Gerechtigheid
Door: Lisanne Ortsen op 26 november 2013

Ze dacht dat ik dood was. Dat had ook goed gekund. Het was flinke klap. Maar wat een domme muts. Hier werd alweer bevestigd dat vrouwen niet kunnen rijden. Net als die vrouw die mijn vader vermoord had. Het was een afgelegen pad. Je moest hier goed opletten en niet harder dan dertig rijden, terwijl zij op zijn minst tachtig reed. Dat gebeurde vaak hier. Ze voelde aan mijn pols en luisterde naar mijn adem. Ik hield mijn ogen stijf dicht en deed ze voorzichtig open toen ze hem smeerde. Ik liet haar gaan maar printte het kenteken in mijn hoofd.

1990
Ik werd bijna zestien jaar. Het was een gewone dag uit mijn leven. Ik was enig kind en ik had liefhebbende ouders. Elke ochtend stonden we tegen zeven uur op en ontbeten we met zijn drieën aan de ontbijttafel. Mijn pa vertrok kwart voor acht met zijn auto naar het werk zoals hij elke ochtend deed. Ik pakte daarna meestal mijn tas en ging tegen acht uur op weg naar school waar ik mijn vrienden opwachtte bij het schoolhek. Mijn moeder ging als laatste van huis, op de fiets naar een poetsadres in de buurt. Ik was meestal veel te vroeg op school, maar ik vond het heerlijk om met mijn vrienden rond te hangen bij de fietsenstalling en sjekkies te roken. Af en toe namen we ook een jointje, maar dan na schooltijd. Daarbij vielen we ook vaak de meisjes lastig.
Ik was de leider, de oudste en de populairste van ons groepje. Veel medeleerlingen keken tegen ons op en bijna alle meiden waren verliefd op me. Dat vond ik geweldig. Stoer zelfs. Ik voelde me machtig. Ik was hier begonnen op het VWO, maar ben inmiddels terug gezet naar het VMBO. Ik zat er niet mee. Ik vond het wel fijn. Minder huiswerk en meer praktijk. Met mijn neus in de boeken was niets voor mij. Ik was te lui, te brutaal en de meeste tijd moest ik nablijven of werd ik op het matje geroepen bij de rector. Zo was het nu eenmaal. Ik was een normale puber. Ik was geen crimineel. Toen ik die ochtend van huis wegging had ik niet geweten dat die dag mijn hele leven zou veranderen. Als het kon, zou ik de tijd terug willen draaien.

Ik zat net in mijn eerste les, toen ik mijn naam door de intercom hoorde en dat ik per direct naar de directeur moest. De halve klas en mijn vrienden begonnen te lachen en te joelen terwijl ik grijnzend mijn spullen inpakte en de klas uitliep. Ik zag de leraar mij met priemende ogen nakijken. Ik was nieuwsgierig wat ik nu weer had gedaan. Het moest wel iets ergs zijn; ik had nog nooit naar de directeur gehoeven. Hoewel ik moest toegeven dat ik het niet altijd was die iets flikte. Vaak kreeg ik straf of verwijten naar mijn hoofd geslingerd over iets wat ik helemaal niet gedaan had. Maar ik had nu eenmaal de reputatie dat ze gelijk aan mij dachten en er vanuit gingen dat ik schuldig was. Ik vond het niet erg.
Ik kreeg daardoor weer meer respect en bewondering van mijn vrienden en andere leerlingen. Toen ik bij de directeur aankwam klopte ik op de deur en liep naar binnen. De heer Nieuwenhuizen keek me aan en wees naar de stoel tegenover hem. Ik ging zitten en wachtte af. Ik voelde een rare spanning, maar besteedde er verder geen aandacht aan. De heer Nieuwenhuizen schraapte zijn keel en keek me boven zijn ronde brilletje aan. ‘Ik vrees dat ik slecht nieuws voor je heb, Mick. Je vader is helaas een halfuur geleden overleden door een auto-ongeluk.’

1992
‘Ik weet wel dat je dit graag wilt en ik kan het je niet meer verbieden Mick, maar ik ben gewoon een beetje bezorgd. Zul je wel goed uitkijken?’ Mijn moeder keek mij smekend aan. Ik zuchtte. Weer dat gezeik. ‘Natuurlijk zal ik uitkijken ma. En het is mijn eerste rijles. Ik heb iemand naast mij en die heeft dit zo vaak gedaan. Het komt goed.’ Mijn moeder knikte en keek weer naar buiten. Het is nu twee jaar geleden. Sindsdien was mijn leven net een achtbaan. Ik ging van school af en ging fulltime in de garage werken. Ik dacht dat ik nog wel problemen zou krijgen doordat ik leerplichtig was, maar ik had niets gehoord. Mijn vrienden zag ik niet meer en ik ging alleen maar de deur uit om te werken. Met mijn ma ging het slecht. Ze wilde er dolgraag met mij over praten maar elke keer als ze het probeerde sloeg ik op de vlucht. Ik wilde niet praten. Dat was voor mietjes.
Ik was een man, die waren hard. Mijn ma ging naar een psycholoog en ik zag haar bijna niet meer. Dat vond ik niet erg. Sinds dat ongeluk voelde ik een enorme woede richting haar. Maar niet alleen naar haar. Naar alle vrouwen. Toen ik hoorde dat mijn pa van de weg was gereden door een vrouw die aan het bellen was en het verdomme haar stomme schuld was, had ik alle interesse in meisjes en vrouwen verloren, waar ik toen nog zo gek op was. Dat ze zelf daarna ook overleden was aan haar verwondingen interesseerde me niet.
Ik haatte haar en alle vrouwen met elke vezel van mijn lichaam. Ze waren in mijn ogen allemaal hetzelfde. In elke vrouw die ik nu zag, zag ik haar voor me. Hoe ze mijn vader aanreed. Ik wilde graag leren rijden. Ik was er niet bang voor. Ik belde een paar rijscholen op uit de buurt en toen ik een vrouw hoorde, hing ik gelijk op. Na een paar keer kreeg ik een man en plande ik een afspraak in. Na zestig lessen, twee theorie-examens en twee praktijkexamens had ik eindelijk mijn rijbewijs op zak. Maar het gekke was: ik had daarna nooit meer gereden.

2012
Het was winter en het had de hele dag gesneeuwd. Het was spekglad. Mick keek naar de klok en zag dat het bijna vijf uur is. Hij slaakte een zucht en sloot alvast zijn computer af. Hij deed nog alsof hij wat rommelde in zijn lades, maar wanneer de klok vijf uur sloeg, pakte hij zijn spullen en liep het kantoor uit. Hij voelde de ogen van zijn collega’s in zijn rug prikken. Hij wist wat ze van hem denken. Ze vonden hem een rare vogel. Op zijn eerste werkdag had hij zich niet voorgesteld en had hij ook geen enkele moeite gedaan om contact met ze te krijgen. Hij zei ook nooit wat tegen ze.
Om twaalf uur gingen ze gezamenlijk lunchen, maar Mick bleef altijd in het kantoor bij zijn computer. En elke vrijdag was het vaste borrelavond bij een café om de hoek. Ze hadden hem één keer meegevraagd, uit medelijden, zo voelde hij het. Hij had kortaf nee gezegd en sindsdien hadden ze hem ook niet meer gevraagd. Ze negeerden hem volkomen. Mick vond het niet erg. Zo wilde hij het graag. Totdat er twee maanden geleden een nieuwe vrouwelijke collega op zijn afdeling kwam: Rosanna. Ze deinsde niet terug van Micks stugge houding, het trok haar juist aan.
Mick wist niet wat hem overkwam. Hij vond haar er mooi uitzien en vond haar meer dan aardig. Mick strafte zich dan gelijk. Zo mocht hij niet denken. Rosanna boezemde hem veel angst in. Hij wist niet wat hij moest doen. De laatste keer werd hij zo zenuwachtig van haar aandacht, dat hij haar afsnauwde waar alle collega’s bij waren. Hij zag de pijn in haar ogen, maar hij sloot zich voor alles af. Hij mocht niets voelen… Mick liep naar de fietsenstalling naast het gebouw. Het was verrekte koud. Hij had alleen een muts bij zich. De volgende keer moest hij toch maar wanten meenemen. Hij trok zijn rits op tot aan zijn kin, deed zijn fietslampen aan, pakte zijn fiets en ging op weg. Het was druk in de stad. Gelukkig woonde hij maar vijf minuten fietsen van zijn huis.
De kou prikte aan zijn handen alsof het messteken zijn. Met de gedachte aan een heerlijke warme kachel fietste hij in gedachten verzonken en zacht fluitend naar huis. Hij woonde nu tien jaar in deze stad. Hij had zijn oude woonplaats en de garage waar hij werkte vaarwel gezegd en was verhuisd. Zijn moeder was er kapot van. Sinds hij verhuisd was had hij alle contacten verbroken. De eerste paar weken had zijn moeder nog gebeld en gemaild, en ze was zelfs een keer aan de deur geweest, maar hij had haar afgewimpeld. Het deed hem niets. Hij kon haar niet zien. Dat herinnerde hem teveel aan vroeger. En dat deed pijn. Mick was nooit naar de begrafenis geweest hoewel zijn moeder erop aandrong. Hij had het nodig om iets af te sluiten, beweerde ze. Mick wuifde alles weg en werd op een gegeven moment giftig. Hij smeet alles wat hij pakken kon kapot in de kamer, wenste zijn moeder de allerergste dingen toe, ging stampend naar boven en trapte de deur met een knal dicht. Hij hield zijn handen tegen zijn oren om zijn moeder niet te horen snikken.

Hij was al halverwege en fietste in het park. Aan de overkant van de waterplas zag hij lichtjes van de auto’s die ook graag naar huis wilde en de uithangborden van de winkelstraat. Het was donderdag, koopavond. Dan was het nog drukker. Gelukkig was hij bijna thuis. Het laatste stukje was een rotstuk. Een verlaten smalle weg. In de verte zag hij een auto aankomen en hij controleerde nog snel zijn lampen. Hij was zichtbaar. Hij fietste rustig verder tot hij merkte dat de auto wel heel dicht op hem af kwam. En voordat hij het wist, voelde hij een harde klap, vloog hij door de lucht en kwam een paar meter verder terecht. Het duurde even voor het doordrong wat er gebeurd was. Hij voelde pijn aan zijn schouder, maar wist intuïtief dat het niet ernstig was. Hij hoorde een autodeur dichtslaan en hoorde gekletter zijn kant op komen. Hij hield expres zijn ogen dicht.
‘Oh god, oh nee wat heb ik nu gedaan? Oh mijn God wat moet ik doen?’ Toen hij de vrouwenstem hoorde, woelde er opeens een grote woede in hem.
‘Oké, rustig aan Sophie. Even rustig ademhalen, wat moet ik doen? Kijk of hij nog ademt.’ Mick voelde een hand op zijn borst en hield hij adem in. Toen voelde hij een warme hand aan zijn pols.
‘Oh nee, hij is ijskoud, volgens mij is hij dood. Wat moet ik nu? Ik mag geeneens rijden.’ Terwijl ze praatte drong er een alcohol lucht zijn neusgaten binnen. Hij bleef nog steeds roerloos liggen en hij hoorde de vrouw nog mompelen. Hij ving de woorden ‘weggaan’ en ‘komen er toch niet achter’ op en hoorde de vrouw teruglopen naar de auto. Hij deed zijn ogen lichtjes open en zag een blond hoofd de auto instappen. Een felgroene Ford Ka zag hij. Een typische vrouwenauto dacht hij bij zichzelf. Hij voelde nog steeds de woede in zijn aderen stromen. Voordat ze er als een gek vandoor ging, printte hij nog gauw het kenteken in zijn hoofd. Hij keek naar zijn bloedende schouder. Zijn vader had pech gehad, maar ik leef nog. Dit keer zint hij op wraak.

De dagen en weken erna hield hij alle auto’s goed in de gaten. Bij elke groene auto sprong zijn hart op, maar het was nooit een Ford Ka of het exacte kenteken. Het was nu half december en het was overal bizar druk. Normaal vermeed hij drukke ruimtes en plekken waar veel mensen waren, maar nu was het anders. Hij moest haar vinden. Hij was het zijn vader verschuldigd. Op zijn vrije dagen of in het weekend ging hij in het overdekte winkelcentrum op een bankje zitten met uitzicht op de grote parkeergarage. Hij kon elke auto naar binnen en naar buiten zien gaan. De eigenaren van de winkels hielden hem nauwlettend in de gaten maar deden niets. Hij knikte vriendelijk naar ze en richtte zijn blik dan weer naar buiten.
De dagen duurde voort en hij vond haar niet. Op een gegeven moment begon hij zich af te vragen waarom hij die vrouw moest vinden. Het had geen nut. Ik zal haar nooit vinden. Misschien woonde ze wel kilometers verderop. En als je haar vind, wat ga je dan doen? Haar voor de rechter slepen? Je hebt geen bewijzen. Ga naar huis Mick, en laat het los. Dat zei hij steeds vaker tegen zichzelf. Maar dan voelde hij zich weer dat kleine jongetje in het kamertje van de directeur.
De pijn, het ongeloof en daarna de woede. Hij geloofde er niets van en viel de directeur aan. Hij sloeg met zijn vuisten op zijn borst tot hij instortte en huilde. Hij had gehuild. En de directeur had hem vastgehouden, getroost en over zijn blonde hoofd geaaid alsof hij vijf was in plaats van vijftien. Mick schaamde zich er nog steeds voor. Hij huilde nooit. Hij was een man. Die moesten sterk zijn. Hij voelde nog steeds de pijn in zijn schouder toen hij op die verharde weg terecht kwam. Dat geklik van die vrouw haar hakken en die gore alcohol lucht in zijn smoelwerk. Nee, hij moest haar vinden en het afmaken. Dat was hij zijn vader verschuldigd. Daarna kon hij pas verder leven.

2013
Kerstmis en oud- en nieuw gaan voorbij. De drukte neemt af en hij heeft haar nog steeds niet gevonden. Maar hij blijft doorgaan en zoeken. In het laatste weekend van januari heeft hij eindelijk geluk. Hij zit weer op zijn vaste plek en staart voor zich uit. Totdat hij iets groens in zijn ooghoeken ziet. En daar komt de Ford Ka aanrijden. Zijn hart springt op. Hij gaat naar buiten en terwijl de auto naar de slagboom rijdt, rent hij naar de ingang van het trappenhuis. Op elke verdieping kijkt hij door het raampje waar de auto zich bevindt. Af en toe excuseert hij zich als hij weer tegen iemand aan loopt. Uiteindelijk ziet hij de auto een plekje vinden op verdieping acht. Hij gluurt door het raampje. Hij ziet een blond hoofd tevoorschijn komen en hij weet gelijk dat zij het is. Hij begint te grijnzen. Het is hem gelukt! En ze is alleen. Dit keer zal hij haar niet uit het oog verliezen. Hij ziet haar de auto afsluiten en richting de deur lopen. Mick loopt snel naar beneden en gaat buiten op haar wachten. Hij gaat een beetje ongezien staan, met zijn jas hoog opgetrokken en een grote muts op. Ze loopt het overdekte winkelcentrum in.
Na een uurtje te staan kleumen buiten ziet hij haar in de menigte weer aan komen. Hij pakt zijn mobieltje en belt snel het taxibedrijf. Hij heeft geluk, er is een taxi in de buurt. Ze komt naar buiten en loopt richting de betaalautomaat. Hij ziet de taxi aankomen en steekt zijn hand op. Hij doet de deur open. ‘Meneer Jansen?’ vraagt de chauffeur. Mick knikt en stapt snel in. Hij wijst naar de uitgang. ‘Zou u zo direct die groene auto willen volgen?’ De chauffeur kijkt hem verbaast aan. ‘Verrassing,’ zegt Mick en hij lacht. De chauffeur knikt en draait de taxi. Zodra hij de auto ziet, begint hij te rijden. De rit duurt ongeveer twintig minuten. Ze rijden de bebouwde kom in en ze zien de groene auto bij een vrijstaande woning stoppen.
De chauffeur fluit. ‘Zozo, dat huis heeft wel een fortuin gekost. Wilt u dat ik op u wacht?’ Hij draait zich om. ‘Nee hoor, dat is niet nodig.’ Hij stapt uit en wilt weglopen. ‘Meneer!’ roept de chauffeur hem na. ‘U moet wel betalen, vijfendertig euro graag,’ en hij fronst zijn wenkbrauwen. Het is al aardig donker geworden en Mick kijkt om zich heen. Hij heeft geen zin om te betalen en zijn hart begint te bonzen van de adrenaline. Hij krijgt een idee, stapt de auto weer in en doet de deur dicht. Daarna loopt hij naar de voordeur. Hij zorgt ervoor dat zijn jas tot aan zijn kin komt en zijn muts net boven zijn ogen. Ondertussen bekijkt hij het huis. Het is echt gigantisch. Resoluut belt hij aan en even later doet ze open. Ze herkent hem niet.
‘Goedemiddag mevrouw, ik ben van firma Feenstra Kozijnen. Ik zie dat uw kozijnen dermate onderhoud nodig hebben en ik vroeg me af of uw interesse heeft in kunststof kozijnen?’ De vrouw zucht en kijkt Mick aan alsof hij een smerig insect is.
‘Nee, sorry, ik heb geen interesse,’ en ze wilt de deur dichtdoen. Snel zet Mick zijn voet tussen de deur. ‘Zou ik dan even uw toilet gebruik mogen maken?’ De vrouw twijfelt.
‘Alstublieft? Het was een lange dag.’
‘Vooruit dan maar.’ Ze stapt opzij om hem binnen te laten. Ze loopt de gang in en wijst de deur aan.
‘Gaat u gang. Kunt u zelf de weg naar buiten vinden? Ik ben nogal druk.’ Mick salueert.
‘Uiteraard mevrouw, nogmaals bedankt.’ Ze loopt weg en Mick duikt gauw het toilet in. Hij wacht een paar minuten en trekt dan door. Hij wast gauw zijn handen en gaat naar buiten. Hij loopt de keuken in en ziet haar bij het aanrecht staan. Ze is aan het koken.
‘Het is gelukt hoor mevrouw, alleen is er nog één ding,’ zegt hij. Ze schrikt van zijn stem en draait zich om.
‘O ja, wat dan?’ zegt de vrouw. Mick loopt langzaam op haar af.
‘Nou weet u, ik ben op de fiets en je hebt nog weleens van die mensen die niet kunnen uitkijken op de weg.’ De vrouw trekt wit weg en begint te trillen.
‘Is dat zo?’ vraagt ze.
‘Jazeker,’ zegt Mick en zijn stem is zacht en dreigend geworden. ‘En dat is mij ook overkomen. Hij staat nu dicht bij haar. Dertien december rond half zes, zegt je dat wat?’ Hij fluistert het in haar oor en hij voelt dat ze verstijft.
‘Het spijt me,’ zegt ze. ‘Het spijt me echt. Ik dacht dat u…en ik had gedronken en’ …maar voordat ze verder kon gaan heeft Mick haar bij de keel gepakt.
‘Houd je kop, stomme trut,’ sist Mick. ‘Altijd hetzelfde gezeik, altijd dezelfde excuses. Maar door jullie rijgedrag en laksheid, ben ik wel mijn vader kwijt. En het scheelde niet veel of ik was er zelf ook geweest. Helemaal alleen, op een afgelegen pad door een dom blondje dat niet alleen gezopen had maar ook niet de moeite nam een ambulance te bellen. En waarom niet? Alleen maar omdat jullie aan jezelf denken.’ De vrouw piept en probeert los te komen, maar Mick is sterker.
Hij pakt haar nog steviger vast. Langzaam loopt ze blauw aan en na een paar seconden voelt Mick haar verslappen en ziet hij het leven doven in haar ogen. Mick maakt zich los en ze valt met een klap op de grond. Hij kijkt naar het lichaam, en hij is blij. Opeens heel blij. Hij voelt het leven weer in zich stromen die hij al twaalf jaar niet meer gevoeld heeft. Hij wilde gerechtigheid. En dat heeft hij nu. Hij kan weer aan zijn vader denken en voor het eerst stromen de tranen over zijn wangen wat hij zo lang en zo diep heeft weggestopt. Mick leeft weer.

De moord is uitgebreid op het nieuws geweest, maar ze hebben de dader niet kunnen vinden. Na de vrouw vonden ze een paar dagen later ook de vermiste taxichauffeur en op dezelfde manier vermoord. Een boswachter vond de taxi diep in het bos. De politie weet niet of beide moorden verband met elkaar hebben, maar zijn nog op zoek naar verdere aanwijzingen.
Mick had al zijn oude kleren weggegooid en nieuwe, hippe kleren gekocht. Hij had zijn baard afgeschoren en was naar de kapper gegaan. Hij transformeerde van een zwerver tot een jonge god. Die eerstvolgende dag op het werk komt hij fluitend het kantoor binnen. Al zijn collega’s staren de onbekende man met open ogen aan. Alle vrouwen krijgen een rood hoofd en alle mannen kijken verslagen toe. Mick laat zich op zijn stoel vallen en lijkt niets in de gaten hebben. Hij pakt zijn tas uit en zet zijn computer aan. Rosanna loopt aarzelend naar hem toe, stopt naast hem en kijkt hem aan. Ze voelt haar hartslag omhoog vliegen. Ze herkent zijn ogen. Zijn donkerbruine ogen.
‘Mick?’ fluistert ze. Mick staart naar haar vertrouwd, lieve gezichtje en voelt gekriebel in zijn buik. Zijn dit nou vlinders in je buik waar iedereen het over had als je verliefd bent? Mick staat op, legt een hand in haar nek en trekt haar naar zich toe.
‘Sorry dat ik nu pas reageer,’ fluistert Mick. Hij begint haar hartstochtelijk te zoenen. Alle collega’s zijn nog te verbaast om iets te zeggen.

Vanaf dat moment heeft hij een relatie met Rosanna en trekt ze vrij snel bij hem in.
Zijn collega’s worden zijn beste vrienden en ze gaan elke vrijdag met zijn allen borrelen. Hij laat de vrouwen weer toe in zijn leven. Hij voelt geen woede en haat meer. Hij is gelukkig. Hij leeft weer. Het is goed. Alleen heeft hij nog één klusje die hij moet klaren.

Op een zaterdagmorgen stapt hij met Rosanna in de auto en gaan op weg naar zijn geboortedorp. Eerst bezoeken ze het kerkhof. Mick stort luid snikkend neer bij zijn vaders graf terwijl Rosanna zijn schouder vasthoudt. Spijt en verdriet komen naar boven en hij vertelt zijn vader hoeveel hij hem mist. Daarna gaan ze naar zijn ouderlijk huis. Voordat hij uitstapt haalt hij diep adem en knijpt in Rosanna’s hand. Hij heeft haar alles verteld, behalve zijn daad. Die zal hij ook nooit iemand vertellen. Hij loopt het tuinpad op wat niets veranderd is. De coulissen zitten dicht en hij belt kort aan. Na wat wel eindeloos lijkt de duren, hoort hij uiteindelijk gestommel en geluid van een sleutel die omgedraaid wordt. Mick haalt diep adem. Wat zal hij nu gaan voelen? De deur gaat krakend open en zijn moeder kijkt hem verbijsterd aan. Hij kan zien dat ze een stuk ouder is geworden en slecht ter been. Haar eens zo volle gezicht is ingevallen en de pretlichtjes in haar ogen zijn verdwenen maar het is zijn moeder. En hij voelt... verdriet. Verdriet dat hij haar al die jaren heeft laten zitten.
‘Hoi mam,’ stamelt hij.
‘Mick? Ben jij dat jongen?’ Hij heeft zijn moeder nog nooit zo blij gezien. Haar blik gaat van ongeloof naar een grote glimlach op haar gezicht en ze omhelst hem stevig. Hij wordt bedolven onder knuffels en zoenen en zijn moeder huilt tranen met tuiten. ‘Mijn mooie jongen is terug!’ en ze pakt hem weer stevig vast. Inmiddels is Rosanna ook uit de auto gekomen en loopt aarzelend naar voren. Mick draait zich half om en wenkt haar.
‘Mam? Ik wil je graag aan iemand voorstellen.’ En terwijl ze gedrieën het huis binnenlopen denkt Mick maar aan een ding: gerechtigheid.

Lisanne Ortsen

Lisanne Ortsen is 23 jaar geboren en getogen in het kleine dorpje Doornenburg en woont momenteel in Bemmel. Naast schrijven volgt Lisanne de deeltijdopleiding HAVO. Sinds de basisschool schrijft ze al verhalen en vanaf de middelbare school droomt ze ervan schrijfster te worden. Ze heeft een levendige fantasie en vindt het heerlijk dat op papier te zetten. In maart debuteerde ze met haar verhaal Twee gezichten in de bundel ‘Niets is wat het lijkt’ die twee lovende recensies van schrijvers Marelle Boersma en Thomas Heerma van Voss ontving. De vlucht is haar debuutroman en staat gepland uitgegeven te worden in het voorjaar van 2015 bij uitgeverij Zilverbron.



Bezoekersreacties:
Han van Nijkerken (56) op 23 oktober 2014:
Originele invalshoek en vlot geschreven. Hier lust ik er meer van.

Catharina (60) op 21 januari 2014:
Leuk verhaal, spannend.