’ vraag ik.
‘Weet jij soms waar we zijn?’
Zonder me aan te kijken, versnelt zijn pas. ‘Zie je die vogels? Daar is misschien water.’
  Iets aan hem ergert me enorm. Het zal wel zijn zelfvoldane glimlachje zijn of het ontbreken van ieder spoortje van angst. We zitten verdomme in de woestijn. Aan onze gescheurde kleren te zien, zijn we hier niet zachtzinnig naartoe gebracht. Ik ben doodsbang en wil zeker niet alleen in de woestijn achterblijven, dus ik besluit mijn bijdehante mond potdicht te houden.

Een beekje! Hij had gelijk. Zie ik daar een lachje rond zijn mondhoek? Verdomme! Het water smaakt heerlijk en werkt verkoelend. Mijn huid is rood van de zon en koelt heerlijk af. Longdini wast de make-up van zijn gezicht. In mijn buik ontwaken vlinders en mijn maag schreeuwt om ontbijt. Aan de waterkant staan wat struiken. Mijn jeugd op de ranch levert me nu dan eindelijk wat op. Ik herken de eetbare bessen, pluk de struik helemaal kaal en deel ze met tegenzin met Longdini.
‘Hoe moet ik je noemen? Longdini?’ vraag ik. ‘Of heeft je moeder je een normale naam gegeven? Hij schudt zijn hoofd.
  ‘Nee, Longdini zo heet ik al vanaf dat ik het eerste daglicht zag. Naar mijn vader, je weet wel de grote Longdini.’ Ik weet het niet, maar dit lijkt me niet het juiste moment om hem uit zijn droom te helpen.
   ‘Hoe noemt je moeder jou?’ vraagt hij.
   ‘Niets, die is dood,’ zeg ik. ‘Noem me maar Hellen, dat staat in mijn paspoort.’ Even heb ik de neiging om hem de waarheid te vertellen. Dat kan later ook nog. Nu heb ik antwoorden nodig.
  ‘Weet jij waarom we hier zijn? Hoe we hier zijn gekomen en hoe we weg kunnen komen van deze godverlaten plaats?’
  ‘Nee, nee en nog eens nee.’ Hij staat op en kijkt naar de stroming van het beekje. ‘Ik heb zelfs geen idee welke kant Las Vegas op is. Stroomt de beek er naartoe of juist niet? Ik weet het werkelijk niet.’
  ‘Waarom zei je: jij alweer? Toen je me zag, bedoel ik. We hebben elkaar toch alleen gezien toen je me als assistente uit het publiek koos?’ Ik weet dat het een beetje kinderachtig is maar het woord ‘hulpje’ stoort me enorm.
Longdini draait zich geërgerd om. ‘En dat wil je nú weten? We moeten hier weg zien te komen. We zitten midden in de woestijn.’ Hij ziet mijn vastberaden gezicht. ‘Als je het echt weten moet: je hebt me gisteren een fortuin gekost. Ik ben failliet.’

En dan ben ik plotseling weer in de hotelkamer van The Venetian. In mijn handen had ik een prachtig kostuum waarin ik er echt waanzinnig uit zou zien en Henry was er zojuist vandoor gegaan. Als hij op dit tijdstip vertrok, wou dat zeggen dat hij ging gokken. Dat kon uren duren, soms zelfs dagen. Ik trok het kostuum aan en stond mezelf voor de spiegel te bewonderen. Ik was op dat moment veel te mooi om binnen te zitten dus in een mum van tijd stond ik beneden in de lobby. Een horde toeristen stormde op me af en fotografeerde me van alle kanten. Ze duwden me mee naar de gondels, waar de dagelijkse parade op het punt stond te beginnen. Een gondelier wenkte me en even later stond ik dansend in een gondelbootje in de kanalen van The Venetian.
  Dan herinner ik me de knappe man die op de kade naar me stond te staren. Toen het lied afgelopen was, hield hij tot mijn grote verbazing een hoge hoed op en toverde er een bos bloemen uit, gevolgd door een wit konijn. De omstanders lachten en applaudisseerden. Al wijzend op mij, hield hij de toeschouwers zijn hoge hoed voor, en ze drongen gewoonweg om een fooi te mogen geven.
  De gondelier zette me aan wal en ik liep in de richting van de mysterieuze man. Hij was verdwenen. Ik keek om me heen en in de richting van de uitgang zag ik hem naar buiten glippen. Ik rende achter hem aan en begon boos te worden. De brutaliteit, mijn fooien opstrijken en dan wegrennen.
  In de lobby zag ik hem weer. Hij was tegen een groepje mannen opgebotst, hij lag op de grond. Ik herkende de mannen onmiddellijk als de zakenpartners van Henry. Gekleed in zijden maatpakken en ogen die werden afgeschermd door merkzonnebrillen, verbleven zij de hele dag in de verschillende casino’s van de stad. Op die manier deden ze hun louche zaken. De oudste van het stel was de baas. Henry was als de dood voor hem. Een paar dagen terug kwam Henry vroeg thuis van het pokeren. Zijn lip was gescheurd en zijn oog werd blauw. ‘Als die ouwe met zijn vingers knipt, lig je binnen een uur tussen zes planken,’ zei hij, terwijl ik een natte doek op zijn oog hield. Geen moment twijfelde ik wie hij bedoelde.
  Juist tegen deze gevaarlijke man was mijn fooiendief opgebotst. Stuntelig stonden ze beiden op en de goochelaar veegde het stof van de revers van de baas. Jemig, hij jatte zijn portefeuille, hoe dom kon een kruimeldief zijn? Hij vervolgde zijn weg naar buiten en ik rende hem achterna. Op straat haalde mijn fooiendief alias zakkenroller een bundeltje geld tevoorschijn en gooide de leeggeroofde portemonnee in een afvalbak. Ik volgde hem van een afstand en pakte het dure ding van krokodillenleer uit de vuilnisbak en stopte deze vervolgens in mijn tasje. Haastig liep de man een casino in en wisselde het gestolen geld samen met mijn fooienpot in voor fiches.
  Ik nam plaats aan de bar en bestelde uit gewoonte een glas champagne. Vanaf waar ik zat, kon ik hem goed in het oog houden. Hij speelde Blackjack en zijn stapel met fiches groeide gestaag. Uit ervaring wist ik hoelang het gokken van een man, die aan de winnende hand was, kon duren en ik bestelde een hele fles. Verveeld pakte ik de portefeuille uit mijn handtas en bestudeerde de inhoud. Die leek sprekend op die van Henry: diamanten creditcards en ledenpassen van iedere chique club hier uit de stad, netjes geordend tussen het leder. De man was zonder twijfel puissant rijk en bekend in ieder casino van de stad. In het muntgeldvakje verwachtte ik niet veel te vinden, maar trof tot mijn verrassing een gouden munt aan ter grootte van een fiche. Er stond geen naam op van een hotel of casino. Het leek meer op de kop van zo’n oude Romeinse keizer. Het zou een munt van het Caesar Palace kunnen zijn of iets dergelijks. Hm, die was minstens honderd dollar waard.
  Een man stapte op me af. ‘Hoeveel kost je per uur?, vroeg hij. Ik volgde zijn gulzige blik die op mijn decolleté gevestigd was en kon hem deze vraag niet eens kwalijk nemen. Las Vegas was waarschijnlijk de stad met de meeste dames van plezier per inwoner en dat alles om het de gokkende toerist zo aangenaam mogelijk te maken, terwijl zijn zakken geplunderd werden. Ik schudde glimlachend mijn hoofd. ‘Sorry, ik wacht tot mijn klant terugkeert,’ antwoordde ik en zwaaide met de leren buidel. Onopvallend stopte ik de munt in mijn bustehouder. Teleurgesteld droop hij af. Ik besloot dat het tijd was voor actie en nam naast mijn fooienboef plaats aan de goktafel.
  Ik wist zeker dat hij vals speelde, al doorzag ik zijn truc niet. Aan het zweet op het voorhoofd van de croupier te zien, wist hij hier meer van. De camera boven de speeltafel zoomde in, zag ik. Toen ik onopvallend om me heen keek telde ik vier camera’s die op de beide mannen gericht waren. Ik boog me naar hem toe en fluisterde in zijn oor. ‘Je geeft me mijn fooien terug, of ik gil dat je een valsspeler bent.’
  ‘Flikker op,’ zei hij en speelde weer verder.
  Ik boog me weer naar hem toe, maar fluisterde nu niet meer. ‘Zal ik, op de weg naar buiten, de portier meteen even vertellen dat je meneer Du Pont gerold hebt? Hij is hier vaste klant en erg geliefd óf gevreesd, dat weet ik niet zeker,’ zei ik op een allerbeminnelijkste toon. De croupier hoorde mij ook. Het zweet liep hem langs de slapen en onder zijn oksels vormden zich natte plekken. ‘Je speelt hoog spel, Longdini,’ zei hij waarschuwend. ‘De camera’s houden ons in de gaten. Je moet stoppen.’ Op dat moment werd de croupier vervangen door een aantrekkelijke dame.
Ze groette vriendelijk en begon te delen.
  Longdini won niets meer, dus stapte hij van tafel op. Achter hem stonden twee kleerkasten in iets te strakke pakken. ‘Ik denk dat meneer nog niet is uitgespeeld,’ zei de breedste van de twee. Het was duidelijk wat er werd bedoeld. De winst van zojuist moest worden verspeeld anders werd er verbouwd. Waarschijnlijk een gezicht. Longdini keerde zich om naar de speeltafel en deed alsof hij verder speelde. Plotseling doofden een paar secondenlang alle lichten en toen ze weer aangingen, was Longdini verdwenen.
  Ik werd meegenomen naar een klein kamertje en de beveiliging doorzocht mijn tasje. Zodra de mannen de naam van Du Pont op de pasjes in de gestolen portemonnee zagen, belde een van hen naar boven. De eigenaar zelf kwam naar beneden en bekeek mij lang en zwijgend. Hij stuurde de mannen naar buiten en wierp een vluchtige blik op de creditcards. ‘Niet zo slim om juist deze meneer te rollen.’ Hij beval me op te staan en ging vlak voor me staan. ‘Ik heb je eerder gezien. Je komt hier de laatste weken vaak samen met die dikke Texaan. Hoe houdt een mooie jonge vrouw het uit met zo’n dikke vent? Je verdient beter.’ Bedoelde hij nu werkelijk zichzelf? Hij streelde me over mijn gezicht. ‘Misschien kan ik je helpen om hier ongeschonden uit te komen.’ Ik wist wat er van me verwacht werd en zakte door mijn knieën.

Tien minuten later stond ik buiten. Ik stiftte mijn lippen en liep richting The Venetian.

Met de minuut wordt het heter in de woestijn. In de verte verschijnt een stipje. Ik spring op en begin te zwaaien. Het stipje is een helikopter en komt snel dichterbij. Ik kijk om naar Longdini. Zijn blik staat zorgelijk.
  ‘Waarom ben je niet blij?’ vraag ik. ‘Dit is onze redding.’
  ‘Stel dat het de mannen zijn die ons hier hebben gebracht? Wat als ze terugkomen?’
  ‘Ons hier voor dood laten liggen en dan terugkomen? Waarom zouden ze dat doen?’ vraag ik, maar zwaai niet meer. We kijken om ons heen of er een plek is om ons te verstoppen. Die is er niet. We staan bij een beekje middenin de woestijn. De paar droge struiken geven misschien een beetje schaduw, maar zeker geen bescherming. De mannen in de helikopter hebben ons allang gezien en naderen snel. Met een gigantische herrie, die gepaard gaat met een wervelwind, landen ze. Een man in een zwart pak stapt uit en rent naar ons toe, terwijl hij zijn wegwaaiende stropdas stevig vasthoudt.
Hij gaat voor me staan. ‘Anne Delano? Bent u Anne Delano?’
  ‘Zijn er nog meer vrouwen in de woestijn verdwenen in gezelschap van een goochelaar?’ vraag ik. Zwart pak en niet al te snugger, alleen de zwarte bril ontbreekt, anders zou hij zo in een Hollywoodfilm kunnen acteren als FBI-agent. Hij kan niet om mijn opmerking lachen en kijkt zoekend langs mij heen. Op het moment dat ik naar zijn legitimatie wil vragen, zie ik een man in de heli zitten die ik vaag herken. Zodra ik hem zie, wil ik vluchten, maar ik kan me niet herinneren waarom. Uit een automatisme waar ik het bestaan niet van ken, reageer ik vliegensvlug. Ik pak het wapen van de FBI-agent af en ontgrendel de veiligheidspal. Ik schiet op de man in de helikopter maar mis met opzet. De kogel treft hem op een haar na. De man met het scherpe gezicht kijkt me aan. ‘Je vader weet hiervan,’ schreeuwt hij boven het lawaai van de helikopter uit. ‘Stap in Anne, dan ben je veilig. Ik kan je helpen.’
  ‘Wegwezen, voordat ik deze sukkel een stuk lood in zijn buik schiet,’ schreeuw ik terug. Ik houd de FBI-agent onder schot en terwijl de helikopter wegvliegt zonder hem, spuug ik op de grond en wijs met de loop van mijn pistool naar een plekje bij de struiken.
  Ineens is Longdini weer in ons midden. Hij staart naar de wegvliegende helikopter. ‘Mevrouw Anne gaat liever lopen, zie ik? Of moet ik zeggen Hellen?’
  ‘Die vent wilde me inrekenen of dood hebben,’ antwoord ik, terwijl ik zijn eigenlijke vraag onbeantwoord laat. ‘En bedankt voor je hulp.’
  Ik houd mijn pistool op de agent gericht en beveel hem om zijn overhemd uit te trekken. Hij protesteert aanvankelijk maar een schot net naast zijn voet doet wonderen. Ik pak het shirt, was het in het beekje en sla het natte katoen om mijn lichaam. Wat een heerlijke verkoeling. Ik voel dat Longdini naar me gluurt en sprenkel nogmaals een plens water over me heen. Hij struikelt als hij de FBI-agent naar het struikgewas duwt. De goochelaar slaat de handboeien om een boompje en dan pas om de polsen van de agent. Ik moet moeite doen om mijn lachen in te houden. Een FBI-agent die zich laat vangen met goochelhandboeien! Longdini blijft voor hem staan en probeert informatie uit hem te krijgen. De puntige kant van een van mijn afgebroken hakken houdt hij hierbij akelig dicht bij de ogen van de agent.

Tien minuten later zijn we heel wat wijzer. Het was Du Pont die opdracht heeft gegeven om ons hierheen te brengen en voor dood achter te laten. Waarom is gissen. Het geld is door het casino teruggegeven aan de rijke crimineel, samen met zijn portefeuille. Wellicht wilde hij ons een lesje leren.
  Longdini pakt de kin van de agent stevig vast en zwaait wederom met mijn stilettohak. ‘Hoe weet jij dit allemaal?’
  ‘Van die dikke Texaan, hij heeft zelf de nodige klappen gehad en hen daarna geholpen om jullie te laten verdwijnen. Nadat wij hem ondervraagd hebben, heeft hij zijn koffers gepakt en is vanmorgen voorgoed uit Las Vegas vertrokken.’

Henry, ik was hem helemaal vergeten. Lieve, rijke Henry. Eigenlijk was hij mijn type niet, maar hij had me met zijn trouwe lobbesogen zo lief aangekeken, die eerste keer dat wij elkaar ontmoetten. Hij was een klant bij een nachtclub waar ik toen werkte en ik had hem een lapdance gegeven.
  Net op het moment dan hij klaarkwam, keek hij me recht in mijn ogen aan. Dat moment vermeed ik normaal gesproken altijd, maar om de een of andere reden was Henry anders dan al die andere kerels. Hij was meer dan alleen een creditcard. Ik nam mij voor een weekje te blijven en me eens lekker te laten verwennen door hem en al zijn geld, maar die week werd maanden.
  Blijkbaar was hij vanochtend vertrokken, zonder zich om mij te bekommeren. Lekker dan. Stom zwijn. Ik ga ik voor de FBI-agent staan en stomp hem in zijn buik. Erg sterk ben ik niet, dus het heeft niet het gewenste effect. Hij kijkt me smalend aan. Kwaad pak ik zijn zonnebril uit zijn borstzakje en zet hem op mijn neus. Ik knik naar Longdini en zonder verder overleg beginnen we aan onze tocht door de woestijn.    
  ‘Laat me hier niet achter,’ roept de agent ons na.
Longdini lacht naar me. ‘Feeks,’ zegt hij en stompt me speels op de schouder.

Tijdens het lopen vallen de stukjes van de puzzel langzamerhand in elkaar. Ik herinner me hoe ik boos en verslagen terug naar The Venetian liep. Ik weet weer hoe ik opschrok van het geluid van piepende remmen. Een grote zwarte auto stopte aan de kant van de weg en drie mannen stapten uit, pakten me vast en sleurden me de auto in. Toeristen grepen naar hun camera’s. Onder luid gejuich werd ik als een attractie gekidnapt.
  In die auto zat een kleine man met een scherp gezicht.
  ‘FBI,’ zei hij, ‘wij weten dat u betrokken bent bij een misdrijf, dus ontkent u het maar niet.’
  Tranen, - echte, geen gespeelde, welden op in mijn ogen toen de wagen begon te rijden en de kleine man mijn portemonnee doorzocht.    
  ‘Een vals ID, uitzonderlijk knap nagemaakt, mijn complimenten. Ik neem niet aan dat je altijd al Hellen de Wit hebt geheten? Je hebt een onopvallende naam gekozen, wat betekent dat je ergens voor wegrent. Je bent bang, is het niet, Hellen de Wit?’
Ik slikte mijn tranen weg. De ellende die me te wachten zou staan, als hij me niet zou geloven, was vele malen groter dan een geile casinobaas of een verdwenen fooienpot. Ik moest mezelf herpakken.
  ‘Wie ik ben, doet niet ter zake. Ik heb hier niets mee te maken. Je lijkt me de slimste van het stel. Laten we een deal maken: ik vertel je alles wat ik weet en jij laat me verder met rust.’ Stonk hij erin? Ik kon zijn gezicht niet lezen. Verdomme, normaal was ik altijd zo voorzichtig. Dit kon mijn dood betekenen. Als pa me hier zou vinden, was ik er geweest.
  Tot in detail vertelde ik mijn verhaal, beginnend met mijn dansact; de portefeuille van Du Pont en het vals spelen in het casino. Ik vertelde hem zelfs over de kleerkasten en de eigenaar, maar de orale afkoopsom liet ik achterwege. Ik wilde deze niet ook op dat idee brengen. Ergens aan de rand van de stad stopte de auto. Mijn kidnapper pakte me ruw bij mijn nek. Zijn adem voelde heet in mijn hals. ‘Als er een woord gelogen is, dame, dan breek ik je nek. We pakken Longdini; Du Pont en je dikke Texaan. Als een van hen de dans ontspringt kom ik bij jou. Iemand moet opdraaien voor deze witwaszaak.’ Hij duwde mijn luchtpijp dicht en hij stopte pas toen ik zijn gezicht openkrabde met mijn valse nagels.
  ‘Slet,’ riep hij en gooide me eruit bij de McDrive, helemaal aan de rand van de stad. Ik kocht een cheeseburger met een aardbeienshake en hield een taxi aan. Uitgeput nam ik plaats en liet me naar The Venetian brengen -

Urenlang lopen we nu al door de woestijn. Het beekje was uren geleden opgedroogd. Water wordt het komende etmaal ons grootste probleem. We lopen in ieder geval goed, dat weten we zeker. De informatie van de agent kwam niet vrijwillig, maar komt goed van pas. De reep chocolade die ik van hem pikte, is allang verteerd en ik snak naar voedsel. Om de honger niet te voelen, probeer ik me op iets anders te concentreren. Er was iets in de woorden van de agent die bij mij een alarmbel deed rinkelen, maar ik weet niet meer wat het was. Ineens weet ik het. Het had te maken met Henry. ‘Longdini, waarom plukte je mij uit het publiek?’
  ‘Die Texaan van je bood me duizend dollar. Ik had niets meer, weet je nog? Alles wat ik had, is op de goktafel blijven liggen. Winnen aan die tafel was mijn laatste kans. Als jij niet gekomen was, dan was ik vanochtend zonder zorgen wakker geworden. Nu ben ik berooid en sjouw door de woestijn.’
  ‘Henry bood je geld om mij ertussen uit te halen? Waarom?’
  ‘Dat doen mannen wel vaker, om hun sletj-, uhh, vriendinnen te plezieren. Die van jou wilde er zeker van zijn en gaf me tweeduizend. Hij leek me erg nerveus en vroeg me waar je terecht zou komen. Ik vertelde hem dat dit het geheim van de illusionist was en bleef.’
  ‘Dus hij gaf je tweeduizend dollar. Wat lief van hem.’
Longdini schudt zijn hoofd. ‘Met lief zijn had het volgens mij niet veel te maken. De kleerkasten van Du Pont hielden het podium nauwlettend in de gaten. Ik had niet de indruk dat het idee van je vriendje kwam. Je moest verdwijnen en ze hebben mij gebruikt.’ Longdini kijkt me aan. ‘Laat ik je vooral niet vergeten te bedanken.’ Hij buigt theatraal en het ik ontplof bijna. ‘Wat lul je nou, eikel? Jij rolt Du Pont, ik vind zijn portemonnee en wil die zelfs aan hem teruggeven en jij beschuldigt mij dat deze situatie mijn schuld is. Je draait de zaken om, knakker.’

We sjokken verder door de hitte. Ik kan niet geloven dat Henry hier iets mee te maken heeft. In de afgelopen weken heeft hij vaak laten merken dat hij gek op me is. Hij dacht er zelfs over om zijn vrouw te verlaten en zich voorgoed met mij in Las Vegas te vestigen. ‘Je blaast frisse wind door mijn dichtgeslibde aderen,’ zei hij dikwijls. Hij was dol op me en ik mocht hem graag. Ik hou ervan als mannen me verwennen met hun creditcards.
  Ik denk aan hoe ik gisteren na mijn tocht door de stad, terugkwam in het hotel. Nadat ik me had opgefrist, kwam Henry binnen. Zijn pak zat helemaal scheef alsof iemand ruw aan zijn stropdas had getrokken. Zijn lange haren, die hij normaal altijd netjes over zijn kale hoofd achterop zijn hoofd drapeerde, staken alle kanten uit. Hij leek van slag. Hij haalde een rolletje briefgeld tevoorschijn, pakte een paar dure sieraden uit de kluis, die hij aan mij gaf. ‘Zorg goed voor jezelf, gouden bloem van me.’ Hij deed mijn masker af en zoende me op mijn mond. Omdat ik mijn kostuum niet wilde ruïneren ging ik voor de tweede maal die dag door mijn knieën. Deze keer deed ik het met plezier.
  Nu begrijp ik dat Henry mij een appeltje voor de dorst heeft gegeven. Dat appeltje ligt veilig in mijn kluis. Wist hij toen al dat hij zou vertrekken? Ik realiseer me nu dat hij verbaasd was toen hij onder de douche uitkwam. ‘Ben je er nog?’ vroeg hij. Ik lachte en kuste hem. ‘Natuurlijk, we gaan vanavond toch naar het feest?’
  Had ik gisteren maar geweten wat ik nu weet. Henry wilde dat ik vluchtte. De lieve schat.

We pauzeren en laten ons op de grond vallen. Longdini deelt zijn bessen met me. Nu ik begrijp wat er is gebeurd, vraag ik me af wat ik moet doen als ik weer in LasVegas ben. Ik zal mijn spaarcenten pakken, voor de zoveelste keer een nieuwe identiteit aannemen en vertrekken, maar waarheen?
  Longdini vloekt en ik schrik op. Hij krabt zich aan zijn onderarm. ‘Die rotmuggen. Mijn arm jeukt al de hele ochtend.’ Onbewust schuur ik met mijn arm langs de naden van mijn kousen. Het jeukt inderdaad. Plotseling kijken we elkaar aan. Vreemd, beiden jeuk op de onderarm. We leggen onze armen naast elkaar en bestuderen de insectenbeet. Hij schudt zijn hoofd.
  ‘Chemicaliën, concludeert hij simpel. ‘Ofwel GHB, de partydrug, die je alles doet vergeten of Farmacon, het waarheidsserum. Volgens mij hebben we een spuitje met het laatste gehad. GHB verklaart wel ons geheugenverlies, maar geeft andere bijwerkingen. Ik herinner me vaag dat er mannen waren die aan mijn kop sjorden, me onder water duwden en informatie eisten.’ Hij kijkt naar mij of ik me iets herinner. Ik dacht dat ik alle puzzelstukjes had, maar hier blijft mijn herinnering op zwart staan.
  ‘Weet je nog wat voor informatie ze wilden hebben?’ vraag ik hem.
  Hij tuurt in de verte en denkt diep na.’Nee, ik zag de maatpakken en hoorde het schreeuwen in mijn oor. Lachend drukten ze mijn hoofd in een wc-pot. Ondanks dat ik drie minuten onder water kan blijven als illusionist, was ik doodsbang. Deze mannen wilden informatie, die ik niet had.’ Een momentlang is hij stil en dan kijkt hij me ineens aan. ‘Ik weet wat ze wilden. Ze wilden een sleutel hebben. Ik gaf ze de gouden sleutel van mijn handboeien, maar dat was niet de sleutel die ze bedoelden. Toen zag ik jou liggen. Je was bewusteloos. Jou hadden ze eerder dan mij al te pakken gehad. Ze hebben je hoofd tegen de muur geslagen. Zelfs op dat moment liet je niets los, dus hebben ze je gedrogeerd. Ook met het waarheidsserum kon je hen de gewenste informatie niet geven. Daarom richtten ze hun aandacht op mij.’ Hij glimlacht. Oh ja, nog bedankt.’
  Ik kijk hem verbaasd aan. ‘Bedankt waarvoor?’
  ‘Voordat je bewusteloos raakte, zei je dat het onmogelijk was dat ik hiervan wist. Ik was weliswaar een lekker ding maar slechts een kruimeldief. Zeker geen crimineel zoals hun afzichtelijke baas.’
  ‘Haha, dat ben ik: recht voor z’n raap en niet al te snugger.’
  ‘Het leverde je wel die pijnlijke knie op. Die dikke ging er op staan.’
  ‘Au.’
We kijken naar de horizon waaruit drie snel groter wordende zwarte stippen onze richting opkomen. Er is geen ontkomen aan. Ik kijk naar Longdini en voel de neiging om zijn hand te pakken. Ik aarzel. ‘Verdwijn je zo direct weer, als de zwijnen komen?’
Hij schudt zijn hoofd. ‘Ik ben je nog iets verschuldigd,’ zegt hij en pakt mijn hand.

Drie bodyguards en een zakenman stappen uit. Ik sta op en weet dat dit het einde van mijn reis is. Het maakt niets meer uit. Ik ren al zo lang. Ben al jaren voor hem op de vlucht. Ik heb altijd geweten dat hij me eens zou vinden; hoe goed ik me ook in de meest louche nachtclubs verstopte of onder welke vetzak ik ook wegkroop. Dit moment moest ooit komen en het is vandaag.
  ‘Hoi, pap,’ zeg ik en negeer zijn open armen. ‘Hoe heb je me gevonden?’
Hij doet een stapje opzij. In de deuropening van de heli staat Du Pont. Mijn vader kijkt me aan met zijn koude grijze ogen. Hij haalt uit en slaat me met de achterkant van zijn hand recht in mijn gezicht.
  ‘Anne, mijn vriend hier beweert dat jij en je vriendje iets hebben wat hem toebehoort. Hij vraagt je vriendelijk of je het teruggeeft.’
  ‘Dat heeft hij me al gevraagd met waarheidsserum. Waarom denk je nog steeds dat ik heb wat hij wil?’
Mijn vader kijkt me aan en zijn ogen lichten even op. ‘Je bent mijn dochter en ik heb je meer trainingen gegeven dan al mijn andere agenten. Jij weet precies hoe je dat serum moet weerstaan.’
  ‘Hij wil een sleutel en die heb ik niet. Schiet me maar dood. Ik weet het echt niet.’
Hij richt zijn 45 op me en telt met zijn lippen af. Drie, twee ee-,
Longdini duwt me weg. Ik val op de grond en zie hoe de kogel, die voor mij is bestemd, in de borst van Longdini verdwijnt. Hij schreeuwt het uit van de pijn.
  Pa richt zijn pistool weer op mij. Ik ken zijn trucs en weet wat er gaat gebeuren. Ik kan bluffen en zeggen dat ik de sleutel in mijn kluis heb, maar dat is slechts uitstel van executie. Ik buig me over Longdini heen en streel zijn gezicht. ‘Pa, ik ben altijd alleen een pion in jouw criminele spel geweest. Je hebt me geslagen om me hard te maken; je hebt me uitgeleend aan je zakenpartners om een deal te beklinken en je hebt mam de dood ingejaagd. Ik haat je, maar bang ben ik niet meer voor je. We hebben de sleutel die je zoekt niet, dus schiet ons dood en laat ons hier achter in de woestijn. De grens is bereikt.’
  Longdini verliest zijn bewustzijn. Met zijn hoofd op mijn schoot wacht ik op het oordeel. Vader kijkt om naar Du Pont. Die schudt zijn hoofd en draait zich om. Vader loopt achter hem aan en kijkt niet één keer om.

Ik kleed me uit en zet de douche aan. De gouden munt met de kop van de Romeinse keizer erop, valt op de grond. Longdini raapt hem op en kijkt ernaar. Hij begint hard te lachen. ‘Wat een bluf! Wat een giller! Je hebt de sleutel wel. Je bent rijk, stinkend rijk.’
Verbaasd staar ik naar de munt die de kluis zal openen naar een onbezorgde toekomst.
‘Geef maar snel hier, voordat hij in je hoge hoed verdwijnt.’

Nienke Pool

Auteursrechten en intellectuele eigendomsrechten

Het auteursrecht van bovenstaande tekst berust bij Nienke Pool of bij derden welke bij toestemming dit materiaal beschikbaar hebben gesteld aan VrouwenThrillers.nl. Vermenigvuldiging in wat voor vorm dan ook is alleen toegestaan door voorafgaande toestemming door Nienke Pool.



Bezoekersreacties: