Niemand weet dat ik het was!
Door: Anne-Rose Hermer op 8 april 2016

Ik was het. Niemand weet het, maar ik was het. Op 2 november 1959 werd het lichaam gevonden van een prostituee, beter bekend als Blonde Dolly. Ze begon haar carrière als Zwarte Molly, maar later verfde ze haar haren blond. Zeker beter voor de business. Verder zou ik niet weten waarom vrouwen hun haar laten verven. Ik heb daar nooit aan meegedaan. Alleen gaat het nu niet om mij, maar om Dolly.

Ik weet dat ze vermoord werd in haar woning aan de Nieuwe Haven 498 in Den Haag op 31 oktober 1959, want ik ben de dader. Uiteraard had ik al die artikelen in de krant niet nodig om te ontdekken wie ze was. Blonde Dolly was niet zomaar een hoertje. Ze had een aantal hooggeplaatste figuren als klant. Er werd zelfs gefluisterd dat ze door ministers werd bezocht. Sebilla Alida Johanna Niemans, geboren 27 september 1927 en overleden op 32-jarige leeftijd. Hoe ze echt heette, heb ik pas gelezen nadat ze was vermoord. Ze leidde een dubbelleven, want ze stond ook bekend onder een andere naam. Sebilla noemde zich niet alleen Dolly, maar ook Inge. Sommige van haar vriendinnen hadden er geen idee van met wie ze van doen hadden. Inge was een dame die in de betere kringen verkeerde. Nu zouden we Inge een socialite noemen. In haar rol als Inge deed ze veel aan liefdadigheid, zoals gedichten van Guido Gezelle voordragen voor mensen die in een ziekenhuis of verzorgingstehuis verbleven. Wat ik ook uit de krant moest lezen, was dat ze een aantal panden bezat aan het Bezuidenhout. Die verhuurde ze, dus dat leverde ook geld op. Ze had een testament en liet haar geld na aan de Kankerbestrijding en het ziekenhuis waar haar moeder werd verpleegd. Het doet me goed dat haar erfenis op plekken terecht is gekomen waar ze echt geld nodig hadden. Uiteindelijk heb ik er indirect aan meebetaald.


Jullie vragen je natuurlijk af wie ik ben en waarom ik dat secreet heb omgelegd. Neem me niet kwalijk dat ik me zo uitdruk, maar eigenlijk ben ik na al die jaren nog steeds boos op haar. De gezinnen van die hoge heren zullen geen boterham minder gegeten hebben omdat pa er dik voor betaalde om met Blonde Dolly naar bed te mogen. Daar is zoveel geld, die echtgenotes merken zoiets niet. Ze weten volgens mij niet eens precies wat hun man verdient. Het interesseert ze schijnbaar ook niet. Er is genoeg, dus waarom zou je details moeten kennen? Ik wist tot op de cent wat er binnen moest komen. Tot op de cent! We hadden vier kinderen en ik deed mijn uiterste best om te zorgen dat er voorlopig geen nummer vijf kwam. De pil was nog toekomstmuziek, anders had ik er waarschijnlijk geen vier gehad. Niet dat ik niet van kinderen houd, maar we konden zoveel koters eigenlijk niet betalen. Kinderen zijn leuk, maar je moet er wel voor kunnen zorgen. Helaas maakte ik me daar veel drukker over dan mijn man. We woonden in een nette, eenvoudige buurt in Den Haag. Mijn man werkte hard, dat moet ik toegeven. Alleen ben ik niet achterlijk. Ik hield zijn uren bij, zeker zijn overuren. Uiteraard was ik dolblij met die overuren, want dat betekende meer geld. Op een moment miste ik geld. Ik wist dat er in verband met die overuren een bepaald bedrag binnen moest komen, maar dat gebeurde niet. Toen ben ik naar zijn baas gegaan. Ik had zelf bijgehouden hoeveel extra uren mijn man had gewerkt. Zijn baas nam me even apart. Destijds had je nog prikkaarten. Zo werd dat genoemd. Als je op je werk kwam, dan moest je meteen je kaart in een stempelautomaat stoppen. Die stempelde de tijd op die kaart. Hetzelfde deed je als je vertrok. Mijn man en zijn collega’s moesten op vrijdag, na het laatste stempel, de kaart inleveren. Daarna ontvingen ze een kaart voor de nieuwe week. Bij wijze van uitzondering liet die baas me de prikkaarten zien. Hij had gelijk. Er waren verschillende avonden waarop mijn man had gezegd dat hij had overgewerkt. Toch vertelden de stempels op de kaarten iets anders. ‘Als die automaat kapot was geweest, wat natuurlijk kan, dan had ik hier een kantoor vol boze kerels gehad omdat ze allemaal te weinig loon hadden ontvangen. Snap je?’ Nou en of ik dat begreep! Nee, deze baas was een goede, eerlijke baas. Het kapot zijn van die stempelautomaat zou het gesprek van de dag zijn geweest. Dat had mijn man me ongetwijfeld verteld. Nu was het een andere zaak. Ik vroeg die baas om niet te laten merken dat ik bij hem was geweest. 
‘Is goed. Sterkte, meid. Denk niet meteen het ergste. Mannen willen soms hele simpele dingen thuis niet vertellen. Vraag me niet waarom.’ Heel lief bedoeld van die baas, maar ik wist in mijn hart dat er iets erg fout zat. Zoiets voel je gewoon als vrouw. 

Ik was pas 25 jaar, had geen enkel diploma gehaald, ik was zes jaar getrouwd en had vier kinderen. Wat zou ik moeten beginnen als mijn man me verliet? Onze twee jongste kinderen waren veel ziek en hadden extra zorg nodig. Ik kon niet eens een paar ochtenden ergens gaan schoonmaken, want niemand wilde op zieke kinderen letten uit angst zelf ziek te worden. Kinderen groeien hard en hebben regelmatig nieuwe kleren nodig. Onze oudste was een meisje, daarna kwam een jongen. Het was dus onmogelijk dat nummer twee de kleding van nummer één afdroeg. Bij de jongens kon dat al helemaal niet, want onze jongste zoon was door ziekte veel dikker dan zijn oudere broer. Iets met zijn schildklier. Zo stapelden de problemen zich op, ook de financiële problemen. De jaren 50 worden in de media vaak afgeschilderd als ideaal. Daar kan ik behoorlijk ziek van worden. Voor sommige mensen waren het misschien fijne tijden, maar voor ons was het leven keihard. Blonde Dolly, die had het naar haar zin. Mannen lagen aan haar voeten en stonden letterlijk voor haar in de rij. Na haar dood ontdekte ik pas dat ze geen makkelijke jeugd had gehad. Het zou me niet hebben tegengehouden, maar ik wilde niet met Dolly ruilen. Ze heette Sebilla, ik weet het. Voor mij is ze altijd Dolly gebleven. Het is de enige kant van haar die ik kende. Dolly was een Amsterdamse. Haar vader was schoenmaker. Mooi beroep. Haar moeder was een ander verhaal. Heel veel ziek, zo ziek dat ze niet meer thuis kon blijven. In die tijd belandde je dan als kind in een kindertehuis. Dit overkwam Dolly en haar broer ook. Je zou denken dat er in Amsterdam wel een plaatsje voor hen was, maar ze kwamen terecht in een kindertehuis in Zandvoort. Dat gebouw werd in 1942 gevorderd door de Duitsers en ze keerden terug naar Amsterdam. Eenmaal thuis ontdekten ze dat hun vader een relatie had met een andere vrouw. Tussen haar en Dolly boterde het niet. Daarom vertrok Dolly en raakte ze al snel in de prostitutie verzeild. Ze was zo jong dat ze na een tijdje door de politie uit dat wereldje werd gehaald. Dolly werd naar huis gebracht. Daarna kreeg ze de kans om kostuumnaaister te worden. Ik wou dat ik daar op die leeftijd de kans voor had gekregen. Dolly dacht er anders over. Toen ze 21 was, vertrok ze naar Den Haag en ging achter het raam zitten. Korte tijd later trouwde ze met een violist van een bekend Haags orkest, maar dat zegt mij niet zoveel.

Haar man had een vreemde voornaam: Botto. Die naam heb ik verder nooit gehoord. Ik mag dan inmiddels 82 zijn, zulke dingen weet ik heel zeker. Botto van den Bergh heette hij. Twee jaar voordat ik Dolly vermoordde, kwam hun echtscheiding eindelijk rond. Het huwelijk was na amper een jaar al gestrand, maar in die tijd was scheiden niet zo eenvoudig. Gelukkig is Botto van den Bergh volgens mij nooit een verdachte geweest. Dit had ik best erg voor hem gevonden, maar niet zo erg dat ik mezelf had aangegeven. Uiteindelijk moest er voor vier kleine kinderen gezorgd worden. De huishouding was toen nog veel intensiever dan nu. Wegwerpluiers? Je bedoelt wassen, wassen en nog eens wassen van katoenen luiers. Een wasmachine? Die konden we niet betalen. Tegen betaling mocht ik regelmatig een was draaien bij de buren, maar ik moest een heleboel met de hand wassen. Op een ochtend kreeg ik ruzie met mijn man. Hij was boos omdat ik tegen betaling gebruik maakte van de wasmachine van de buren en dat die week een keer extra had gedaan. Zoiets hadden we helemaal niet nodig. ‘Niet nodig? We hebben een wasmachine nodig!’ heb ik geroepen. ‘Ik kan met die twee zieke kinderen niet buiten de deur werken. Ik kan ook geen strijkgoed aannemen, want ik ben de hele dag bezig! Met al die overuren die jij maakt, zouden we moeten kunnen sparen. Waar blijft dat geld dan?’ Hij reageerde niet en zei dat hij die avond laat thuis zou zijn in verband met overwerk. Was ik nu tevreden? Nee, dat was ik niet. Dit keer geloofde ik hem niet. Waarom? Geen idee. Ik geloof dat ze dit tegenwoordig vrouwelijke intuïtie noemen. Ik wist het gewoon. Dit werd zo’n avond die hij overwerk noemde, maar geen overwerk was. Ik regelde een oppas, iets wat ik vrijwel nooit deed. Het moest tussen haar en mij blijven. Dat beloofde ze. Niemand wist wat ik ging doen, wat ik graag zo wilde houden. 

In de buurt van de plek waar mijn man werkte, was een hele hoge heg. Ik had me voorgenomen om me achter die heg te verstoppen. Daar wachtte ik rustig af totdat mijn man zijn werk verliet. Hij liep niet richting ons huis, maar hij ging een hele andere kant op. Hij verraste me door in de tram te stappen. Toch bleef ik hem volgen. Gelukkig was het erg druk en hij zag me niet. Na een tijdje stapte hij uit, totaal niet om zich heen kijkend. Hij lette helemaal niet op zijn omgeving, maar ging rechtstreeks op zijn doel af. Tot mijn verdriet en woede tegelijk liep hij in een hoerenbuurt, waar hij duidelijk goed de weg kende! Bij nummer 498, aan de Nieuwe Haven, stonden een stuk of drie heren. Daar ging mijn man bij staan. Ik wilde niet verder lopen, maar ik kon ook niet verder lopen. Ik kon geen stap meer verzetten. Het was alsof ik ter plekke bevroor. ‘Meid, je ziet zo wit! Ben je in orde?’ vroeg een rondborstig hoertje dat voor mij achter haar raam vandaan was gekomen. ‘Voor wie staan die kerels daar in de rij?’ wilde ik weten. ‘Voor Blonde Dolly, de meest chique van deze straat. Ze zit achter het raam in een mantelpakje. Echt waar.’ ‘Die man met die groene pet op. Dat..dat is mijn man,’ stamelde ik. Het hoertje gaf me een arm en sleepte me mee naar binnen. Ze duwde me op een bed en sloot de gordijnen. ‘Anders denken de hoerenlopers dat we samen gaan verwennen,’ zuchtte ze. Jullie moeten weten dat hoertjes vroeger echt niet zo uitdagend gekleed achter een raam konden gaan zitten als nu. Dan kregen ze een boete. Toch droeg mijn redster in nood voor die tijd behoorlijk spannende dingen. Vergeet niet dat het 1959 was. Voordat ze bij me op bed ging zitten, deed ze een badjas aan en gaf ze me een glas water. ‘Hoeveel kinderen heb je?’ vroeg ze belangstellend. ‘Hoe weet je dat ik kinderen heb?’ Ze schudde haar hoofd. ‘Veel van die kerels komen pas naar meiden zoals ik nadat de kinderen geboren zijn. Ze beweren dat ze daarna geen aandacht meer krijgen, dat hun vrouw niet meer wil, noem maar op. Ze wil minder, korter, verzin de smoes en ik heb hem gehoord. Nou, hoeveel zijn het er?’ ‘Vier,’ zei ik eerlijk. ‘Vier? Hoe lang ben je getrouwd?’ ‘Zes jaar. Ik moest wel, want ik was zwanger. Ik was al blij dat hij met me wilde trouwen.’ Ze glimlachte. ‘Ik heb er drie. Een zoon, daarna een tweeling. Twee meisjes. Toen bleek dat het een tweeling was, is mijn man een pakje sigaretten gaan kopen. Snap je? Ik vond al snel een paar hoge rekeningen waarvoor ik kon opdraaien. Dure diploma’s heb ik niet en ik moest iets verzinnen dat genoeg geld opleverde om die schulden te betalen en om te overleven. Ik vertelde dit aan een vriendin, die toen bekende dat ze zelf achter het raam zat. Veel keus had ik niet. Je eerste klant is de moeilijkste. Gelukkig was het een aardige vent. De ergste klanten vind ik de kerels die een uur lang alleen maar zeuren over hoe erg hun vrouw is. Sommige mannen komen hier alleen om te knuffelen, echt waar. Dat dank ik zeker aan deze twee kussens.’ Stralend wees ze op haar grote borsten. Zo groot waren die van mij niet, zelfs niet toen ik borstvoeding in voorraad had. ‘Waarom ben je in deze buurt?’ vroeg ze nieuwsgierig. Heel in het kort vertelde ik wat er aan de hand was. ‘Dus hij gaat naar Blonde Dolly van geld dat jullie helemaal niet kunnen missen?’ zuchtte ze. Ik knikte. ‘Kijk wel uit als je hem hiermee confronteert, meid. Het kan zijn dat hij vertrekt. Dan blijf je achter met een volle bak met kinderen en een lege beurs. Daar weet ik alles van en ik zie jou dit werk niet doen. Denk heel goed na over hoe je dit wilt aanpakken. Jij zit behoorlijk in de val, maar onderschat jezelf niet. Gaat het weer een beetje? Ik wil je niet laten stikken, maar ik verwacht zo een klantje. Zeurt nooit en geeft altijd een lekkere fooi. De tweeling heeft nieuwe schoenen nodig, dus dan weet je het wel. Ik kan het me niet permitteren dat die royaal betalende klant naar een ander gaat. Concurrentie genoeg in deze buurt.’ Natuurlijk bedankte ik haar omdat ze me had opgevangen en ging snel weg. Haar naam heb ik nooit geweten, maar ik denk nog regelmatig aan haar. Het klinkt gek, maar ik had het veel beter kunnen begrijpen als mijn man naar haar was gegaan in plaats van naar die Dolly. Dat mens had kerels met een dikke portemonnee als klant. Het schijnt dat professor Oud Dolly bezocht. Die vent is nota bene burgemeester van Rotterdam geweest. Een andere klant was hoogstwaarschijnlijk minister Luns van Buitenlandse Zaken! Waarom beperkte Dolly zich niet tot die goed betalende lui en liet ze de gewone man ergens anders hun geld neerleggen? Ze had genoeg, meer dan genoeg!

Er brak iets in me. Ik voelde me vernederd, verdrietig, boos, beledigd, afgewezen, maar vooral beduveld. Seksueel, financieel, noem maar op. Op wie was ik nu zo woedend? Op mijn man? Of op Dolly? Korte tijd voor de moord op Blonde Dolly werd er in diezelfde straat een andere prostituee vermoord. Gelukkig niet de lieve schat die mij zo heeft opgevangen. Het ging om een roofmoord op een of andere Marietje. Dolly was daar duidelijk van geschrokken, want ze nam een lijfwacht in dienst, Gerard V. Zo noemden ze hem later in de krant. Op die bewuste avond, 31 oktober 1959, was mijn man niet thuis en mijn moeder wilde voor één keer oppassen. Ik wilde met Dolly gaan praten en haar vragen of ze mijn man voortaan als klant kon weigeren. Ze had er immers genoeg. Natuurlijk had ik een foto bij me van mijn man, zodat ze precies wist wie ik bedoelde. Er gebeurde precies wat ik hoopte. Ze deed meteen open toen ik aanbelde en liet me binnen. Het was vast in mijn voordeel dat ik een vrouw was. Ze moest keihard lachen toen ik de foto van mijn man liet zien. ‘In mijn werk zien alle mannen er hetzelfde uit. Ik doe wel alsof ze bijzonder zijn, maar types zoals hij zijn dat zeker niet. Bij mij vindt hij dingen die hij bij jou niet meer vindt. Of nooit gevonden heeft.’ Toen sloegen bij mij de stoppen door. Die lijfwacht was er niet. We waren alleen in dat huis en ik heb haar gewurgd. Jaren later schreef Frank Boeijen Crime Passionel met de tekst Crime passionel, misdaad uit hartstocht. Misschien was dat het wel. Misdaad uit hartstocht, maar vooral uit liefde voor mijn kinderen. Nadat ik haar had vermoord, heb ik haar stoffelijk overschot in haar bed gelegd. Haar bouvier deed niets. Die keek alleen maar angstig toe. Naast haar bed lag een straal gouden tientjes. Nee, ik heb niets meegenomen. Dan was ik een dief, net als zij. Ze vrat immers het brood uit de mond van mijn kinderen. We waren onnodig arm! 

Nadat haar overlijden de pers had gehaald, zocht ik ruzie met mijn man. Tijdens het bekvechten ontdekte ik zogenaamd dat hij ook een klant van Blonde Dolly was. Ik heb natuurlijk niet laten merken dat ik de dader was, maar ik heb hem wel een blauw oog geslagen! ‘Van nu af aan houd ik ál jouw overuren bij. Het geld dat je naar dat mens bracht, is nu voor je gezin. Je zorgt maar dat er een wasmachine komt!’ riep ik woest. Reken maar dat we binnen de kortste keren meer geld hadden. Intussen stonden de kranten bol van de moord op Blonde Dolly. Ze zou haar klanten gechanteerd hebben, ze zou een blauw boekje hebben waarin precies stond wie haar klanten waren, noem maar op. Verder ging het gerucht dat verschillende mensen het zwijgen werd opgelegd, zoals een taxichauffeur die wilde vertellen welke hotemetoten hij allemaal naar Blonde Dolly vervoerd had. Maar niemand, niemand dacht aan mij. Vroeger was moord na 18 jaar verjaard. Vanaf november 1977 kon niemand me meer iets maken. Een paar jaar geleden heeft een journalist vastgesteld dat de dader Gerard V. moet zijn, die lijfwacht. Onzin, want ik heb het gedaan. Eén keer heb ik het benauwd gehad. Er was bij ons ingebroken en we moesten onze vingerafdrukken laten afnemen. De zaak was toen al verjaard, maar ik was toch bang dat ze die afdrukken door het systeem zouden halen. Dat gebeurde niet. Toch had ik de indruk dat een vrouwelijke rechercheur me niet vertrouwde. Af en toe staat er weer iets in de krant over Blonde Dolly. Er is zelfs een film over haar! Sjaak Bral, een Haagse artiest, heeft een theatervoorstelling gemaakt over Dolly en het mysterie rond haar overlijden. Helaas kan ik niet gaan kijken. Tegenwoordig mag ik mijn huis niet meer uit. Waarom weet ik eigenlijk niet. Na de dood van mijn man was ik jaren alleen, maar ik woon tegenwoordig samen met wat dokters en verpleegsters. Er lopen ook wel eens andere mensen rond. Ik bemoei me niet met hen. Af en toe kijk ik heel tevreden om me heen. Tussen ál die mensen zit niemand die weet dat ik Blonde Dolly heb omgebracht en waarom. Niemand weet het. Niemand. 
 ------------------------------

Rechercheur Hilde van Wijn beschouwde haar naderende pensionering als een vloek en een zegen. Ze hield van haar werk en zou het erg missen. Ze kreeg meer vrije tijd, maar het was de vraag of ze ooit echt ophield met werken. Er waren een aantal cold cases waar ze zich graag op wilde storten. Het ging om zaken die haar nooit hadden losgelaten. Daar zat één ding bij dat niemand boeide, behalve haar. Een slordige vijftien jaar geleden was er ergens ingebroken. De vrouw des huizes stribbelde een beetje tegen toen uit routine haar vingerafdrukken moesten worden afgenomen. Volgens haar toenmalige chef wist ze wie die inbraak had gepleegd. ‘Misschien een kind of kleinkind dat geld nodig heeft. Drank, drugs, gokken. Kan van alles zijn. Laten we hier maar niet al te veel aandacht aan besteden,’ stelde hij voor. Toch was het Hilde altijd dwars blijven zitten. 

Toen Hilde op maandagochtend aan haar laatste week begon, overlegde ze met haar leidinggevende, Jacques Smit. ‘Normaal zou ik hier niets mee doen, maar je gaat met pensioen. Bij een duur kantoor krijg je bij het afscheid een Rolex. Dat kunnen we hier vergeten, dus jij krijgt van mij als afscheidscadeau dat ik de vingerafdrukken van die dame door het systeem laat halen. Maar tegen niemand zeggen. Deal?’ ‘Ik zal je missen,’ zei Hilde naar waarheid. Er verscheen een brede glimlach op het gezicht van Smit. ‘Ik laat het je weten of er wel of niet iets uitrolt,’ beloofde hij.

Een paar dagen later moest Hilde bij Smit komen. Hij oogde opgewonden en zijn ogen glommen als koper dat net gepoetst was. ‘Jij raadt nooit waar die vingerafdrukken eerder zijn opgedoken!’ zei hij opgewonden. ‘Waar dan?’ Smit laste een pauze in, alsof hij de spanning nog even wilde opvoeren. ‘De vingerafdrukken van die dame zijn gevonden in de woning van Blonde Dolly.’ ‘Wàààt?’ stamelde Hilde. Hij knikte. ‘Omdat het zo’n geruchtmakende zaak is, zijn de vingerafdrukken die ze daar gevonden hebben gedigitaliseerd en in het systeem gestopt. Onvoorstelbaar.’ ‘Dit bewijst natuurlijk niets,’ stelde Hilde nuchter vast. ‘Wie weet heeft ze daar schoongemaakt, of was ze om een andere reden in die woning. Maar waarom zou ze hier zo geheimzinnig over doen?’ Smit kon die vraag niet beantwoorden. ‘De gedoodverfde verdachte, Gerard V., leeft nog, Die dame trouwens ook. Ten tijde van de moord op Blonde Dolly was ze amper 25 jaar. Ze is nu 82, maar ze verblijft op de gesloten geriatrische afdeling van een gespecialiseerde instelling. Ik heb met haar arts gesproken. De ene dag is die dame helder, de andere dag vraagt ze waarom ze in het ziekenhuis ligt en wanneer ze naar huis mag. Uiteraard heb ik niet tegen die arts gezegd waar het om ging. Als een van de personeelsleden iemand van de pers waarschuwt, dan heb je de poppen aan het dansen! Ik heb wel gezegd dat het ging om een zaak uit de jaren 50. Hij gaf ons weinig kans. Bovendien mag ze niet verhoord worden. Daarvoor is ze te kwetsbaar. Haar twee jongste kinderen schijnen altijd een slechte gezondheid gehad te hebben en zijn al overleden. Dit was meer dan ze kon verdragen. Haar man is niet lang na die inbraak overleden. Ze waren bijna vijftig jaar getrouwd, maar volgens de arts was het een huwelijk van niet zo beste kwaliteit. Haar man heeft zich dankzij avondstudie opgewerkt als boekhouder. Nadat de kinderen wat groter werden, werkte zij jarenlang bij een supermarkt.’ ‘Had ik nu destijds maar naar mijn zesde zintuig geluisterd. Ik wilde dieper in de zaak duiken, maar mijn baas hield het tegen. Hij dacht dat ze zo zenuwachtig was omdat ze een familielid wilde beschermen.’ ‘Een begrijpelijke keuze,’ verdedigde Smit de beslissing van zijn collega. ‘Aan de andere kant had hij er rekening mee moeten houden dat jij een pitbull bent die niet loslaat. Verder waren er nog wat obstakels. Die dame viel niet te linken aan welke zaak dan ook. Wat zou haar motief geweest kunnen zijn om Blonde Dolly iets aan te doen?’ Dat wist Hilde ook niet. Waarom zou een huisvrouw en moeder van vier kinderen, een volstrekt onbekende van de politie, Blonde Dolly vermoorden? Ze was met grote kracht gewurgd. Die oudere dame was nogal tenger gebouwd. Had ze daar de kracht wel voor? ‘Ik heb trouwens even naar de financiën van die dame en haar overleden man laten kijken. Niets bijzonders gevonden,’ meldde Smit. ‘Toch vind ik dit heel apart. We zullen nooit meer weten hoe, maar de kans bestaat dat ze op de één of andere manier met de dood van Blonde Dolly te maken heeft.’ Hilde van Wijn bedankte Smit voor al zijn inzet. Voor haar was dit het mooiste afscheidscadeau dat ze had kunnen bedenken, ook al kon ze de verdachte niet meer verhoren. Haar intuïtie had haar niet in de steek gelaten. Met de zekerheid dat ze op die capaciteit kon bouwen, zou ze vol zelfvertrouwen in haar vrije tijd aan een aantal zaken gaan werken.

Anne-Rose Hermer

Anne-Rose Hermer (1968) is freelance schrijfster/journaliste. Ze woont en werkt in haar geboorteplaats Rotterdam. Ze heeft een aantal jeugdboeken op haar naam staan voor jongeren met lees- en leerproblemen. Verder zijn er een aantal korte verhalen van haar gepubliceerd in onder andere verhalenbundels voor kinderen en volwassenen. Eén daarvan is Zwaarden van knoflook, een bundel vol verhalen die zich afspelen in de middeleeuwen. De laatste tijd ontdekt Anne-Rose haar criminele talent. Er staat een verhaal van haar hand op www.uitgeverij-logikos.nl als moordvrouwenverhaal van de maand en in december 2015 won ze de derde prijs van een wedstrijd voor het schrijven van een hoorspel. Ze schrijft ook voor tijdschriften zoals Rijnmond Business en Verzamelen.



Bezoekersreacties: